De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/4:4 Nieuwe regelgeving
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/4
4 Nieuwe regelgeving
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364111:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De beloningsregelgeving wordt uitgebreid besproken in het derde deel van dit onderzoek.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De structurele toename van de bezoldigingsniveaus en de excessen die in de media breed worden uitgemeten, zorgen voor een telkens weer oplevende maatschappelijke verontwaardiging over de bezoldiging van bestuurders. In de discussie die hierdoor ontstaat, zit veel emotie verborgen. Ook worden er verschillende visies op bestuurdersbeloningen gehanteerd waardoor veelal langs elkaar heen wordt gepraat. Hierdoor is er sprake van een verstoord bezoldigingsdebat dat op een weinig constructieve manier wordt gevoerd, met wederzijds onbegrip als gevolg. Consensus over fundamentele problemen die een structurele oplossing verdienen, blijft daardoor achterwege.
Het verstoorde bezoldigingsdebat werkt door in de wijze waarop wordt ingegrepen in de bezoldiging van bestuurders. Parallel aan voornoemde functieverbreding is de opkomst van beloningsregelgeving te zien. Sinds het huidige millennium wordt getracht door diverse wettelijke bepalingen en via zelfregulering in codes verschillende aspecten van de bezoldiging van bestuurders in balans te krijgen. Steeds vaker wordt gekozen voor een verdere inkadering van de ruimte die vennootschappen hebben bij de bezoldiging van bestuurders op grond van de gedachte dat door deze vennootschapsrechtelijke bepalingen de waargenomen onregelmatigheden kunnen worden bezworen.
De doelen die men met deze regelgeving tracht te bereiken zijn duidelijk: (i) het tegengaan van perverse prikkels en excessen en (ii) het matigen van de bezoldigingsontwikkeling van de top. De daadwerkelijke vraagstukken over bezoldiging, bijvoorbeeld of bestuurders overbetaald worden en hoe financiële prikkels werken, blijven echter veelal onaangeroerd waardoor inzicht in mogelijke structurele weeffouten in het huidige bezoldigingssysteem ontbreekt. Hierdoor hebben de initiatieven op het gebied van wet- en regelgeving veelal een responsief karakter en zijn deze slechts gericht op het tegengaan van bepaalde symptomen. Een deel is niet meer dan symbolisch van aard.1 Van een structurele oplossing lijkt geen sprake.
Tot op heden hebben deze nieuwe vennootschapsrechtelijke regels de onvrede over de bezoldiging van bestuurders dan ook niet weg kunnen nemen. Een onderzoek naar de rol van het vennootschapsrecht bij de bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen lijkt derhalve op zijn plaats.