Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.6.3.1:2.6.3.1 Regelgevend kader
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.6.3.1
2.6.3.1 Regelgevend kader
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955549:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tilmann & Plassmann, p. 445.
Art. 51 lid 1 Handvest; HvJ EU 26 februari 2013, C‑617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Akerberg Fransson). Zie echter Haedicke, GRUR 2014/2, p. 120 en Mylly 2015b, p. 86-88, die betogen dat het Handvest van toepassing is op de UPCA als geheel.
Art. 20 UPCA. Zie ook Advies van 8 maart 2011, C-1/09, ECLI:EU:C:2011:123, rov. 65.
Standpuntverklaring advocaten-generaal van 2 juli 2010, C-1/09, pt. 87.
Art. 24 UPCA.
Tilmann & Plassmann 2018, p. 442.
Tilmann & Plassmann 2018, p. 447.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 20 UPCA bepaalt dat het UPC het Unierecht in volle omvang moet toepassen en het primaat ervan moet eerbiedigen. Dit beginsel van voorrang van het Unierecht geldt ten aanzien van zowel het primaire als het secundaire Unierecht.1 Daarnaast kan ook het Handvest een rol spelen voor zover het UPC het Unierecht ten uitvoer legt.2 Net als gerechten van nationale lidstaten is het UPC gehouden om, samen met het Hof van Justitie, de correcte toepassing en uniforme uitleg van het Unierecht te verzekeren. Als er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van bepalingen van de UPCA, dient het Hof van Beroep over deze kwestie te beslissen en waar nodig prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.3 De beslissingen van het Hof van Justitie zijn bindend voor het UPC.4 Deze gebondenheid heeft betrekking op alle rechtspraak van het Hof van Justitie en (dus) niet enkel op prejudiciële beslissingen die krachtens art. 48 UPCA worden gegeven nadat het UPC zelf een prejudiciële vraag heeft gesteld.5
Naast het Unierecht erkent art. 24 UPCA de overeenkomst zelf, het EOV en andere (bindende) internationale overeenkomsten en het nationale recht op het gebied van het octrooirecht als relevante rechtsbronnen.6 Opmerking verdient daarbij dat veel internationale verdragen, waaronder de TRIPs-overeenkomst, onderdeel uitmaken van het Unierecht.7 Daarnaast is het Gerecht indirect gebonden aan het EVRM, nu de daarin vervatte grondrechten onderdeel uitmaken van het Unierecht.8 Een aanvulling op de bepalingen van het UPCA zijn ten slotte de zogenaamde Rules of Procedure (‘Regels’), een verzameling gedetailleerde regels voor procedures voor het UPC. In geval van strijdigheid tussen de Regels en de UPCA heeft de laatste voorrang.