Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.5:IV.6.5 Nader onderzoek
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.5
IV.6.5 Nader onderzoek
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460490:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierop wees ik ook in Bleeker 2017, par. 4. Instemmend Nuninga 2018, par. 3.2, in dit artikel geeft Nuninga ook een voorzet voor een nadere invulling van de relativiteitsleer in de context van het rechterlijke bevel en verbod.
Deze vraag speelt ook in het kader van het Urgenda-arrest. Zie Castermans & Nuninga 2020, par. 3-4 over de vertaalslag van algemene klimaatverplichtingen naar een concreet rechterlijk bevel of verbod.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik in vogelvlucht gekeken naar de betekenis van het rechterlijke bevel in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Er resteren nog verschillende kwesties die vragen om nader onderzoek. In de eerste plaats verdient het relativiteitsvereiste in het kader van de aansprakelijkheid tot naleving van milieuverplichtingen op grond van artikel 3:296 BW nadere bestudering. De relativiteitsleer is ontwikkeld in het kader van het schadevergoedingsrecht, en daardoor is het nog sterk schadegeoriënteerd. Dit knelt met het rechterlijke bevel, omdat voor deze remedie schade niet vereist is en (het voorkomen van) schade ook niet altijd een rol speelt. Het is denkbaar dat het beschermingsbereik van normen anders uitvalt wanneer geen schadevergoeding maar een rechterlijk bevel wordt gevorderd. De toepassing van het relativiteitsvereiste in het kader van het rechterlijke bevel is echter nog onderbelicht.1
Ten tweede is het volgens mij nodig om verder na te denken over de vertaalslag van een algemene rechtsplicht naar een concreet bevel.2 Soms schrijft een milieuvoorschrift een bepaalde specifieke maatregel voor. Zo kan in een vergunning een bepaald type emissiefilter verplicht worden gesteld; als deze emissiefilter ontbreekt, dan is duidelijk welk bevel de rechter moet geven om de onrechtmatige toestand te beëindigen. Maar in andere gevallen zal de milieuverplichting een algemenere strekking hebben. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de verplichting van de drijver van de inrichting op grond van artikel 17.1 Wm om de maatregelen te treffen ‘die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd’ om de gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen of te beperken. In zo’n geval volgt niet uit de norm welke specifieke maatregelen in het concrete geval geboden zijn om de schending van een rechtsplicht te voorkomen of te beëindigen. De inhoud van het bevel hangt ingevolge het congruentievereiste nauw samen met de onrechtmatigheidstoets. Het formuleren van een zorgplicht strekkende tot bepaalde maatregelen is in principe niets nieuws: dit wordt geregeld gedaan in het kader van aansprakelijkheid tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW om vast te stellen of de gedaagde in een concreet geval zijn zorgplicht heeft verzaakt. Maar bij een rechterlijk bevel gaat het niet slechts om hypothetische maatregelen die worden bedacht om de rechtmatigheid van het gewraakte handelen te beoordelen; uit het bevel ontspringt een verbintenis die de geadresseerde ook daadwerkelijk verplicht tot het verrichten van die maatregelen. Dit zet de afweging mogelijk in een ander licht; de zorgplicht moet uiterst zorgvuldig tot stand komen en bovendien uitvoerbaar zijn in de concrete situatie.
Ten slotte zijn er verschillende procesrechtelijke kwesties die spelen bij het vorderen van een milieubevel jegens een leidinggevende, maar die buiten de afbakening van dit promotieonderzoek vallen. Bijvoorbeeld: hoe kunnen de dwangmiddelen passend en proportioneel worden ingezet voor het geval dat een leidinggevende de bevolen milieuverplichtingen niet naleeft? Wanneer rechtvaardigt een overtreding het verbeuren van een dwangsom? Hoe hoog moet de dwangsom zijn om voldoende afschrikwekkend te zijn, zonder dat degene aan wie het bevel is gericht onevenredig wordt geschaad? Kan de leidinggevende verbeurde dwangsommen verhalen op de rechtspersoon? De toepassing van het rechterlijke bevel voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden in de rechtspraktijk zal hopelijk het antwoord op deze en andere vragen opleveren.