TFO 2024/195.2
Intercompany Licentie van Immateriële Activa: enkele beschouwingen inzake de keuze en toepassing van verrekenprijsmethoden
Dr. C.S.J. Jie-A-Joen en mr. L. Bimmel, datum 29-10-2024
- Datum
29-10-2024
- Auteur
Dr. C.S.J. Jie-A-Joen en mr. L. Bimmel1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS984108:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht (R)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Clive Jie-A-Joen is werkzaam als docent bij de Erasmus Universiteit Rotterdam en bij de Belastingdienst. Levi Bimmel is werkzaam bij de Belastingdienst. De auteurs zijn als volgt te bereiken voor commentaar: jieajoen@law.eur.nl en L.bimmel@belastingdienst.nl. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.
WIPO en Luiss Business School, “World Intangible Investment Highlights”, juni 2024.
In de EU kennen we de staatssteunonderzoeken van de Europese Commissie naar tax rulings waarbij licentietransacties een belangrijke rol speelden, zoals bijvoorbeeld de tax rulings verschaft aan Amazon EU Société à responsabilité limitée en Starbucks Manufacturing EMEA BV.
Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations, OECD, 2022.
Besluit van 14 juni 2022 nr. 2022-0000139020, Staatscourant 2022, nr. 16685.
Zie onderdeel I van Hoofdstuk I van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 2.9.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 6.34.
Zie ook paragraaf 5.3 van het Verrekenprijsbesluit.
US Tax Court, 9 juni 2016, ‘Medtronic, Inc. and Consolidated Subsidiaries, Petitioner v. Commissioner of Internal Revenue, Respondent’, rolnummer: 6944-11. Zie: https://casetext.com/case/medtronic-inc-v-commr-of-internal-revenue.
US Tax Court, 18 november 2020, ‘The Coca-Cola Company & Subsidiaries, Petitioner v. Commissioner of Internal Revenue’, rolnummer: 31183-15. Zie https://dawson.ustaxcourt.gov/case-detail/31183-15.
TCCC is de Amerikaanse moedermaatschappij van het Coca-Cola concern.
Een ‘Supply Point’ heeft eerst recht op een winst gelijk aan 10% van haar bruto-omzet en de resterende winst wordt 50%-50% verdeeld tussen TCCC en het ‘Supply Point’.
Coca-Cola Export Corp., een dochteronderneming van TCCC, was de moedermaatschappij van de “Supply Points” en de meeste gelieerde “service companies”.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 6.13.
Medtronic, Inc. & Consolidated Subsidiaries, Appellee v. Commissioner of Internal Revenue, Appellant, No. 17-1866, US Court of Appeals for the Eight Circuit, 16 augustus 2018.
Medtronic, Inc. and consolidated subsidiaries, Petitioner, vs. Commissioner of Internal Revenue, Respondent, 18 augustus 2022, rolnummer: 6944-11.
De rechtbank vond wel dat de Pacesetter-overeenkomst tot stand is gekomen in het kader van de normale gang van zaken, omdat octrooigeschillen/schikkingslicenties gewoonlijk zijn in de industrie.
Veelal zijn derde partij licentieovereenkomsten beschikbaar waarbij een Amerikaanse beursgenoteerde onderneming betrokken is, aangezien zij bepaalde informatie verstrekken in het kader van hun rapporteringsvereisten.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 3.57. De ‘interquartile range’ is het bereik van het 25e tot het 75e percentiel van de resultaten afgeleid van de onafhankelijke vergelijkingspunten.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 6.113.
Net zoals de resale-price methode en de cost-plus methode welke worden toegepast op routinematige verkoopentiteiten en productie-entiteiten, respectievelijk.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 3.18.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, ‘Glossary’.
Berekend als het bedrijfsresultaat gedeeld door de operationele activa.
De onafhankelijke bottelaars besteden trouwens ook geld aan handelsmarketing (geaggregeerd ongeveer evenveel als TCCC en groepsentiteiten tezamen).
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 6.54.
OESO-verrekenprijsrichtlijnen, paragraaf 6.56.
Paragraaf 1.98 van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen geven aan dat de partij die contractueel een risico loopt en dit ook blijkt uit feitelijk gedrag, en dit risico kan beheersen alsook de financiële capaciteit heeft om dit risico te lopen vanuit een verrekenprijsperspectief dit risico loopt.
Zie voetnoot 20.
Dit rapport bevat informatie over onder andere de business, risicofactoren, de financiële toestand en bedrijfsresultaten van het concern, en financiële overzichten.
De jaarrekeningen/websites van private ondernemingen bevatten doorgaans minder informatie dan de Form 10-K’s van Amerikaanse beursgenoteerde bedrijven.
Paragrafen 2.149 t/m 2.153.
De OESO-verrekenprijsrichtlijnen kent “andere methoden”. Zie paragraaf 2.2.
1. Inleiding
Immateriële activa (“IA”) behoren tot één van de belangrijkste activa van een multinationale ondernemingsgroep (“MNO-groep”). De publicatie “World Intangible Investment Highlights” laat bijvoorbeeld zien dat investeringen in IA drie keer zo snel groeiden als materiële investeringen tussen 2008-2023.2 Om de IA (internationaal) te exploiteren, kunnen er transacties plaatsvinden tussen MNO-groepsentiteiten waarbij het immaterieel activum in licentie wordt verstrekt, wordt verkocht of gezamenlijk wordt ontwikkeld door middel van een ‘cost contribution arrangement’.
Het bepalen van arm’s-lengthverrekenprijzen voor intercompany transacties van IA kan om verschillende redenen uitdagend zijn. IA kunnen immers uniek zijn waardoor het moeilijk kan zijn om vergelijkbare markttransacties te identificeren. Bovendien kan een immaterieel activum waardevol zijn. In dit kader zijn belangrijke vragen wat de zakelijke (rest)winst is welke aan het immaterieel activum kan worden toegerekend en hoe die is toe te rekenen aan de groepsentiteit(en) voor hun contributies inzake het immaterieel activum?
Wij gaan in dit artikel specifiek in op de intercompany licentie van IA. Het analyseert welke verrekenprijsmethoden gebruikt kunnen worden om een arm’s-lengthroyaltytarief te bepalen aan de hand van twee lopende Amerikaanse verrekenprijsrechtszaken.3 Onderdeel 2 schetst kort het regelkader ten aanzien van verrekenprijsmethoden en IA. Onderdeel 3 bevat de achtergrond en feiten van de Amerikaanse rechtszaken, waarna onderdeel 4 ingaat op de keuze en toepassing van verrekenprijsmethoden in deze rechtszaken. Onderdeel 5 bevat onze conclusies. Alhoewel deze rechtszaken uitgaan van de Amerikaanse verrekenprijsregels, kan de analyse nuttig zijn voor de verrekenprijspraktijk in het algemeen. Het landprofiel van de VS in www.oecd.org4 geeft aan dat de Amerikaanse verrekenprijsregels consistent zijn met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen.5 Uiteraard kan ons artikel ook bruikbaar zijn voor de analyse van andere typen intercompany transacties.
