Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.2.1.3
4.2.1.3 Europeesrechtelijke ontwikkelingen
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971993:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel voor een vijfde richtlijn van de Raad strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de Lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, lid 2, van het Verdrag om de belangen te beschermen, zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, met betrekking tot de structuur van de naamloze vennootschap alsmede de bevoegdheden en verplichtingen van haar organen (PbEG 1972 C 131/49).
Ontleend aan het gewijzigd voorstel van 19 augustus 1983 (PbEG 1983 C 240/2).
Aldus ook de preambule bij het voorstel voor de Vijfde Richtlijn Harmonisatie Vennootschapsrecht: “Overwegende dat de aandeelhouders wat betreft de voorbereiding van de algemene vergadering en het houden daarvan, uniforme waarborgen behoeven ten aanzien van de vorm, termijn en inhoud van de oproeping, de toegang tot en de vertegenwoordiging in de vergadering, schriftelijke en mondelinge informatie, de uitoefening van het stemrecht, de voor een besluit vereiste meerderheid, alsmede de rechtsmiddelen tegen nietige of vernietigbare besluiten;.”
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 32 onder b.
Zie PbEU 2004, C 5/2.
Zie ook Overkleeft (diss.) 2017, hoofdstuk 5, in het bijzonder par. 5.3.
Zie met name Hoofdstuk 3.2 van het Rapport High Level Group of Company Law Experts 2002.
Zie Rapport High Level Group of Company Law Experts 2002, p. 20: “The legal requirements or restrictions with respect to the right to ask questions and submit proposals for decision-making often prevent small shareholders from being active. In order to increase the participation of shareholders in the decision-making process it may be helpful to set minimum standards in Europe allowing shareholders with a certain holding of shares to raise questions and submit proposals for decision-making at the general meeting.”
Zie EC Actieplan 2003, par. 2.1 en 3.1.2.
Zie EC Actieplan 2003, par. 3.1.1 en 3.1.2, waarbij op p. 16 expliciet wordt gesproken over het recht om vragen te stellen. Het belang van een behoorlijke informatieverstrekking wordt gekoppeld aan de verantwoordingsfunctie van de algemene vergadering, zie p. 8: “Zowel grote als kleine beleggers hebben behoefte aan meer transparantie en betere informatie over ondernemingen, en willen meer invloed hebben op de wijze waarop de vennootschappen waarvan zij mede-eigenaar zijn, worden geleid. De aandeelhouders, en niet het bestuur, zijn de eigenaars van de onderneming – en toch worden hun rechten maar al te vaak met voeten getreden door onwaardig, inhalig en soms frauduleus gedrag. Een nieuw gevoel voor verhoudingen en eerlijkheid is onontbeerlijk.”
Voorstel voor een Richtlijn van het Europese Parlement en de Raad betreffende de uitoefening van stemrechten door aandeelhouders van ondernemingen die hun statutaire zetel in een lidstaat hebben en waarvan aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG, 5 januari 2006 (COM(2005) 685).
Zie het voorstel voor de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, p. 7.
Zie Kamerstukken II 2008/2009, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 15. Artikel 2:217 lid 2 BW viel buiten het bereik van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, omdat die richtlijn uitsluitend ziet op NV’s met een notering aan een gereglementeerde markt (artikel 1 lid 1 van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten).
Zie punt 8 van de preambule bij de Richtlijn Aandeelhoudersrechten.
Zie Rapport High Level Group of Company Law Experts 2002, p. 20.
Zie het voorstel voor de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, p. 7.
Vgl. Teichmann 2023, p. 132-133, over de discussie in Duitsland welke ruimte het agendapunt decharge laat voor vragen van aandeelhouders; en Van den Ingh & Nowak 2003, onder 3.
