Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/3.6.2
3.6.2 Het regeringsontwerp
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS601969:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er zijn wel enkele verschillen tussen het Ontwerp Meijers en het regeringsontwerp. Zo is bijvoorbeeld de door Meijers voorgestelde regeling over het oordeel van de voorzitter of een besluit is genomen, niet overgenomen. En ook in andere delen van de door Meijers voorgestelde tekst is geschrapt, bijvoorbeeld de regeling over besluiten die tot stand zijn gekomen onder invloed van een wilsgebrek.
Parl. Gesch. Boek 2 (Rechtspersonen), p. 141.
Parl. Gesch. Boek 2 (Rechtspersonen), p. 150. Zie ook Asser - Van der Grinten II p. 95.
Parl. Gesch. Boek 2 (Rechtspersonen), p. 150.
Parl. Gesch. Boek 2 (Rechtspersonen), p. 142. (VV II)
Parl. Gesch. Boek 2 (Rechtspersonen), p. 150.
Van der Heijden - Van der Grinten 1968, nr. 224. en 225 en HR 29 november 1934, NJ 1935, p. 698 m.nt. Scholten.
De door Meijers voorgestelde regeling werd in grote lijnen overgenomen in de artikelen 2.1.8 en 2.1.9 van het regeringsontwerp voor boek 2 BW.1 In het advies van de Raad van State naar aanleiding van het ontwerp werd als bezwaar genoemd dat in de voorgestelde tekst van art. 2.1.8. een omschrijving van het begrip besluit ontbrak:
`Te ruim is ook (a) naar het oordeel van de Raad, het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.1.8, nu met geen enkele toevoeging het woord 'besluit' is gedefinieerd en op tal van besluiten binnen de rechtspersonen betrekking kan hebben.'2
Het door Meijers gemaakte onderscheid tussen de interne vorming en externe werking van een besluit leidde verder tot vragen van de leden van de Vaste Kamercommissie. Bij de beantwoording van die vragen lichtte de minister de bedoeling van het ontwerp toe en gaf, hoewel daar niet om gevraagd was, aan wat een besluit was:
`In de eerste plaats zij er op gewezen dat het nemen van een besluit door de algemene vergadering van een rechtspersoon een rechtshandeling is, waarop derhalve in beginsel titel 3.2 (Rechtshandelingen) - met inbegrip van de bepalingen over nietigheid en vernietigbaarheid toepasselijk zijn, voor zover het onderhavige artikel die bepalingen niet terzijde stelt. In de tweede plaats moge de ondergetekende enige nadere opmerkingen maken ter aanvulling en verduidelijking van de 5e en 6e alinea van de toelichting-Meijers bij art. 2.1.8 (d), waarin deze twee aspecten van het besluit, te weten de 'interne vorming' en de 'externe werking' daarvan tegenover elkaar stelt. Er zij op gewezen dat het hier gaat om twee onderscheidingen, die, hoewel zij samenhangen, niettemin uiteen moeten worden gehouden.'3
Vervolgens rees de vraag of een besluit wel gevolgen voor de rechtspersoon zou moeten hebben als zich in de interne vorming van dat besluit een gebrek zou hebben voorgedaan. De minister antwoordde:
`Het antwoord is, dat na vernietiging van het besluit, dat als gezegd zelf een rechtshandeling is, waarvoor titel 3.2 geldt, deze rechtsgevolgen niet intreden. Voor deze vernietiging is het nu dat het onderhavige artikel (art. 2:1.8 oud toev.: AKW) enige nadere regels geeft ter aanvulling en gedeeltelijk in afwijking van de titel Rechtshandelingen. Het artikel heeft derhalve betrekking op de interne totstandkoming van alle besluiten, ongeacht of ze besluiten met externe werking zijn die slechts dit interne aspect vertonen, dan wel - omdat ze externe werking hebben - daarnaast ook een extern aspect hebben.'4
Gebreken in de interne vorming zouden op grond van boek 2 BW opgelost moeten worden. Een gebrek in de externe werking van een besluit, betrof de verhouding tussen de rechtspersoon en een derde. Onregelmatigheden daarin zouden op grond van boek 3 BW moeten worden opgelost.
