Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.3.0
5.3.0 Introductie
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200840:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Lindeman (2017: 238 e.v.) heeft de mandatering van verantwoordelijkheden aan ‘ongegradueerden’ binnen het OM (art. 126 RO) belangrijke gevolgen gehad. Deze sluiten in grote mate aan bij de hier beschreven situatie. De georganiseerde afstand in organisatiestructuur vormt volgens hem geen relevante factor meer voor het in stand houden van de magistratelijkheid van de officier van justitie. Mandatarissen meten zichzelf in (veel) mindere mate ruimte toe om rekening te houden met specifieke omstandigheden van het individuele geval. De opportuniteit van de vervolging en/of de redelijkheid van de strafmaat zijn volgens Lindeman in mindere mate factoren die door hen bij de besluitvorming worden betrokken. Ook ziet Lindeman dat de magistratelijkheid die bij de vervolgings- of afdoeningsbeslissing mag worden verwacht niet in alle gevallen aanwezig is. Officieren geven aan soms zaken op zitting te krijgen waarin onvoldoende bewijs zit, waarin fouten in de tenlastelegging zijn gemaakt of waarin de aangeboden transactie hoger is dan de straf die de rechter in de regel oplegt. De officier van justitie heeft soms de mogelijkheid om te corrigeren, maar deze mogelijkheden kan hij niet (meer) proactief benutten.
Geen van de geïnterviewde officieren van justitie zegt in het algemeen ontevreden te zijn over de wijze waarop bewijs wordt beoordeeld in de strafrechtspraktijk. Wel hebben sommige officieren van justitie kritiek op de bewijsbeoordeling in een deel van de gevallen. Als reactie op de onvrede onder politiemensen over dit onderwerp wijzen ze vaak op hun ervaring dat ‘kleine onvolkomenheden’ in strafdossiers tegenwoordig minder vaak problemen opleveren bij de rechter. Rechters zouden tegenwoordig vaker bereid zijn om aan te geven wat zij nodig achten om de voorliggende zaak inhoudelijk te kunnen beoordelen, eventueel op een later moment. Een overdreven kritische houding bij de beoordeling van bewijs herkennen ze hierin dan ook niet, al werd die eerder wel ervaren.
‘Tien jaar geleden had je veel meer rechters die een zaak meteen afdeden als ze de processen-verbaal [slordig geformuleerd] vonden. Nu heb je meer rechters die meedenken met de opsporing. Dit moet niet stranden maar een goede inhoudelijke beoordeling krijgen, lijken ze wel te denken. Dan zeggen ze: “Daar is dit en dat nog voor nodig.” Een goede ontwikkeling volgens mij.’
Ook wijzen officieren van justitie in dit verband op mogelijkheden die het OM vaak heeft voor het instellen van hoger beroep, zoals bij een vrijspraak. Hoewel er dus weleens uitspraken worden gedaan die onrechtvaardig zijn in de ogen van officieren van justitie, is in de mogelijkheid voorzien om die te laten corrigeren. Daarnaast vinden officieren van justitie in het algemeen dat het strafproces van cruciaal belang is (volgens het ideaal van due process). Echter, in de opvattingen van officieren van justitie over de bewijsbeoordeling in het strafrecht kan onderscheid worden gemaakt tussen een algemene opvatting en een opvatting gebaseerd op individuele gevallen: op basis hiervan zijn veel officieren wel van mening dat er door sommige collega’s en door rechters soms te kritisch met bewijs wordt omgegaan.
In veel gevallen zijn officieren van justitie het niet eens met de in hun ogen ‘onkundige’ opvattingen van sommige politiemensen over bewijsbeoordeling, zoals ze die kennen uit gesprekken op de werkvloer. Hiervan nemen zij expliciet afstand tijdens de interviews. Tegelijkertijd zien officieren van justitie het als hun taak om waar mogelijk onbegrip weg te nemen, maar vinden ze ook dat de politie zelf meer zou moeten doen om medewerkers voor te lichten over het strafrecht.
Officieren van justitie achten politiemensen vaak onvoldoende op de hoogte van het bewijsrecht in het algemeen (‘bij de gemiddelde politieman krijg je niet tussen de oren dat je twee bewijsmiddelen moet hebben’) en relevante jurisprudentie in het bijzonder. Officieren zeggen dit regelmatig tegen te komen in hun contacten met de politie, hetgeen hen dan lijkt aan te zetten kritische vragen te stellen en uitleg te geven over strafrecht en strafproces.