Ten tijde van de ontwikkelingen rondom de Structuurwet speelde een vergelijkbare ontwikkeling in Europa. Op 9 oktober 1972, vlak na de inwerkingtreding van de Structuurwet, presenteerde de Europese Commissie een voorstel voor de Vijfde Richtlijn Harmonisatie Vennootschapsrecht.1 Net als de Structuurwet, zag ook het voorstel op de rol van de factor kapitaal binnen de onderneming. In dat verband was in artikel 31 van het voorstel een uitgebreid recht op inlichtingen voor individuele aandeelhouders opgenomen:2
Aan iedere aandeelhouder worden in de algemene vergadering op zijn verzoek nauwkeurige inlichtingen verstrekt over de zaken van de vennootschap, indien deze inlichtingen noodzakelijk zijn voor een juiste beoordeling van een onderwerp van de agenda.
Het leidinggevende orgaan of de beherende leden van het bestuursorgaan zijn gehouden deze inlichtingen te verstrekken.
Het verstrekken van deze inlichtingen kan uitsluitend worden geweigerd, wanneer daardoor:
aan de vennootschap ernstig nadeel kan worden berokkend; of
een wettelijke geheimhoudingsverplichting zou worden geschonden.
Ontstaat een geschil over de vraag of het verstrekken van inlichtingen met recht is geweigerd, dan neemt de rechter hiervan kennis.
Dit voorstel week op een aantal belangrijke punten af van artikel 43 lid 2 WvK (oud). Met name van belang was dat het voorstel een recht toekende aan de individuele aandeelhouders en een verplichting oplegde aan de individuele bestuurders en commissarissen, terwijl artikel 43 lid 2 WvK (oud) op orgaanniveau ingreep. Daarnaast koppelde het voorstel de verplichting om inlichtingen te verschaffen aan de noodzaak voor een juiste beoordeling van een onderwerp van de agenda. De reikwijdte van het recht op inlichtingen zou daarmee worden beperkt tot informatie die verband houdt met agendapunten. Dit voorgestelde recht op inlichtingen was (mede) bedoeld om te waarborgen dat de algemene vergadering toegang zou hebben tot voldoende informatie om haar bevoegdheden behoorlijk te kunnen uitoefenen.3 Ten slotte weken de afwijzingsgronden in lid 3 van het voorstel af van die in artikel 43 lid 2 WvK (oud).
Over de Vijfde Richtlijn Harmonisatie Vennootschapsrecht is uiteindelijk geen overeenstemming bereikt tussen de Lidstaten, met name vanwege onenigheid over de medezeggenschap van werknemers.4 Het voorstel voor die richtlijn werd in 2004 ingetrokken,5 te midden van een discussie over corporate governance die zowel op Europees als Nederlands niveau speelde.6 Zowel op Nederlands als op Europees niveau werd daarbij een belangrijke rol toebedeeld aan aandeelhoudersrechten.
In september 2001 werd door de Europese Commissie de Europese High Level Group of Company Law Experts ingesteld, welke commissie in november 2002 haar rapport ‘A Modern Regulatory Framework for Company Law in Europe’ publiceerde. In dit rapport wordt onder meer aandacht besteed aan het belang van een behoorlijke informatieverstrekking aan aandeelhouders voor het functioneren van de algemene vergadering,7 waaronder het recht om vragen te stellen.8 Vervolgens publiceerde de Europese Commissie in mei 2003 haar actieplan voor de modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de EU, waarin eveneens – in het kader van het versterken van de aandeelhoudersrechten –9 het belang van behoorlijke informatieverstrekking werd benadrukt.10
Tegen deze achtergrond is de Richtlijn Aandeelhoudersrechten tot stand gekomen. In 2005 publiceerde de Europese Commissie haar voorstel,11 waarin werd stilgestaan bij het recht van individuele aandeelhouders om ter vergadering vragen te stellen:
“Aandeelhouders moeten in staat zijn om op algemene vergaderingen vragen te stellen aan het bestuur. Algemene vergaderingen zijn immers het belangrijkste forum voor aandeelhouders om hun rechten uit te oefenen en hun stem te laten horen. Bovendien zou het recht om vragen te stellen niet meer zijn dan een lege doos indien daar niet de verplichting van de kant van de uitgevende instelling tegenover staat om deze vragen te beantwoorden, met inachtneming van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de goede orde van de vergadering, de vertrouwelijkheid en de bescherming van de zakelijke belangen te waarborgen. (…) Alle antwoorden op gestelde vragen dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn voor alle aandeelhouders, ongeacht waar zij hun verblijfplaats hebben. Dit kan met name worden bewerkstelligd door de antwoorden op de website van de uitgevende instelling bekend te maken.”12
Uiteindelijk is een dit recht om vragen te stellen als volgt opgenomen in artikel 9 van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten:
Iedere aandeelhouder heeft het recht om vragen te stellen met betrekking tot punten op de agenda van de algemene vergadering. De vennootschap beantwoordt de vragen die aandeelhouders haar stellen.