Art. 46a WvK had zoveel vragen en onduidelijkheden opgeroepen dat de nieuwe regeling veel duidelijker zou moeten zijn. Volgens het Voorlopig Verslag zou in art. 2.1.8 in elk geval op de volgende vragen het antwoord gevonden moeten kunnen worden. In de eerste plaats zou in de nieuwe regeling duidelijk moeten worden wie een vordering zou kunnen instellen en tegen wie een vordering tot vernietiging van een besluit zou moeten worden ingesteld. Verder zou duidelijk moeten worden tegenover wie de nietigheid van een besluit zou kunnen worden ingeroepen. Tegenover wie zou het vonnis waarbij de vernietiging werd uitgesproken, werken? Zou een beroep op vernietigbaarheid volgens art. 2.1.8 bij wijze van exceptief verweer mogelijk zijn, of zou daartoe steeds een eis moeten worden ingesteld? Zou de vernietiging ex nunc of ex tune werken? Uit de tekst zou verder duidelijk moeten blijken binnen welke termijn een vordering zou moeten worden ingesteld. Ook werd nog gevraagd naar een verwijzing naar boek 3 BW, de algemene bepalingen over rechtshandelingen zouden immers ook op besluiten van toepassing zijn. De Kamerleden meenden dat een verwijzing naar die bepalingen wel op haar plaats zou zijn.5
De aanvankelijk voorgestelde tekst in het ontwerp van Meijers en het regeringsontwerp voor de art. 2.18 en 2.1.9 voorzagen niet in regeling van alle hierboven genoemde punten en voorts ontbrak een verwijzing naar de voorgestelde art. 3.2.6 ev., waarin de vernietiging van rechtshandelingen geregeld zou worden. Naar het oordeel van de minister was een verwijzing naar boek 3 BW niet noodzakelijk, maar aan de overige opmerkingen werd wel tegemoet gekomen.6 Dat leidde tot een gewijzigd voorstel waarin een nieuw artikel, art. 2.1. 8a BW werd voorgesteld. De gronden voor vernietiging van een besluit werden in lid 1 van het voorgestelde art. 2.1.8a limitatief opgesomd en in lid 2 werd duidelijker aangegeven wie een beroep op vernietiging zou kunnen doen. Toegevoegd werd dat degene die een vordering wilde instellen dat alleen kon doen als hij een redelijk belang had bij de naleving van de geschonden bepaling.7 Verder werd duidelijk aangegeven wanneer de termijn voor het instellen van een vordering tot vernietiging eindigde. Nieuw was dat in lid 4 een bepaling werd voorgesteld ter regeling van de vernietiging van een stem. In lid 5 werd de mogelijkheid een gebrekkig besluit te bevestigen toegevoegd. Het praktische belang van deze laatste toevoeging was gelegen in het feit dat het door bevestiging geldig verklaarde besluit geacht werd tot stand te zijn gekomen op de dag van het oude, gebrekkige besluit. Vernietiging zou dan niet meer mogelijk zijn.
Het oorspronkelijk voorgestelde art. 2.1.9 werd eveneens aangepast. Behalve de vordering tot vernietiging van een besluit werd ook de vordering tot vernietiging van een stem daarin opgenomen. Die aanpassing hield verband met de toevoeging in art. 2.1.8a lid 4 van de mogelijkheid een stem te vernietigen. Verder werd voorzien in een bijzondere vertegenwoordigingsregel voor het geval het bestuur van de rechtspersoon de vordering tot vernietiging instelde. In lid 2 werd de werking van een rechterlijke uitspraak waarbij een besluit werd vernietigd, opnieuw geformuleerd. Ten slotte werd in art. 2.1.9a BW toegevoegd dat de regeling ook van toepassing zou zijn op besluiten van andere organen van de rechtspersoon. Met de voorgestelde aanpassingen was aan de wens van de Tweede Kamer tegemoet gekomen. Bij wet van 12 mei 1960, (Stb. 205) werd de tekst van boek 2 BW vastgesteld.
Intermezzo In de voorgaande paragrafen heb ik besproken welke besluiten volgens art. 46a WvK aan de rechter kunnen worden voorgelegd, wie een vordering tot vernietiging op grond van dat artikel kan instellen, welke beoordelingsmaatstaf de rechter hanteert en welke maatregelen hij kan treffen. In de volgende paragrafen zal ik de ontwikkelingen in het enquêterecht tussen 1929 en 1971 schetsen en zal ik de onderzoeksvragen beantwoorden voor het enquêterecht zoals dat vanaf 1971 van kracht was.