2. Het regelkader ten aanzien van verrekenprijsmethoden en IA
2.1 Algemeen
Bij een intercompany licentie van IA dient in geval van betrokkenheid van een Nederlandse groepsentiteit specifiek rekening gehouden te worden met hoofdstuk VI van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen (speciale overwegingen voor IA) en het Nederlandse Verrekenprijsbesluit.6
Uiteraard zijn de hoofdstukken I, II en III van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen ook van toepassing. Hoofdstuk III beschrijft een typisch negenstappenproces om een vergelijkbaarheidsanalyse te verrichten om een zakelijke verrekenprijs te bepalen/evalueren. Onderdeel hiervan is een karakterisering (‘accurate delineation’) van de intercompany transactie aan de hand van vijf vergelijkbaarheidsfactoren:7
De contractuele voorwaarden van de transactie.
De functies verricht door elk van de partijen aan de gelieerde transactie (rekening houdend met gebruikte activa en gelopen risico’s).
De kenmerken van de overgedragen goederen of verleende diensten.
De economische omstandigheden van de partijen en de markt waarin ze opereren.
En de ondernemingsstrategieën.
2.2 Verrekenprijsmethoden
Op basis van de invulling van de vergelijkbaarheidsfactoren en evaluatie van beschikbare informatie over ‘comparables’ kan vervolgens de transactie geprijsd worden (i.e. de keuze en toepassing van de verrekenprijsmethode). Hoofdstuk II van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen onderkent vijf verrekenprijsmethoden welke worden gebruikt om te beoordelen of de voorwaarden van een intercompany transactie zakelijk zijn:
De ‘comparable-uncontrolled-price’ (“CUP”) methode vergelijkt de prijs die in rekening wordt gebracht voor de intercompany licentie van IA met de prijs die in rekening wordt gebracht voor licentie van IA in vergelijkbare markttransacties in vergelijkbare omstandigheden.
De resale-price methode evalueert of de verrekenprijs zakelijk is door de brutowinstmarge (dat wil zeggen brutowinst/omzet ratio) van de gelieerde wederverkoper/verkoopbedrijf behaald op haar marketing- en verkoopactiviteiten ten aanzien van gelieerde transacties te toetsen aan brutowinstmarges behaald in vergelijkbare markttransacties.
De cost-plusmethode evalueert of de verrekenprijs zakelijk is door de cost plus mark-up (dat wil zeggen brutowinst/kostprijsverkopen ratio) van de gelieerde leverancier van goederen of diensten te toetsen aan de cost plus mark-ups behaald in vergelijkbare markttransacties.
De transactional-net-margin methode (“TNMM”) analyseert de operationele winst in verhouding tot een passende grondslag (bijvoorbeeld kosten, omzet, activa) die een groepsentiteit behaalt uit een gelieerde transactie (of geaggregeerde transacties).
De transactionele profit-split methode berekent eerst de relevante winsten die voortvloeien uit de gelieerde transactie(s) en verdeelt deze vervolgens tussen de gelieerde partijen op een economisch geldige basis.
Belastingplichtigen zijn vrij om een verrekenprijsmethode te kiezen die niet in de OESO-verrekenprijsrichtlijnen zijn beschreven (dat wil zeggen “andere methode”), op voorwaarde dat de “andere methode” resulteert in zakelijke verrekenprijzen.8
Paragraaf 2.2. van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen geeft aan dat de meest geschikte verrekenprijsmethode geselecteerd moet worden om een arm’s-lengthroyaltytarief te bepalen/evalueren. Tabel 1 presenteert de criteria die hierbij relevant zijn.
De Belastingdienst volgt de meest geschikte methode regel en zal een analyse steeds starten vanuit de methode gehanteerd door belastingplichtige. Bij de meest geschikte methodebenadering is er geen vereiste dat alle verrekenprijsmethoden diepgaand moeten worden geanalyseerd of getest, maar in verrekenprijsdocumentatie wordt weleens beschreven waarom de niet-geselecteerde methoden niet de meest geschikte methode zouden zijn.
De Amerikaanse verrekenprijsregelgeving (sectie 1.482-1(c)(1)) kent de zogenaamde ‘beste-methoderegel’ welke vereist dat het arm’s-lengthresultaat van een gelieerde transactie moet worden bepaald volgens de methode die, volgens de feiten en omstandigheden, de meest betrouwbare maatstaf voor een arm’s-lengthresultaat biedt. De beste methoderegel betekent dat een belastingplichtige alle methoden één voor één moet beoordelen.
Welke regel wordt gevolgd om een methode te kiezen, heeft consequenties voor de analyse en de documentatie. Dit hoeft niet te leiden tot een andere uitkomst, omdat de criteria om een verrekenprijsmethode te kiezen overeenkomstig zijn, zoals bijvoorbeeld de mate van vergelijkbaarheid tussen gelieerde- en markttransacties. Het zal meer afhangen van de beschikbaarheid van informatie over ‘comparables’ in de VS en Europa of de keuze van de verrekenprijsmethode verschillend zal zijn.
2.3 Immateriële activa
Het volgende OESO-raamwerk is van belang voor het analyseren van een intercompany licentie van IA:9
Identificeer de IA welke gebruikt of overgedragen worden in de gelieerde transactie en de economisch significante risico’s in verband met de DEMPE (‘Development’ (ontwikkeling), ‘Enhancement’ (verbetering), ‘Maintenance’ (onderhoud), ‘Protection’ (bescherming), en ‘Exploitation’ (exploitatie)) van de IA.
Identificeer de volledige contractuele regelingen met nadruk op de juridische eigenaar van de IA en de contractuele rechten en verplichtingen inclusief de contractuele risicoallocatie.
Identificeer de partijen die functies uitvoeren (inclusief belangrijke functies), activa gebruiken (inclusief financiering) en risico's beheersen (dat wil zeggen hun bijdragen) met betrekking tot de DEMPE van de IA middels een functionele analyse.
Bevestig de consistentie tussen het gedrag van de partijen en de voorwaarden van de relevante contractuele regelingen om te bepalen of de partij welke contractueel de economisch significante risico’s loopt de risico’s beheerst en de financiële capaciteit heeft om de risico’s te lopen inzake de DEMPE van IA.
Karakteristeer de gelieerde transacties inzake de DEMPE van IA.