Het recht om vragen te stellen en de verplichting om deze te beantwoorden zijn onderworpen aan de maatregelen die de lidstaten kunnen nemen of die zij vennootschappen kunnen toestaan te nemen om de identificatie van aandeelhouders, de voorbereiding en de goede orde van de algemene vergadering, alsook de bescherming van de vertrouwelijkheid en de zakelijke belangen van vennootschappen te waarborgen.
Met de Richtlijn Aandeelhoudersrechten is het recht van individuele aandeelhouders in beursvennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt om vragen te stellen EU-breed gewaarborgd. Net als in het voorstel voor de Vijfde Richtlijn Harmonisatie Vennootschapsrecht, zijn die vragen gekoppeld aan de agenda, wat de reikwijdte van het recht op inlichtingen beperkt en de vennootschapsleiding ruimere discretionaire ruimte biedt ten opzichte van artikel 2:107/127 lid 2 BW. Niettemin is de bredere reikwijdte van het Nederlands recht op inlichtingen bewaard gebleven; bij de implementatie van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten overwoog de wetgever dat aanpassing van artikel 2:107 lid 2 BW niet nodig zou zijn.13
Uit de Richtlijn Aandeelhoudersrechten blijkt niet duidelijk met welk doel het recht op inlichtingen is verleend; in de preambule wordt volstaan met de opmerking dat iedere aandeelhouder “in beginsel de mogelijkheid [moet] hebben om vragen te stellen over agendapunten van de algemene vergadering en daarop antwoord te krijgen”.14 De High Level Group of Company Law Experts koppelt het recht om vragen te stellen met name aan de participatie van aandeelhouders aan het besluitvormingsproces.15 Dat is vergelijkbaar met de benadering die eerder was gekozen in het voorstel voor de Vijfde Richtlijn Harmonisatie Vennootschapsrecht, waarin het recht om te vragen bedoeld was om tot een juiste beoordeling van de agendapunten te kunnen komen. Ik meen daaruit op te maken dat het recht om vragen te stellen in de Richtlijn Aandeelhoudersrechten primair werd beschouwd als een instrument om te waarborgen dat aandeelhouders over voldoende informatie beschikken, zodat zij optimaal in staat worden gesteld om hun stemrechten uit te oefenen en tot weloverwogen besluitvorming te komen. Mijns inziens volgt dit ook uit de keuze het recht om vragen te stellen te beperken tot agendapunten.
In het Actieplan dat mede tot de Richtlijn Aandeelhoudersrechten heeft geleid, wordt het recht om vragen te stellen juist meer geplaatst in het kader van verantwoording. Ook in het voorstel voor de Richtlijn Aandeelhoudersrechten werd gesproken over de algemene vergadering als “het belangrijkste forum voor aandeelhouders om (…) hun stem te laten horen”.16 Ik zie daarin een indicatie dat met het recht om vragen te stellen ook een zekere verantwoordingsfunctie is beoogd, vergelijkbaar met het Nederlands recht op inlichtingen. Overigens lijkt deze verantwoordingsfunctie te zijn beperkt door de reikwijdte van artikel 9 van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, op grond waarvan de vennootschapsleiding uitsluitend gehouden is vragen te beantwoorden over agendapunten. De mate waarin de vennootschapsleiding daadwerkelijk tot verantwoording kan worden geroepen, is daarmee in zekere mate afhankelijk van de geagendeerde onderwerpen. Overigens kan ook dan de agendering van bijvoorbeeld een voorstel tot het verlenen van decharge of de vaststelling van de jaarrekening de nodige ruimte geven om vragen te stellen.17