Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/316
316 Geen remuneratiecommissie
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367849:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In 5.1.2 DCGK 2017 is overigens nog wel opgenomen dat de raad van commissarissen de voorbereidingen voor het opstellen van de bezoldiging aan een commissie kan delegeren. In oudere versies was echter een meer expliciete aanbeveling te vinden voor het instellen van een remuneratiecommissie, vergelijk DCGK 5.3 2017, 2015 en 2013 met DCGK 5.3.4 van eerdere versies.
Zie in het bijzonder de Mannesmann-affaire, randnummer 449.
Zie de derde zin van § 107 Abs. 3 AktG.
4.2.2 DCGK 2017. Zie in het bijzonder het verschil tussen de 4.2.2 DCGK 2002 en 4.2.2 DCGK 2003. In 4.2.2 DCGK 2003 is voor het eerst expliciet opgenomen dat de bezoldiging door de gehele raad van commissarissen vastgesteld dient te worden.
Opvallend is, dat in de Duitse Corporate Governance Kodex geen expliciete aanbeveling (meer) te vinden is voor het instellen van een remuneratiecommissie. Dit is deels begrijpelijk nu door het two-tier model de noodzaak tot het instellen van een aparte, onafhankelijke remuneratiecommissie ontbreekt.1 Meer in het bijzonder lijken negatieve ervaringen in het verleden met het vaststellen van de bezoldiging door een deel van de raad van commissarissen ten grondslag te liggen aan de afwezigheid van de suggestie een remuneratiecommissie in te stellen.2 Voor de financiële crisis werd de bezoldiging in de regel vastgesteld door een aparte commissie, waardoor de meerderheid van de commissarissen niet betrokken was bij de besluitvorming over de bezoldiging. Als reactie op de financiële crisis is §107 Abs. 3 AktG aangepast. Daarin is opgenomen dat bepaalde bevoegdheden niet door de raad van commissarissen kunnen worden gedelegeerd. De bezoldiging van bestuurders is een van de onderwerpen waarbij delegatie van de vaststellingsbevoegdheid aan een commissie uitgesloten is.3 In het verlengde hiervan is in de DCGK uitdrukkelijk opgenomen dat het ‘Aufsichtsratsplenum’ de bezoldiging goed moet keuren.4