En bepaal waar mogelijk zakelijke prijzen voor deze transacties die consistent zijn met de contributies van de partijen op het gebied van functies, activa en risico’s.
De stappen 1 t/m 5 betreffen de karakterisering van de transactie, terwijl stap 6 de keuze en toepassing van de verrekenprijsmethode betreft.
De juridische eigenaar van het immaterieel activum kan alle opbrengsten die voortvloeien uit de exploitatie van het immateriële activum behouden als het alle functies uitvoert, alle activa bijdraagt en alle risico’s in verband met de DEMPE van het immateriële activum op zich neemt. MNE-groepsentiteiten anders dan de juridische eigenaar die relevante functies uitvoeren die bijdragen aan de waarde van het immaterieel activum, dienen een zakelijke vergoeding te ontvangen. Het Verrekenprijsbesluit geeft aan dat de Development en Enhancement functies in het algemeen relatief een grotere bijdrage leveren aan de waarde van de IA dan de Maintenance, Protection en Exploitation functies.
De paragrafen 6.115 t/m 6.127 van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen verwijzen naar specifieke vergelijkbaarheidsfactoren bij de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel op transacties inzake IA, zoals de vergelijkbaarheid van de (rechten in) IA, levensduur van de IA, exclusiviteit, ontwikkelingsfase, verwachtingen van toekomstige voordelen/winstpotentieel van de IA, en risico’s (bijvoorbeeld, productaansprakelijkheidsrisico en ontwikkelingsrisico).
Een uitdaging bij het beprijzen van IA is dat ze kunnen worden overgedragen of in licentie worden verstrekt op een moment dat hun waarde hoogst onzeker is. De paragrafen 6.186 t/m 6.195 van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen beschrijven de ‘hard-to-value-intangibles’ (“HTVI”) benadering waarbij belastingdiensten de ex-ante prijsstelling van intercompany transacties van HTVI ter discussie kunnen stellen onder bepaalde voorwaarden.10
3. Achtergrond en feiten van Amerikaanse rechtszaken
3.1 De Medtronic rechtszaak11
Het verrekenprijsgeschil in deze rechtszaak tussen Medtronic Inc., een medisch technologieconcern, en de IRS, de Amerikaanse belastingdienst, ligt momenteel voor de tweede keer bij het Amerikaanse Hof van Beroep. Het geschil betreft de kwestie of het royaltytarief voor de licentie van technologische IA verstrekt door Medtronic Inc. aan Medtronic Puerto Rico Operations Co. (“MPROC”) zakelijk was.
MPROC produceert eindproducten bestaande uit complexe hartritmestimulatie en neurostimulatie ‘devices’ (i.e. apparaten) en ‘leads’ (i.e. bedradingssystemen) die bij patiënten worden geïmplanteerd. De hartritmestimulatie ‘devices’ bestaan uit pacemakers en ICD’s (Implanteerbare Cardioverter-Defibrillator) welke abnormale hartritmes behandelen. ‘Leads’ zijn complexe bedradingssystemen die therapieën van de ‘device’ naar het hart verzenden. De neurostimulatieproducten omvatten neurostimulatieapparaten en ‘leads’ die elektrische stimulatie en medicijnen van de neuroapparaten naar het ruggenmerg, het zenuwstelsel of de hersenen brengen om aandoeningen te behandelen (waaronder de ziekte van Parkinson).
MPROC kreeg via een intercompany “devices en leads” licentieovereenkomst het exclusieve recht van Medtronic Inc. om technologische IA te gebruiken bij de productie van de eindproducten voor verkoop aan klanten in de VS en daarbuiten. Daarnaast was MPROC betrokken bij drie andere intercompany transacties (zie figuur 1). De zakelijkheid van het royaltytarief voor de “devices en leads” licentie was het belangrijkste verrekenprijsgeschilpunt.
Figuur 1: Intercompany transacties aangaande MPROC
Naast productinnovatie is productkwaliteit een belangrijke succesfactor in de industrie. Immers een slechte productkwaliteit kan leiden tot gezondheidsschade en eventuele aansprakelijkheid voor het Medtronic concern. De markt bood geen verzekering aan tegen productaansprakelijkheidsrisico’s wat het belang van kwaliteit nog eens verder vergroot.
Medtronic Inc. was verantwoordelijk voor onderzoek naar kernproducten en nieuwe therapieën, klinische studies en was verplicht om te voldoen aan de zeer strenge regelgeving van de ‘Food and Drug Administration’ (“FDA”) en internationale regelgevende instanties. De FDA classificeert medische apparaten volgens de risico’s die ze meebrengen op consumenten. De hartritmestimulatie en neurostimulatie ‘devices’ en ‘leads’ betreffen klasse-III medische producten welke het hoogste risico met zich meebrengen en zijn dus onderworpen aan de strengste FDA-controles.
Medtronic Inc. had kwaliteitshandleidingen en -beleid voor elk van haar bedrijfseenheden alsook kwaliteitsfunctionarissen. Echter, elke productiefiliaal besteedde ook tijd aan het ontwikkelen en herzien van haar kwaliteitsbeleid en handleidingen en het managen van haar kwaliteitssysteem.
MPROC’s productieproces is arbeids- en kapitaalintensief en vereist tal van kwaliteitscontroles. MPROC produceerde (voornamelijk) klasse-III medische apparaten en ‘leads’ in haar FDA-geregistreerde faciliteiten in grote volumes. MPROC was ook verantwoordelijk voor de naleving van kwaliteitsvoorschriften, haar kwaliteitsorganisatie en de vaststelling of een eindproduct aan de wettelijke normen voldoet. Gedurende 2005 en 2006 had MPROC circa 2300 personeelsleden, inclusief productiemedewerkers en (systeem)engineers.
De gelieerde licentieovereenkomst gaf aan dat MPROC aansprakelijk is voor alle kosten en schade voortvloeiend uit terugroepacties en productdefecten.
3.2 De Coca-Cola rechtszaak12
Het verrekenprijsgeschil tussen The Coca-Cola Company (“TCCC”)13 en de IRS betreft de vergoeding voor de licentie van waardevolle IA (bestaande uit merkrechten, merknamen, logo’s, patenten, geheime formules en productieprocessen) verstrekt door TCCC aan gelieerde productie-entiteiten (‘Supply Points’) in zeven landen gedurende de periode 2007-2009. Deze ‘Supply Points’ produceren concentraten (siropen, smaakstoffen, poeders en andere ingrediënten) die ze verkochten aan (voornamelijk onafhankelijke) bottelaars die hiermee frisdranken en niet-alcoholische dranken produceerden en verkochten aan detailhandelaren. Gedurende de periode 2007-2009 werd de royalty voor het gebruik van de IA bepaald uitgaande van een “10-50-50” formulaire verdelingsmethode.14 Deze methode was overeengekomen tussen Coca-Cola en de IRS in een vaststellingsovereenkomst gesloten in 1996 om een geschil inzake de periode 1987-1995 op te lossen. Het concern paste deze methode ook toe voor de periode 2007-2009. De rechtbank oordeelde echter dat de in 1996 gesloten vaststellingsovereenkomst niets zegt over de verrekenprijsmethode die van toepassing zou zijn na 1995.
