Rb. Noord-Holland, 05-02-2026, nr. AWB - 25 , 3440
ECLI:NL:RBNHO:2026:2541
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
05-02-2026
- Zaaknummer
AWB - 25 _ 3440
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2026:2541, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 05‑02‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026042108
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/539
Uitspraak 05‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Loonbelasting, 30%-regeling. Belanghebbende maakt gebruik van de 30%-regeling. Bij verandering van werkgever wordt eerst een nulurencontract gesloten en enige tijd later een vast contract. De rechtbank oordeelt dat voor de vraag of de 30%-regeling kan worden toegepast moet worden uitgegaan van de aanvang van het dienstverband. En omdat er toen geen vast loon was overeengekomen kan de 30%-regeling niet worden toegepast. Beroep ongegrond.
Partij(en)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3440
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Bij beschikking van 10 februari 2025 heeft verweerder het verzoek van eiser om toepassing van artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna:
de 30%-regeling) afgewezen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026 te Haarlem.
Namens eiser is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is met ingang van 6 november 2023 werkzaam geweest bij [bedrijf 1] te [plaats 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Bij beschikking is aan eiser toepassing van de 30%-regeling toegekend voor de periode 6 november 2023 tot en met 5 november 2028. De feitelijke werkzaamheden van eiser bij [bedrijf 1] zijn geëindigd op 19 juli 2024. Administratief bleef het dienstverband bestaan tot en met 31 juli 2024.
2. Eiser is op 22 juli 2024 een nul-urencontract aangegaan met [bedrijf 2] te [plaats 2] (hierna: [bedrijf 2] ). De werkzaamheden bij [bedrijf 2] zijn eveneens begonnen op 22 juli 2024. Het nul-urencontract voorzag in een uurloon van € 32,37. De Preambule van dit contract luidt als volgt:
“This contract establishes the employment of [eiser] fora two-week probationary plus a one-week consultation period (3-weeks total). If the probation period is successfully completed, the contract will transition to a Fixed Term Employment Agreement. Subsequently. [bedrijf 2] -Group will proceed and apply at the IND to become [eiser] 's sponsor.”
3. Op 13 augustus 2024 zijn eiser en [bedrijf 2] een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan. In deze arbeidsovereenkomst kwamen eiser en [bedrijf 2] een vast dienstverband overeen met een bruto maandsalaris van € 3.909. Met het daarvoor bestemde formulier hebben eiser en [bedrijf 2] een verzoek om toepassing van de 30%-regeling ingediend. Het formulier is op 20 september 2024 ondertekend door eiser en op 26 september 2024 door [bedrijf 2] . Het formulier is op 1 oktober 2024 bij verweerder ontvangen.
4. Per brief van 12 november 2024 heeft verweerder aan [bedrijf 2] meegedeeld dat hij voornemens was het verzoek af te wijzen. Eiser en [bedrijf 2] konden daarop nog reageren, maar na het uitblijven van een reactie heeft verweerder het verzoek bij de onderhavige beschikking afgewezen.
5. Eiser en [bedrijf 2] hebben tegen de beschikking bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is onder meer gesteld dat feitelijk vanaf 22 juli 2024 geen sprake was van een tewerkstelling bij [bedrijf 1] en vanaf 22 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 feitelijk geen sprake was van twee gelijktijdig bestaande dienstverbanden. Als subsidiair standpunt werd voorgesteld om de 30%-regeling te laten ingaan op 13 augustus 2024.
6. Per brief van 20 maart 2025 heeft verweerder (de gemachtigde van) eiser laten weten dat hij voornemens was het bezwaar af te wijzen, maar dat eiser zijn standpunt nog mondeling kon toelichten. Van het horen op 6 mei 2025 is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Eiser heeft daarop per e-mailbericht van 27 mei 2025 aan verweerder nog enkele stukken toegestuurd.
7. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de beschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. Die rechtbank achtte zich niet bevoegd en heeft het beroepschrift op 8 juli 2025 doorgestuurd naar deze rechtbank.
Geschil8.In geschil is of verweerder de toepassing van de 30%-regeling terecht heeft geweigerd.
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de 30%-regeling ten onrechte is geweigerd en heeft daarvoor aangevoerd dat de economische werkelijkheid moet uitgaan boven de juridische vorm van de tewerkstelling. Uit de stukken blijkt volgens eiser duidelijk dat [bedrijf 2] van meet af aan de bedoeling had eiser een vast contract aan te bieden. Het nul-urencontract was bedoeld als tijdelijke oplossing in verband met immigratierechtelijke redenen en omdat de bevoegde functionaris bij het begin van de werkzaamheden bij [bedrijf 2] met vakantie was. Het nul-urencontract en het vaste contract vormden samen één samenhangende rechtshandeling en het zou, aldus nog steeds eiser, in strijd zijn met de doelstelling van de 30%-regeling om toepassing daarvan te weigeren vanwege een administratieve noodmaatregel, terwijl aan alle materiële voorwaarden is voldaan.
10. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot wijziging van de beschikking in die zin dat toepassing van de
30%-regeling wordt toegekend.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de toepassing van de 30%-regeling terecht is geweigerd en heeft daarvoor aangevoerd dat met het nul-urencontract geen vast salaris was gegarandeerd en eiser daarmee niet voldeed aan het criterium voor specifieke deskundigheid dat het loon op jaarbasis minimaal € 46.107 moet bedragen. Verder stelt verweerder dat de arbeidsovereenkomst van 13 augustus 2024 is aangegaan voor een latere periode na beëindiging van de vorige tewerkstelling en daarom niet in aanmerking kan worden genomen.
12. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
13. Op grond van artikel 10e, tweede lid, aanhef en onderdeel b onder 1°, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het UBLB) geldt de 30%-regeling voor uit het buitenland aangeworven werknemers die een bepaalde deskundigheid hebben die in Nederland niet of schaars voorhanden is. Voor het jaar 2024 wordt die deskundigheid aanwezig geacht als het loon op jaarbasis minimaal € 46.107 bedraagt. Het moet daarbij gaan om het overeengekomen vaste loon. Dat eiser uit het buitenland is aangeworven is niet in geschil, het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de looneis.
14. In zijn arrest van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1670, overwoog de Hoge Raad het volgende:
“2.3.2. Per 1 januari 2012 is in artikel 10eb UBLB een norm geïntroduceerd die inhoudt dat werknemers die een mastertitel hebben behaald en de leeftijd van 30 jaren nog niet hebben bereikt, aan de deskundigheidseis voldoen indien hun salaris hoger is dan een bepaald bedrag (…).
2.3.3. Aan de 30%-bewijsregel heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemer een faciliteit wordt geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelt schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken. Het strookt met deze gedachte om aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of de betrokken werknemer over de vereiste specifieke deskundigheid beschikt. Op dat moment staat immers de binnenlandse (aspirant-)werkgever in concurrentie tot buitenlandse (aspirant-)werkgevers en heeft hij baat bij het bestaan van de faciliteit (zie onderdeel 3.4.3 van het arrest BNB 2006/264). Daarbij sluit aan dat het tijdstip van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst eveneens maatgevend is als het erom gaat aan de hand van welke wettelijke voorschriften de aanwezigheid van specifieke deskundigheid moet worden beoordeeld. Die beoordeling moet dus plaatsvinden aan de hand van de op dat moment geldende wettelijke voorschriften, ook in het geval dat het verzoek tot toepassing van de 30%-bewijsregel later wordt gedaan en de regelgeving inmiddels is gewijzigd.”
15. Het toetsmoment voor het al dan niet voldoen aan de looneis is het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat wanneer een arbeidsovereenkomst is gesloten waarmee niet aan de looneis wordt voldaan, een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leidt dat de 30%-regeling, met terugwerkende kracht of vanaf dat latere moment, alsnog kan worden toegepast.
16. Volgens de in 2 geciteerde preambule van het nul-urencontract werd het nul-urencontract aangegaan voor drie weken, waarvan twee weken proeftijd. De ingangsdatum van het nul-urencontract is het toetsmoment voor de looneis. Met het nul-urencontract was voorzien in een loon per uur, maar niet in een gegarandeerde minimum werktijd. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake was van een vast overeengekomen loon en op de ingangsdatum van het nul-urencontract niet werd voldaan aan de looneis. Dat het nul-urencontract later werd omgezet in een vast contract, maakt dit niet anders.
17. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Tot de gedingstukken behoort een uitdraai van het volgende interne e-mailbericht van 23 juli 2024:
“Some inside info is [naam 4] and I found him and approached him yesterday morning. I got him to come to [bedrijf 2] , go through a quick onboarding session and then I sent him to [stad] to work with [naam 5] on site.”
De rechtbank leidt daaruit af dat eiser en [bedrijf 2] er bewust voor hebben gekozen met spoed een arbeidscontract af te sluiten zodat hij snel kon beginnen. Dat, naar eiser heeft aangevoerd, het nul-urencontract was bedoeld als tijdelijke administratieve maatregel en dat het nul-urencontract en de daarop volgende arbeidsovereenkomst als één samenhangende rechtshandeling moeten worden gezien kan hem niet baten omdat nergens uit blijkt dat het van begin af aan de bedoeling was dat eiser een vaste aanstelling kreeg met een voldoende vast salaris. De afwezigheid van de bevoegde HR-functionaris wegens vakantie maakt dit niet anders. Ook de immigratiestatus van eiser, waarover ter zitting is toegelicht dat hij vanaf het einde van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf 1] op 31 juli 2024 nog 30 dagen de tijd had om een nieuwe baan te vinden, maakt het voorgaande niet anders.
18. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de toepassing van de 30%-regeling terecht geweigerd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).