‘Ik denk dat politiemensen te makkelijk denken dat iets bewezen kan worden. Ze kunnen best zeggen: “We weten toch dat hij het heeft gedaan.” Dat zegt dan het gevoel. En dat gevoel klopt vaak wel, maar mijn gevoel is geen bewijsmiddel en dat probeer ik dan wel uit te leggen.’ ‘Dan vraag ik: “Wat heb je [aan bewijs] tegen deze veelpleger? Dat het een veelpleger is, is geen bewijsmiddel. Heeft iemand gezien dat hij met die fiets bezig was geweest?” Dit soort vragen stellen en uitleg geven is dagelijks werk, bij ZSM zeker.’
Officieren van justitie menen dat zij zelf minder dan politiemensen afgaan op een intuïtief oordeel over verzamelde feiten. Zo geeft een officier van justitie aan dat oordelen van politie en justitie niet op intuïtie, maar op ‘waarheidsvinding’ gebaseerd moeten zijn. Het verschil daartussen komt bijvoorbeeld naar voren als een aangever en mogelijk slachtoffer van een zedenmisdrijf niet geloofwaardig overkomt op de politie en verder onderzoek volgens de politie zinloos is. Voor deze officier is dit nog geen reden om het opsporingsonderzoek te stoppen:
‘Normaal is dat men zich betrokken voelt, lang in het verhoor heeft gezeten met een slachtoffer en dan niet kan accepteren als de dader ongestraft wegkomt. Maar dat kan wel, want ik heb twee bewijsmiddelen nodig. Wat ik ook tegenkom in zedenzaken, is dat niet wordt geloofd wat er wordt gezegd [door de aangever]. Dat vindt men dan ongeloofwaardig en dan wil men er ook meteen niks meer mee doen. Je moet [met intuïtie] voorzichtig zijn. Feiten en omstandigheden, daar gaat het om.’
Volgens een deel van de officieren van justitie is het wel begrijpelijk dat politiemensen ontevreden zijn over de beoordeling van bewijs in de zaken die ze aanleveren. Daarvoor zijn meerdere redenen. Zo ontbreekt in de ogen van officieren vaak sturing van de zijde van het OM en wordt daardoor onnodig werk door de politie te weinig voorkomen. Daarbij zouden de verbalisanten te weinig door het OM gecorrigeerd worden, zowel in hun opvattingen over bewijs, als in hun werkwijze. Een officier van justitie meent dat functionarissen van het OM discussies hierover met politiemedewerkers soms liever ontlopen:
‘De politie levert een pak papier aan en wil een flinke strafrechtelijke reactie. Je hebt binnen de politie speciale teams die bovenop [bepaalde personen] zitten. Ik begrijp ook uit het betreffende OM-onderdeel dat er veel druk is om alle zaken op de tenlastelegging te zetten. Dat wordt gepusht en dan is het wel makkelijk als de zittingsofficier de schifting aanbrengt, zonder direct contact met de politie. Ik ga niet tegen de rechter zeggen dat er bewijs is, als het er gewoon niet is. Daar zie je een verdeling van taken die wel functioneel is. Ik denk ook dat de werkdruk te hoog is om telkens met de politie in discussie te gaan over al die zaken. (...) Als ze er al kritisch genoeg naar hebben kunnen kijken. Waar het om gaat is dat we die zaken met voorrang op zitting willen krijgen. Die druk is er vanuit de burgemeester, de politie en ook het OM heeft afgesproken een stapje harder te zetten. Het is wel een speciaal traject.’