Gedurende de periode 2007-2009 rapporteerden de ‘Supply Points’ nettowinsten van in totaal USD 11.36 miljard, terwijl het Amerikaanse hoofdkantoor een nettowinst rapporteerde van USD 4.31 miljard. De IRS concludeerde dat de “10-50-50”-methode niet zakelijk was, omdat het de “Supply Points” overcompenseerde en TCCC ondercompenseerde voor het gebruik van de IA. De IRS legde een correctie op welke de belastbare winst van de Amerikaanse belastingplichtige verhoogde met meer dan USD 9 miljard.
Figuur 2 verschaft een overzicht van de intercompany transacties en de contributies van TCCC, de “Supply Points” en de gelieerde “service companies”.
Figuur 2: Intercompany transacties en waardeketen Coca-Cola concern (2007-2009 periode)15
4. De keuze en toepassing van verrekenprijsmethoden bij de Medtronic en Coca-Cola rechtszaken
4.1 De interne CUP-methode
Bij intercompany licenties van IA kan het uitdagend zijn om vergelijkbare markttransacties (i.e. licenties van IA tussen onafhankelijke ondernemingen) te identificeren vanwege het unieke karakter van IA.16 In deze paragraaf wordt de interne CUP-methode behandeld waarbij de markttransactie een transactie betreft waar de gelieerde licentiegever of gelieerde licentienemer betrokken bij is. Deze potentiële interne comparable kan derhalve een meer directe en nauwere relatie met de gelieerde transactie hebben dan potentiële externe comparables, waarbij de markttransactie een transactie betreft waarbij de partijen tot de gelieerde licentietransactie niet betrokken zijn.
In de eerste 2016 Medtronic rechtszaak (Medtronic-I) gebruikte de belastingplichtige de interne ‘comparable uncontrolled transaction’ (“CUT”) methode, de CUP-methode voor IA in de Amerikaanse verrekenprijsregelgeving, om een royaltytarief van 29% en 16% op netto ‘devices’ intercompany verkopen respectievelijk netto ‘leads’ intercompany verkopen te onderbouwen. De belastingplichtige stelde dat een overeenkomst tussen Medtronic Inc., de gelieerde licentiegever, en Siemens Pacesetter Inc. (“Pacesetter”-overeenkomst) de best vergelijkbare markttransactie is, omdat het dezelfde patenten betreft, dezelfde producten, in dezelfde tijdsspanne voor dezelfde klanten, en hetzelfde winstpotentieel als de gelieerde licentietransactie. Kenmerkende bepalingen in de Pacesetter-licentieovereenkomst zijn:
De Pacesetter-overeenkomst kwam tot stand om enkele rechtszaken met betrekking tot patent- en licentiegebruik te schikken, waarbij Medtronic Inc. een rechtbank uitspraak had gewonnen dat haar patenten geldig waren en werden geschonden door Pacesetter.
Er is sprake van niet-exclusieve cross-licentie van elkaars pacemaker en ICD’s patent portfolio’s.
De overeenkomst omvat een aantal van dezelfde IA welke ook door Medtronic Inc. aan MPROC in licentie is verschaft inzake de hartritmestoornisindustrie. Er was geen cross-licentie van neurologie IA.
Pacesetter betaalde een 7% royaltytarief op haar Amerikaanse detailhandel verkopen aan Medtronic Inc. naast een initiële betaling van USD 75 miljoen.
Er zijn gelijkenissen tussen de Pacesetter-overeenkomst en de MPROC-overeenkomst, maar ook verschillen. De belastingplichtige verrichtte in Medtronic-I onderstaande vergelijkbaarheidsaanpassingen:
De Pacesetter-overeenkomst betreft een niet-exclusieve licentie, terwijl de MPROC-licentietransactie een exclusieve licentie betreft. Dit verhoogt het royaltytarief met 7%.
De Pacesetter-overeenkomst is exclusief toekomstige technologie, terwijl de gelieerde licentietransactie inclusief verbeteringen betreft welke gedurende de looptijd gemaakt zijn door Medtronic Inc. of MPROC. Dit verhoogt het royaltytarief met 2% à 3%.
De vergelijkbaarheidsaanpassingen resulteerde in een royaltytarief van 16%-17% (i.e. 7% + 7% + 2% à 3%). Deze aanpassingen zijn echter niet kwantitatief onderbouwd.
De rechtbank in de zaak Medtronic I oordeelde dat de interne CUT-methode de beste methode is om een zakelijke royaltytarief te bepalen, maar verrichtte additionele vergelijkbaarheidsaanpassingen (startend met het 17% royaltytarief) voor additionele verschillen tussen de Pacesetter-transactie en de MPROC-licentietransactie resulterend in een opwaartse aanpassing van het royaltytarief:
Pacesetter heeft géén voortdurende relatie met Medtronic Inc., terwijl MPROC deze wel heeft met Medtronic Inc. waarbij knowhow wordt gedeeld: + 7%.
De MPROC-licentietransactie betrof producten met een hogere winstpotentieel dan die van de Pacesetter-overeenkomst: + 3.5%.
Verschil in reikwijdte van producten: de MPROC-licentietransactie betrof additionele hartritmestoornissenproducten alsook neurologietechnologie (welke ontbrak bij de Pacesetter-licentie): + 2.5%.
De rechtbank kwam op basis van bovenstaande analyse tot een royaltytarief van 30% (op detailhandel omzet niveau) inzake de MPROC-licentietransactie welke een royaltytarief van 44% (op groothandel omzet) voor ‘devices’ betreft. Het royaltytarief voor ‘leads’ is 22%. De rechtbank heeft echter de gehanteerde methodiek om de vergelijkbaarheidsaanpassingen te verrichten niet onderbouwd. De Amerikaanse regelgeving (sectie 1.482-1(d)(2)) stelt dat vergelijkbaarheidsaanpassingen gebaseerd dienen te zijn op commerciële praktijken, economische principes of statistische analyses. In ieder geval dienen de redenen van de vergelijkbaarheidsaanpassingen en hoe ze berekend zijn gedocumenteerd te worden.
