Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/414
414 De toegevoegde waarde van de aanpassingsbevoegdheid
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS366621:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kantonrechter Amersfoort 1 juni 2005, JAR 2005/158; Kantonrechter Utrecht 7 juli 2010, JAR 2010/226 (ASR/X).
Opgemerkt wordt in de parlementaire geschiedenis dat het verschil tussen artikel 6:248 lid 2 BW en het voorgestelde artikel 2:135 lid 6 BW is, dat de eerste correctie van rechtswege plaatsvindt, terwijl de tweede een grondslag voor een bevoegdheid creëert. Kamerstukken II, 2009/10, nr. 3 (MvT), p. 19. Hieruit volgt enkel dat art. 6:248 lid 2 BW eerder toepasbaar lijkt dan art. 2:135 lid 6 BW.
Kamerstukken I, 32 512, nr. C, p. 10/11.
De invoering van art. 2:135 lid 6 BW heeft ook op dit onderdeel overigens niet het gewenste effect. Vooralsnog wordt er uiterst zelden een beroep gedaan op de aanpassingsbevoegdheid. Zie voor een schaars voorbeeld: Rechtbank Limburg 11 juni 2015, ECLI:NL: RBLIM:2015:4936, r.o. 3.8. waarin de voorzieningenrechter het herbezien van een vertrekregeling van een voormalig bestuurder van APG naar analogie van art. 2:135 lid 6 BW afwijst.
De minister had beter kunnen stellen dat het onaanvaardbaar is dat een bestuurder in een dergelijke situatie wel zijn afgesproken bonus krijgt in plaats van te stellen dat dit ‘gek’ is. Overigens werd in het Hoofdlijnenakkoord voor het kabinet van 16 mei 2003 (’meedoen, meer werk, minder regels’) door de toenmalige regeringspartijen CDA, VVD en D66 nog wel expliciet geschreven dat het onverantwoord en ‘niet aanvaardbaar’ is dat in moeilijke economische tijden veel bestuurders van ondernemingen bovenmatige inkomensontwikkelingen kennen.
Voor het geven van een invulling aan art. 2:135 lid 6 BW die van meer toegevoegde waarde zou zijn, verwijs ik naar een eerdere bijdrage van mijn hand: Lokin 2014.
In de praktijk is gebleken dat in geval van uitzonderlijke omstandigheden door raden van commissarissen reeds een beroep wordt gedaan op de algemeen verbintenisrechtelijke regels die betrekking hebben op het aanpassen van overeenkomsten.1 De vraag is dan ook wat de wetgever precies voor ogen stond met het invoeren van art. 2:135 lid 6 BW. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt, dat het wetsvoorstel geenszins nieuwe bevoegdheden beoogt te scheppen, maar slechts de reeds bestaande wettelijke mogelijkheden dient te verduidelijken.2 De gedachte is dat hierdoor aan raden van commissarissen meer houvast wordt gegeven bij het uitoefenen van hun bevoegdheden inzake de bezoldiging van bestuurders.3 Een voorvraag die gesteld dient te worden is of aanpassing van een bonus, in geval een onderneming in zwaar weer verkeert, achterwege blijft omdat de aanpassingsbevoegdheid niet duidelijk is of omdat een eenzijdige aanpassing van de bonus zelden wordt gehonoreerd. Het doet zich voor dat het gesignaleerde ‘probleem’ een gevolg is van de hoge drempel die wordt opgeworpen om tot aanpassing over te gaan.4
Door aan te sluiten bij de strenge maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW lijkt de kans dat succesvol een beroep gedaan kan worden op art. 2:135 lid 6 BW te verwaarlozen.5 Uiteraard is het aan de rechter om invulling te geven aan art. 2:135 lid 6 BW. De hoop dat een rechter in ruime zin zal oordelen dat het uitkeren van de bonus op basis van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is mijns inziens echter ijdel. De verwachting is dan ook dat lid 6, zelfs als de raden van commissarissen zich meer bewust zijn van de hun toekomende bevoegdheid, niet veel zal opleveren. Op grond hiervan heeft art. 2:135 lid 6 BW in zijn huidige vorm mijns inziens geen bestaansrecht.6