Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.4.2
IV.5.4.2 Schuld
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460207:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uitvoerig over dit vereiste: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 9 en Asser/Sieburgh 6-IV 2019 aant. 3.2.I.
In de literatuur wordt schuld soms aangeduid als aspect van onrechtmatigheid. Met Sieburgh meen ik dat er echter dat deze concepten principieel van elkaar verschillen. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/104 en Sieburgh 2000, p. 156; zie voorts Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 8.4.1 e.v. Dit onderscheid is bovendien van belang voor een rechterlijk bevel: voor deze remedie is namelijk geen schuld maar wél (een dreigende) onrechtmatige handeling vereist: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 8.4.4. Het samenvoegen van deze vereisten leidt daarom onbedoeld tot een hogere drempel voor het vorderen van een rechterlijk bevel. Bovendien is schuld een vereiste dat vooral ex post kan worden toegepast, dus dit geeft problemen bij preventieve remedies zoals het rechterlijk bevel.
Over deze subjectieve invulling van toerekening krachtens schuld, zie met verdere verwijzingen Asser/Sieburgh 6-IV 2019/106, en Sieburgh 2000. Zie voor een nuancering van het subjectieve karakter met verdere verwijzingen Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 9.1.5.
Onder omstandigheden is de toerekening dan nog wel mogelijk krachtens verkeersopvatting.
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/98, en 108-113.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.4 en 8.4.2 onder verwijzing naar HR 25 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4642, NJ 1966/279, m.nt. Scholten.
De eerste, en in de praktijk belangrijkste toerekeningsgrond, is ‘schuld’.1 Het gaat hierbij om een gradatie van persoonlijke verwijtbaarheid.2 Schuld is een gesubjectiveerd begrip, dus de persoonlijke kenmerken van de dader staan centraal.3 In dit kader kan worden gedacht aan kenmerken zoals kennis, kunde, ervaring en hoedanigheid van de dader. Wanneer een leidinggevende een beginnersfout maakt, is dat dus wél verwijtbaar bij een leidinggevende die beschikt over ruime ervaring en gespecialiseerde vakkennis, maar niet bij een beginnende leidinggevende.4 De vraag moet worden beantwoord of de laedens gezien zijn persoonlijke kenmerken, anders had kunnen en moeten handelen. De schulduitsluitingsgronden die bekend zijn in het strafrecht, kunnen ook de toerekening op grond van schuld in de weg staan.5
Bij sommige normen zit de verwijtbaarheid die nodig is voor de toerekening van een onrechtmatige daad al ‘ingebakken’ in de normschending. Denk hierbij bijvoorbeeld aan culpoze of doleuze delicten: bij dergelijke wettelijke voorschriften is schuld of opzet een onrechtmatigheidsvoorwaarde. Immers, zonder de vereiste mate van verwijtbaarheid wordt het subjectieve bestanddeel niet vervuld, en is er geen sprake van strijd met een wettelijke plicht.
In de literatuur wordt aangenomen dat bij het schenden van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm de verwijtbaarheid die nodig is voor de toerekening van de onrechtmatige daad in beginsel gegeven is.6 De gedachte daarachter is dat ongeschreven zorgvuldigheidsnormen nauw verweven zijn met de omstandigheden van het geval, waardoor de (subjectieve) kenmerken van de dader al zijn verdisconteerd in de norm. Als de resulterende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm wordt geschonden, kan schuld worden verondersteld. Toch lijkt het me goed om bij algemenere ongeschreven zorgvuldigheidsnormen (waarbij slechts in beperkte mate rekening wordt gehouden met de persoonlijke kenmerken van de dader) wél na te gaan of de dader wel persoonlijk een verwijt treft. Het is bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat iemand buiten zijn schuld om een gevaarzettende situatie in het leven roept.
Doorgaans zal degene die onrechtmatig handelt, óók verwijtbaar handelen; het ontbreken van schuld is de uitzondering. Daarom wordt in de praktijk indien de onrechtmatigheid vaststaat meestal op voorhand de aanwezigheid van schuld verondersteld, en is het aan de gedaagde om aan te tonen dat hem geen schuld treft. Voor veel vormen van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW lijkt het me niet onredelijk dat gedaagde wordt vermoed schuld te hebben aan een onrechtmatige daad, maar voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden moet dit uitgangspunt – of eigenlijk, deze afwijking van het uitgangspunt van artikel 150 Rv – mijns inziens worden heroverwogen. Er zijn namelijk veel normen in het milieuaansprakelijkheidsrecht die kunnen worden geschonden door nalaten van de normadressaat (vaak degene die de inrichting drijft). Als de betreffende milieunorm niet beschikt over een subjectief bestanddeel, dan is de verwijtbaarheidstoets in het kader van artikel 6:162 lid 3 BW een belangrijk controlemoment om te bezien of het verband tussen de onrechtmatige daad en de dader sterk genoeg is voor aansprakelijkheid jegens een derde voor de geleden schade.
Neem het voorbeeld dat ik eerder gaf ten aanzien van ongewone voorvallen. Artikel 17.1 Wm bepaalt dat bij een ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft onmiddellijk de maatregelen moet treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Stel dat in een bedrijf een brandje uitbreekt waarbij stoffen vrijkomen die gevaarlijk zijn voor het milieu en de gezondheid van de omwonenden. Als de betrokken werknemers de drijver van de inrichting niet op de hoogte brengen van de brand en dit voorval onder de pet proberen te houden, dan wordt het ongewone voorval in strijd met artikel 17.2 lid 1 Wm niet gemeld aan de bevoegde autoriteiten en dan blijven de maatregelen die verplicht zijn op grond van artikel 17.1 Wm uit. Daarmee handelt degene die de inrichting drijft (weliswaar niet verwijtbaar) onrechtmatig. Het is dan onredelijk om van de leidinggevende te vragen om te bewijzen dat hij geen schuld heeft aan de onrechtmatigheden, want bij gebrek aan bewijs is hij de facto risicoaansprakelijk.