De IRS ging in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat het de Pacesetter-overeenkomst niet vergelijkbaar achtte met de gelieerde MPROC-overeenkomst. De IRS stelde dat de comparable profits methode de beste methode is met MPROC als geteste partij waarbij MPROC gebenchmarkt kon worden met ‘contract manufacturers’ (zie onderdeel 4.3).
Het Amerikaanse Hof van Beroep17 (Medtronic-II) vernietigde in 2018 de 2016 rechtbankuitspraak en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, omdat het Hof de feitelijke bevindingen van de rechtbank met betrekking tot de Pacesetter-overeenkomst als een vergelijkbare markttransactie onvoldoende vond om haar in staat te stellen om de uitspraak te beoordelen. De rechtbank was in de zaak Medtronic-I namelijk onvoldoende ingegaan op de volgende vergelijkbaarheidsaspecten:
Is sprake van vergelijkbare omstandigheden tussen de MPROC-licentieovereenkomst en de Pacesetter-overeenkomst welke voortkwam uit een schikking?
De impact van verschillen in contractuele voorwaarden, zoals kruislicentie en een initiële betaling bij de Pacesetter-overeenkomst van USD 75 miljoen, welke niet onderdeel zijn van de MPROC-licentieovereenkomst.
Verschil in IA tussen de Pacesetter-overeenkomst (gelimiteerd tot patenten) en de MPROC-licentieovereenkomst (omvat ook knowhow).
De hoeveelheid risico en productaansprakelijkheidskosten die kan worden toegerekend aan MPROC.
In de uitspraak d.d. 18 augustus 2022 (Medtronic-III)18 stelde de rechtbank dat de interne CUT-methode gebaseerd op de Pacesetter-overeenkomst toch niet de beste methode is, gezien de volgende verschillen tussen de Pacesetter- en MPROC-transacties welke tot te veel vergelijkbaarheidsaanpassingen leidt:
Verschillen in functies: MPROC is een pure producent van eindproducten, terwijl Pacesetter ook betrokken is bij R&D, componenten productie- en distributieactiviteiten.
Verschillen in economische omstandigheden:19 de Pacesetter-overeenkomst ontbeert hetzelfde winstpotentieel als de gelieerde licentieovereenkomst.
Verschillen inzake de in licentie verstrekte IA: a) 342 [Pacesetter] versus 1.800 patenten [gelieerde licentie]; b) alleen licentie van patenten bij Pacesetter-overeenkomst, terwijl MPROC ook niet-patenten IA, zoals geheime processen, licenseerde; en c) de MPROC-overeenkomst betrof ook Neuroproducten.
De Medtronic rechtszaak betreft één potentiële interne comparable waarop diverse vergelijkbaarheidsaanpassingen zijn verricht die niet kwantitatief onderbouwd zijn. Het toont de hoge vergelijkbaarheidsnormen aan van de (interne) CUT-/CUP-methode.
4.2 De externe CUP-methode
Bij de externe CUP-methode worden commerciële databases gebruikt om licentieovereenkomsten tussen onafhankelijke ondernemingen inzake intellectueel eigendom, zoals patenten en merkrechten, te identificeren die vergelijkbaar zijn met de gelieerde licentietransactie.20 Een potentiële externe ‘comparable’ heeft echter wel een minder directe en nauwe relatie met de gelieerde transactie in vergelijking met een potentiële interne ‘comparable’. De uniekheid van IA maakt het vaak uitdagend om vergelijkbare markttransacties te identificeren. Paragraaf 5.5 van het Verrekenprijsbesluit stelt ook de vraag of deze publiek beschikbare informatie “voldoende gedetailleerd is om op verantwoorde wijze een vergelijkbaarheidsanalyse uit te voeren”.
De toepassing van de externe CUP-methode kan weleens in meerdere vermeende ‘comparables’ resulteren. Indien het vergelijkingsmateriaal vergelijkbaarheidsgebreken vertoont welke niet geïdentificeerd en/of gekwantificeerd kunnen worden, dan wordt vaak de ‘interquartile range’ (en niet de volledige ‘range’) gebruikt welke kan helpen om de betrouwbaarheid van de analyse te vergroten.21 De vraag blijft of de onafhankelijke licenties vergelijkbaar zijn, en zo niet, of er betrouwbare vergelijkbaarheidsaanpassingen verricht kunnen worden voordat de ‘interquartile range’ wordt gebruikt.
Het is ook belangrijk om te toetsen of het gekozen royaltytarief uit de ‘range’ rationeel is voor elk van de gelieerde partijen.22
4.3 De TNMM / comparable profits methode (“CPM”)
De TNMM is een éénzijdige verrekenprijsmethode23 welke de routinematige arm’s-lengthwinstmarge van de geteste partij bepaalt. Dit is de groepsentiteit waarvoor de meest betrouwbare ‘comparables’ kunnen worden geïdentificeerd.24 Dit betekent dat de TNMM doorgaans wordt toegepast op de minst complexe gelieerde partij (in termen van functies, risico’s en activa).
In een intercompany licentie van IA wordt de TNMM normaliter toegepast op de licentienemer indien deze geen unieke en waardevolle contributies bijdraagt. Unieke en waardevolle contributies zijn contributies die niet vergelijkbaar met de contributies van onafhankelijke ondernemingen en een belangrijke bron van potentiële economische voordelen betreffen in de bedrijfsvoering.25
Bij toepassing van de TNMM op de licentienemer wordt indien de operationele winstniveau-indicator van de licentienemer (voor de royaltybetalingen) boven de zakelijke winstmarge / bandbreedte (normaliter de ‘interquartile range’) ligt van de geïdentificeerde comparables, het royaltytarief wordt bepaald op basis van de door de licentienemer verdiende restwinst.
De TNMM veronderstelt dus dat alle restwinst van de licentienemer een vergoeding is voor de in licentie verstrekte IA en samenhangende functies. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat alle andere functies, risico’s en activa passend zijn beloond.
Indien blijkt dat de licentienemer een unieke en waardevolle contributie verschaft aan de licentietransactie bij de exploitatie van de IA (welke niet gereflecteerd is in de comparables), zoals het gebruik van eigen IA en het lopen van significante risico’s, is het de vraag of de TNMM een geschikte methode is.
4.3.1 De Coca-Cola rechtszaak
De CPM is een erkende verrekenprijsmethode in de Amerikaanse verrekenprijsregels (sectie 1.482-5 (a)). Net als de TNMM analyseert de CPM de operationele winst in relatie tot een geschikte grondslag van één van de gelieerde partijen (de minst complexe partij) behaald op gelieerde transacties. In een OESO ‘discussion draft’ (juli 1994) werd de CPM als een verrekenprijsmethode erkend. In de 1995 OESO-verrekenprijsrichtlijnen wordt de term TNMM gebruikt. Paragraaf 2.62 van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen stelt dat de CPM acceptabel is wanneer het consistent is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen. Wij besteden geen aandacht aan de vraag of de Amerikaanse CPM consistent is met de TNMM.