Deze officier meent dat niet alleen bij de politie, maar ook binnen het OM soms onvoldoende kritisch naar zaken wordt gekeken. In veel zaken die bij de rechter voorkomen, is sprake van een zittingsofficier. Deze vertegenwoordigt het OM op de rechtszitting, maar is vaak niet bij de opsporingsfase betrokken geweest. Een geïnterviewde officier van justitie meent dat vanuit de organisatie druk wordt uitgeoefend om verdachten veroordeeld te krijgen en meent dat sommige collega-officieren niet kritisch genoeg kijken naar de concept-tenlastelegging die voor hun zitting is opgesteld: ‘Als er iets op staat, dan gaan ze er ook gewoon voor. De één is daar wat strakker in dan de ander.’ Zo wordt de rechter weliswaar in zijn eindverantwoordelijkheid bevestigd, maar (gemandateerde) medewerkers van het OM voorkomen hiermee volgens deze officier ook ongewenste confrontaties met de politie. In een deel van de gevallen zou aan de zittingsofficier worden overgelaten om te oordelen over de juridische waarde van het bewijsmateriaal dat de politie door middel van processen-verbaal aanlevert.1
‘Ik doe af en toe een jeugdzitting. Ik doe vooral de [persoonsgerichte aanpak]. Daar worden mijn zittingen mee gevuld. Bij dit soort verdachten krijg je vaak een tenlastelegging met een wat grotere zaak en één of meer te voegen parketnummers met nog eens een aantal [strafbare] feiten daarop. Als je dat aan het voorbereiden bent, ben je vaak aan het schiften. De politie levert alles aan en vaak worden veel van die feiten op de tenlastelegging gezet en die worden dan eigenlijk pas kritisch beoordeeld door de zittingsofficier. (...) Ik zou liever minder feiten op de tenlastelegging hebben staan. Het is geen goed signaal naar de verdachte als hij voor van alles wordt vrijgesproken.’
Sommige officieren van justitie lijken ervan uit te gaan dat de eindverantwoordelijke rechters het bewijs wel kritisch zullen beoordelen, desnoods kritischer dan zij zelf doen. Hier wenst een officier van justitie niet te beslissen zoals een rechter (vgl. Van de Bunt, 1985):
‘Als ik er niet in geloof dan vraag ik vrijspraak, maar ik heb ook weleens dat ik denk: “Ik weet het niet. Ik weet het niet. Ik denk toch wel dat de verdachte schuldig is.” En dan ga ik voor een veroordeling, maar ben ik blij dat ik de rechter niet ben. Dan heb je een heel erg moeilijke positie.’
Ook menen sommige officieren van justitie dat rechters bewijs verschillend afwegen en vinden de onvoorspelbaarheid van het strafproces te groot. Daarbij wordt verondersteld dat de rechtspraak voorzichtiger is geworden sinds in de afgelopen jaren meerdere gerechtelijke dwalingen aan het licht zijn gekomen. Zo haalt een officier van justitie een oude moordzaak aan. Ze betwijfelt of de verdachte door andere rechters ook veroordeeld zou zijn. Ook is volgens haar de vraag of de veroordeelde vandaag de dag nog veroordeeld zou worden.
‘Als we andere rechters op deze zaak hadden gehad, was het denk ik anders afgelopen. Ik weet rechters aan te wijzen die hadden vrijgesproken. (...) Met de huidige rechters, als je ziet hoe voorzichtig ze zijn geworden met veroordelen – vanwege onder meer de Schiedammer Parkmoordzaak – vraag ik me af of ze nu zouden hebben veroordeeld met het bewijs wat er ligt.’
De observatie dat de voorzichtigheid om te veroordelen onder rechters zou zijn toegenomen wordt breed gedeeld onder de geïnterviewde officieren van justitie. Regelmatig is men van opvatting dat deze ontwikkeling begrijpelijk is gezien de rechterlijke dwalingen die in de afgelopen jaren in Nederland aan het licht zijn gekomen. Een deel van de officieren van justitie is echter kritisch, zo merkt een officier op: ‘Sommige combinaties [van rechters] slaan door in het denken in alternatieve scenario’s, maar (…) het zijn uitzonderingen.’ Sommige rechters zou het in concrete zaken aan ‘lef’, ‘gezond verstand’ of een bepaalde ‘beleving’ ontbreken. Voorbeelden hiervan worden door ongeveer de helft van de geïnterviewde officieren genoemd. In navolgende subparagrafen wordt verduidelijkt op welke punten officieren van justitie (incidenteel) ontevreden zijn over de wijze waarop rechters met bewijs omgaan. Met name drie elementen worden door officieren van justitie van kritiek voorzien. De beoordeling van aanwijzingen (5.3.1), hoe wordt omgegaan met ‘alternatieve scenario’s’ (5.3.2) en het zwijgrecht van de verdachte (5.3.3).