In de Coca-Cola zaak beschouwde de IRS de productieactiviteiten van de ‘Supply Points’ als routineactiviteiten die kunnen worden gebenchmarkt. De IRS paste dan ook de CPM toe met de ‘Supply Points’ als de geteste partij gebruikmakend van achttien onafhankelijke Coca-Cola bottelaars in tien landen als ‘comparables’. De IRS berekende de interquartile range van ‘return on assets’ (“ROA”)26 van de gehele set alsook regionale sets van comparables. Uit de analyse volgt dat de meeste ‘Supply Points’ een veel hogere ROA verdienden dan de onafhankelijke bottelaars. Dit resulteerde in een opwaartse winstcorrectie voor TCCC van meer dan USD 9 miljard.
De uitspraak van de rechtbank is een grote overwinning voor de IRS. De rechtbank oordeelde dat de CPM analyse van de IRS geschikt is, omdat:
Eén van de gelieerde partijen (i.e. TCCC) betekenisvolle IA bijdraagt en de andere (i.e. de ‘Supply Points’) niet. De CPM is derhalve een indirecte methode om de beloning voor de gebruikte IA te bepalen door de restwinst van de minst complexe partij te berekenen.
De IRS selecteerde onafhankelijke Coca-Cola bottelaars als vergelijkbaar met de ‘Supply Points’, welke geschikte comparables zijn. De bottelaars opereren in dezelfde bedrijfstak, lopen vergelijkbare economische risico’s, verrichten routine productieactiviteiten, hebben vergelijkbare (maar gunstiger) contracten en economische relaties met TCCC, gebruiken veel van dezelfde IA (merknamen, handelsmerken en logo’s van belanghebbende) op dezelfde manier, en deelden dezelfde inkomstenstroom uit de drankenverkoop als de ‘Supply Points’. Er waren wel verschillen, maar door de bottelaars als comparables te gebruiken, is de IRS conservatief.27
Belanghebbende stelde dat de CPM niet de beste methode kan zijn. Omdat beide partijen niet-routine IA bijdroegen aan de licentietransactie, zou de profit split methode de beste methode (zie onderdeel 4.4) zijn. TCCC is weliswaar de juridische eigenaar van de IA, maar deze betreffen een ‘wasting asset’ welke in waarde daalt in de loop van de tijd. De ‘Supply Points financierden (meer recente) televisieadvertenties, sociale media en andere consumentenmarketing in de buitenlandse markten en bezitten daardoor waardevolle marketing IA volgens belanghebbende, waar de IRS bij de CPM-analyse geen rekening mee hield.28
De rechtbank is het er echter niet mee eens dat de ‘Supply Points’ waardevolle marketing IA bijdragen. Weliswaar kregen de ‘Supply Points’ bepaalde kosten van de ‘service companies’ (inclusief de vergoeding betaald aan de onafhankelijke bureaus) in rekening gebracht en ontvingen de ‘Supply Points’ de opbrengsten inzake de verkoop van de concentraten aan de bottelaars, maar zij speelden functioneel geen rol in consumentenmarketing. De gelieerde ‘service companies’ zijn betrokken bij consumentenmarketing en schakelden onafhankelijke media en creatieve ontwerpbureaus in. Zij ontvingen hiervoor een arm’s-length cost-plus vergoeding. Het Amerikaanse hoofdkantoor is hoofdverantwoordelijk voor consumentenmarketing.
De uitspraak van de rechtbank lijkt ook in overeenstemming te zijn met het OESO-raamwerk in paragraaf 6.34 voor het analyseren van transacties waarbij IA betrokken zijn. Zie onderdeel 2.3. Als de juridische eigenaar van de IA de DEMPE-functies niet uitvoert of controleert, heeft hij geen recht op enig voordeel dat kan worden toegeschreven aan de (uitbestede) functies.29 Bij het bepalen van een arm’s-lengthvergoeding voor functionele bijdragen van de groepsentiteiten, hebben belangrijke functies een bijzondere betekenis.30 Belangrijke functies voor zelfontwikkelde IA omvatten het ontwerp en de controle van onderzoeks- en marketingprogramma’s, het aansturen en vaststellen van prioriteiten voor creatieve activiteiten, en het beheer en de controle van budgetten. Uit de zaak blijkt dat TCCC de juridische eigenaar is van de IA en ook belangrijke DEMPE-functies verricht, zoals het ontwerp van de wereldwijde marketingcampagne, het handhaven van een merkvisie en architectuur voor elke wereldwijde merk, en het goedkeuren van de jaarlijkse begrotingen van de ‘service companies’. Daarnaast lijkt TCCC ook de lokale consumentenmarketing functies welke uitbesteed zijn aan de ‘service companies’ te controleren. De ‘Supply Points’ zijn passieve ontvangers van marketingkosten die TCCC in hun boeken plaatsten waardoor de ‘Supply Points’ als het ware de consumentenmarketing financierden, maar ze verrichten geen activiteiten inzake consumentenmarketing.
4.3.2 De Medtronic rechtszaak
Ook bij de Medtronic rechtszaak stelt de IRS dat de CPM (toegepast op MPROC, de licentienemer) de beste methode is, terwijl belanghebbende de interne CUT-methode selecteert om een zakelijk royaltytarief te bepalen voor de licentie van technologische IA.
De IRS is van mening dat Medtronic Inc. en Med USA de meeste functies verrichten in de waardeketen alsook de risico’s lopen inzake deze functies, terwijl MPROC alleen de (routine) productiefunctie verricht van de eindproducten. MPROC is dus de minst complexe partij en bezit geen eigen IA die het differentieert van andere producenten. De IRS paste de CPM toe op MPROC als geteste partij. Het identificeerde hierbij veertien bedrijven die volgens haar vergelijkbaar zijn met MPROC en berekende de arm’s-lengthbandbreedte van ROA (i.e. bedrijfsresultaat/operationele activa). De IRS concludeerde dat MPROC’s resultaten in 2005 en 2006 ver boven deze bandbreedte lag. De restwinst welke MPROC in deze jaren verdiende is de (additionele) royalty welke aan Medtronic Inc. betaald dient te worden. Op basis van deze IRS-analyse zou MPROC circa 8.1% (i.p.v. 60.7%) en 5.6% (i.p.v. 64.7%) van de systeemwinsten verdienen in 2005 respectievelijk 2006.
De belastingplichtige verschilde van mening met de IRS over a) of de CPM wel de beste methode is gezien de rol van (product)kwaliteit en de contributie van MPROC; b) de geïdentificeerde ‘comparables’; en c) de keuze van de ROA als financiële ratio.
4.3.2.1 De rol van (product)kwaliteit en de contributie van MPROC
Terwijl de IRS de rol van kwaliteit in de medische apparatuurindustrie en de contributie van MPROC hierin nuanceerde, benadrukte de belastingplichtige dat kwaliteit de grootste factor is in termen van marktaandeel. Kwaliteit is een verantwoordelijkheid van MPROC die als eindproductproducent de laatste verdedigingslinie is voor een potentiële kwaliteitsissue. MPROC vervaardigt klasse-III medische apparatuur en dient compliant te zijn met FDA-standaarden. Om hieraan te voldoen heeft MPROC kwaliteitssystemen, kwaliteitscontroleteams en een adviesraad met kwaliteit als belangrijke focus.
Contractueel loopt MPROC ook het aansprakelijkheidsrisico. De partijen betwisten het risiconiveau dat aan MPROC wordt toegeschreven, maar er is geen twijfel dat MPROC een deel van het risico draagt.31
De rechtbank (Medtronic-I) vond dat de IRS te weinig nadruk legt op het belang van kwaliteit in de medische apparatuursector en de rol van MPROC daarin. Daarnaast loopt MPROC significante productaansprakelijkheidsrisico’s. De vraag rijst dan of de CPM/TNMM een geschikte methode is.
4.3.2.2 Comparables
De belanghebbende bekritiseerde ook de vergelijkbaarheid van de veertien comparables van de IRS:
Veel van de producten die de ‘comparables’ maken, vereisen niet hetzelfde niveau van FDA-toezicht en risico’s als de klasse-III medische producten van MPROC.
De comparables die wel dezelfde producten maken als MPROC doen dat niet op dezelfde schaalgrootte.
Veel van de comparables verrichten ook verkoop-, R&D en klinische functies, welke MPROC niet verricht.
De comparables zijn gediversifieerde producenten.
4.3.2.3 ROA
De IRS selecteerde de ROA om de CPM toe te passen, omdat het een betrouwbare financiële ratio is indien operationele activa belangrijk zijn in het genereren van het bedrijfsresultaat.
Belanghebbende bekritiseerde het gebruik van de ROA, omdat het moeilijk is om activa te waarderen. De IRS negeert ook de waardevolle licenties van MPROC welke niet op MPROC balans staan. De rechtbank is het hiermee eens.
4.3.2.4 2016 Rechtbankuitspraak (Medtronic-1)
De rechtbank concludeert dat de CPM-analyse van de IRS niet de geschikte weging geeft aan de rol van MPROC. MPROC is meer dan een routinematige producent, had kennis van systeemtechniek, bezat de rechten tot de in licentie verstrekte IA, kocht haar eigen grondstoffen in, liep marktrisico’s en productaansprakelijkheidsrisico’s, droeg bij aan het ontwerpproces en had een belangrijke contributie in het garanderen van productkwaliteit.
4.3.2.5 2022 Rechtbankuitspraak – Medtronic-III
De IRS stelde een aangepaste CPM als beste methode voor waarbij de volgende aanpassingen werden voorgesteld:
Het vergelijkingsmateriaal wordt beperkt tot vijf comparables die klasse-III medische hulpmiddelen tot een aanzienlijk deel van hun productieactiviteiten maakten.
Aanpassing voor productaansprakelijkheidsrisico’s: MPROC krijgt een extra winst van USD 25.2 miljoen en USD 26.2 miljoen voor 2005 en 2006, respectievelijk, welke volgens de IRS de uiteindelijk gedeclareerde kosten voor letsel en samenhangende juridische kosten betroffen in deze jaren.
Toepassing van de hoogste ROA van de interquartile range32 (i.e. het 75e percentiel van de resultaten afgeleid van de comparables).
De IRS zou ook hebben kunnen beargumenteren dat de ‘interquartile range’ is toegepast om de betrouwbaarheid van de analyse te verbeteren om zo de kritiek op de comparables te pareren. Echter, de IRS probeert inhoudelijk rekening te houden met de geuite kritiek. De aangepaste CPM resulteert in een aandeel van MPROC in de systeemwinst van 14% en 12% in 2005 respectievelijk 2006, die hoger is dan de percentages van de initiële CPM-analyse.
De rechtbank concludeert niettemin dat de aangepaste CPM niet de beste methode is omdat:
De problemen met de CPM comparables hetzelfde blijven. Bijvoorbeeld, de vijf comparables verrichten ook functies en lopen risico’s die verschillen van een pure klasse-III-producent en produceren ook de lagere risico klasse-I en klasse-II-producten.
De vergelijkbaarheidsaanpassingen van de IRS voor productaansprakelijkheidsrisico’s zijn onvoldoende, omdat ze niet in lijn zijn met de kosten van eerdere terugroepacties.
In deze rechtszaak is het de vraag of de CPM en de toepassing ervan voldoende rekening houdt met bepaalde (niet-routinematige volgens belanghebbende) functies van MPROC, zoals het garanderen van de productkwaliteit, het produceren van alleen klasse-III-producten en het lopen van significante productaansprakelijkheidsrisico door MPROC. Voor het beantwoorden van deze vraag is diepgaand inzicht nodig in de structuur en de waardeketen van het concern rekening houdend met de (belangrijke) contributies van Medtronic Inc. in de DEMPE van de IA en de beschikbaarheid van informatie over comparables en de appreciatie daarvan. Zijn de functionele- en productverschillen zodanig dat de CPM verworpen dient te worden als beste methode? Paragraaf 2.75 van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen stelt dat operationele-winstindicatoren bij de TNMM minder negatief beïnvloed worden door zulke verschillen dan prijzen en brutowinstmarges.
Inzake de toepassing van de CPM is het van belang te melden dat in de VS geïntegreerde beursgenoteerde bedrijven (die jaarlijks een Form-10K rapport33 dienen te rapporteren) als comparables worden gebruikt en in Europa veelal private ondernemingen.34 Aangezien private ondernemingen minder informatie hoeven te publiceren is in de VS doorgaans meer gedetailleerde informatie beschikbaar om de vergelijkbaarheid te toetsen en vergelijkbaarheidsaanpassingen te verrichten.
4.4 Transactionele profit split methode (hierna: “PSM”)
De PSM kan de meest geschikte methode zijn in situaties waarbij beide partijen a) unieke en waardevolle bijdragen leveren of b) economisch significante risico’s gezamenlijk delen of afzonderlijk lopen.
De volgende twee PSM-benaderingen staan in de OESO-verrekenprijsrichtlijnen35 beschreven:
Contributie-analyse: opsplitsing van de gecombineerde winsten op basis van de relatieve waarde van de contributie van elk van de partijen.
Residuele-analyse: de gecombineerde winsten uit de gelieerde transacties worden in twee stappen verdeeld:
Stap 1: vergoeding voor routinematige activiteiten verricht door de partijen.
Stap 2: verdeel de restwinsten (i.e. gecombineerde winsten – routine winsten uit stap 1) aan de partijen o.b.v. de relatieve waarde van hun unieke en waardevolle bijdragen. Het kan een uitdaging zijn om passende winstverdelingsfactoren (bijvoorbeeld, activa-gebaseerde factoren of kosten-gebaseerde factoren) te selecteren om de restwinsten te verdelen.
Bij de Coca-Cola rechtszaak paste belanghebbende de Amerikaanse versie van de residuele-analyse toe om een zakelijk royaltytarief te bepalen op basis van haar argument dat de ‘Supply Points’ ook marketing IA bezitten. De PSM-analyse van belanghebbende wijst uit dat de ‘Supply Points’ juist teveel royalty’s betaald hebben aan TCCC.
Tabel 2 presenteert de toegepaste residuele PSM-analyse van belastingplichtige alsook de redenen waarom de rechtbank het oneens was met deze residuele-analyse.
Het is de vraag of de PSM wel een geschikte methode zou kunnen zijn in de Medtronic rechtszaak. Dit is afhankelijk of MPROC unieke en waardevolle contributies levert aan de licentietransactie. Indien de PSM een geschikte methode is, dan lijkt Medtronic Inc., de licentieverstrekker, relatief meer belangrijke DEMPE-functies te verrichten.
4.5 Niet-gespecificeerde methoden
De Amerikaanse verrekenprijsregelgeving erkent ‘niet-gespecificeerde methoden’ als een methode om een royaltytarief te bepalen voor de licentie van IA.36
In Medtronic-III was het de vraag welke methode de rechtbank als beste methode beschouwt na verwerping van de interne CUT-methode en de CPM. Belanghebbende stelde een niet-gespecificeerde methode voor bestaande uit drie stappen waarbij de aangepaste interne CUT-methode (op basis van de Pacesetter-overeenkomst) en de CPM worden gebruikt in de eerste twee stappen waarna in stap 3 de restwinst tussen Medtronic Inc. en MPROC wordt verdeeld. Deze methode is geen toepassing van de residuele PSM, omdat de eerste twee stappen niet enkel routinematige contributie vergoeden.
Uiteindelijk paste de rechtbank alleen stap 3 van belanghebbende’s voorgestelde niet-gespecificeerde methode aan door de restwinst voor 80% en 20% te verdelen tussen Medtronic Inc. en MPROC, respectievelijk, om rekening te houden met de onvolkomenheden van de CUT-methode en de CPM. Het resulterende groothandel royaltytarief is 48.8%.
Het lijkt ons twijfelachtig dat het Hof akkoord gaat met de (toepassing van de) niet-gespecificeerde methode, omdat de 80%/20%-restwinstverdeling niet kwantitatief onderbouwd is, terwijl de verdeling bedoeld is om rekening te houden met onvolkomenheden van de eerste twee stappen van de analyse.
5. Concluderende opmerkingen
Wij zijn in dit artikel ingegaan op de keuze en toepassing van verrekenprijsmethoden bij het bepalen van een arm’s-lengthroyaltytarief voor een intercompany licentie van IA aan de hand van twee lopende Amerikaanse verrekenprijsrechtzaken. Hieruit blijkt dat de karakterisering van de licentietransactie, in het bijzonder de functionele analyse, belangrijk is voor de keuze en toepassing van de meest geschikte methode. De Coca-Cola rechtszaak was een overwinning voor de IRS waarin de éénzijdige CPM/TNMM werd toegepast op de licentienemer die als een routinematige producent werd gekarakteriseerd. De belanghebbende probeerde nog te beargumenteren dat de licentienemer marketing IA bezat, maar de licentienemer verrichtte/controleerde functioneel niet de (belangrijke) DEMPE-functies.
In de Medtronic rechtszaak zijn bijna alle verrekenprijsmethoden de revue gepasseerd. In deze rechtszaak heeft de licentienemer een belangrijke rol in kwaliteitscontrole en loopt het (significante) productaansprakelijkheidsrisico. Het is dan de vraag of een éénzijdige CPM/TNMM-methode een geschikte methode is. Uit deze rechtszaak blijkt ook dat de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over vergelijkbare markttransacties en de mate van vergelijkbaarheid tussen gelieerde- en ongelieerde transacties, inclusief de betrouwbaarheid van vergelijkbaarheidsaanpassingen, andere belangrijke criteria zijn bij de keuze van de meest geschikte methode. Er is volop discussie of de CUT/CUP-methode gebaseerd op één potentiële interne comparable (met vergelijkbaarheidsaanpassingen) de beste methode is. Er is ook discussie over de vergelijkbaarheid van de CPM comparables. Wat gaat het Hof van Beroep doen? De door de rechtbank aangepaste niet-gespecificeerde methode, de PSM of toch een verder gemodificeerde CPM/TNMM van de IRS? Gezien de bedenkingen van het Hof van Beroep in 2018 lijkt ons de inzet van belanghebbende voor de CUT-methode gebaseerd op de Pacesetter-overeenkomst met vergelijkbaarheidsaanpassingen twijfelachtig.
In een Nederlands/Europees perspectief valt op te merken dat bij toepassing van de veelgebruikte TNMM private ondernemingen als comparables worden gebruikt waarvoor doorgaans minder detail informatie beschikbaar is dan de in de VS gebruikte beursgenoteerde geïntegreerde comparables gezien de rapportageverplichtingen voor beursgenoteerde ondernemingen. Dit kan betekenen dat discussies over vergelijkbaarheid minder diepgaand kunnen zijn.
Tenslotte, feiten en de interpretatie daarvan en het verband met de keuze en toepassing van een verrekenprijsmethode in het licht van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen zijn belangrijk in een verrekenprijsgeschil. Een functionele analyse (en niet alleen in documentatie, maar ook in werkelijk gedrag) is cruciaal voor het (onder)bouwen van een positie alsook de eerdergenoemde beschikbaarheid van informatie over comparables. In beide rechtszaken is het de vraag of de productie-entiteiten een routinematige rol hebben of een unieke en waardevolle contributie bijdragen. Dit is doorgaans niet eenduidig af te leiden uit gepubliceerde uitspraken, maar behoeft inzicht in de structuur en de waardeketen van een concern.