Einde inhoudsopgave
Vijandige overnames (IVOR nr. 79) 2010/10.4.2
10.4.2 Het proportionaliteitsbeginsel; terughoudende rechterlijke toetsing
mr. M.J. van Ginneken, datum 23-11-2010
- Datum
23-11-2010
- Auteur
mr. M.J. van Ginneken
- JCDI
JCDI:ADS612888:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Assink heeft in zijn proefschrift aangegeven hoe in zijn ogen een concretere rechterlijke toetsing gestalte zou kunnen worden gegeven. Zie Assink (2007a), p. 507-590. Hij doet dat niet alleen voor het enquêterecht, maar ook voor de toetsing op grond van (de systematiek van) art. 2:9 BW, zie Assink (2007a), p. 607-633. Hij introduceert een Nederlandse variant op de business judgment rule, die — veel te — kort gezegd erop neerkomt dat zeer terughoudend moet worden getoetst bij het ontbreken van een tegenstrijdig belang (in zijn terminologie een prima facie loyaal en neutraal bestuur). In dat geval dient de rechter de rationaliteitstoets aan te leggen. Hij dient slechts te bekijken of het gedrag een rationeel ondernemingsdoel diende. Voor gevallen waarin het bestuur een beschermingsmaatregel treft, propageert hij een brede redelijkheidstoets. Deze is strenger dan een rationaliteitstoets, maar minder streng dan een billijkheidstoets. Gedragsnorm en toetsingsnorm moeten in de sleutel van redelijkheid worden gezien en vallen samen. Het bestuur heeft een zekere mate van beleidsvrijheid. De vraag is of het bestuur in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Zie Assink (2007a), p. 581. Als ik het goed zie komen wij, langs enigszins andere weg, op hetzelfde uit, namelijk een redelijkheidstoets, zie hierna.
Zie ook Timmerman (2007a), p. 94.
R. v. Goldsmith [1983] 1 WLR 151, p. 155, aangehaald in Emiliou (1996), p. 2 en Zoethout (2005), p. 23.
Zie o.a. Giesen & Tjong Tin Tai (2008), p. 1, Van Gerven (1995), p. 3 en Timmerman (2008), p. 336.
Zie Van Gerven (1995), p. 3.
Zie Giesen & Tjong Tin Tai (2008), p. 3, waar zij ook stellen dat de opmars van de proportionele benadering in ons vermogensrecht van recenter datum is. Zij gaan uitgebreid in op de proportionele tendensen in het verbintenissenrecht.
Een uitwerking hiervan in het Nederlandse bestuursrecht vindt men in art. 3:4 lid 2 Awb, dat bestuursorganen verplicht na te gaan of de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat ook mensenrechten met behulp van het proportionaliteitsbeginsel worden geïnterpreteerd. Zie Nieuwenhuis, Shueler & Zoethout (2005), p. 10-11.
Zie Timmerman (2008), p. 341, waar hij stelt dat rechtsbeginselen niet een bepaalde uitkomst dicteren en geen pasklaar antwoord geven.
Zie Groenewegen (2005), p. 13 e.v. Het navolgende is grotendeels gebaseerd op deze mooie beschouwing van Groenewegen, zij het dat ik het heb toegesneden op het vennootschapsrecht.
Zie Timmerman (2008), p. 337, waar hij stelt dat rechtsbeginselen altijd een afweging vereisen van uiteenlopende belangen en een zekere verzoening daarvan nastreeft.
Zie Wezeman (2007), p. 99-100, Assink (2007a), p. 80 en Van Ginneken (2006), p. 530.
De beoordeling van het gewicht van een bepaald belang kan wel voortvloeien uit de wet of de jurisprudentie, uit de feitelijke constellatie of uit bepaald wetenschappelijk bewijs. Zie Groenewegen (2005), p. 17-18.
Zie Wezeman (2007), p. 99-101. Zie over het begrip marginale toetsing uitgebreid Assink (2007a), p. 43-71.
Zie ook Maeijer (2003), nr. 1. In dit geval vallen gedragsnorm en toetsingsnorm dus ook samen. Zie Assink (2007a), p. 581, die voor het nemen van beschermingsmaatregelen op eenzelfde toetsingsnorm uitkomt.
Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 369-370. Zie in gelijke zin Timmerman (2003c), p. 1634. Ook Maeijer stelt dat er onderscheid kan worden gemaakt tussen de materiële inhoud van het beleid en de wijze waarop het beleid en de hieraan ten grondslag liggende besluiten tot stand zijn gekomen (de in acht te nemen formele zorgvuldigheid). De toetsing door de OK aan het formele zorgvuldigheidsbeginsel kan uiteraard minder marginaal zijn dan een inhoudelijke toetsing; in zoverre heeft de OK het bij een dergelijke toetsing gemakkelijker. Zie Asser/Maeijer (2000), p. 819. Zie ook Maeijer (1982), p. 20. Van Solinge en Nieuwe Weme zijn dezelfde mening toegedaan, zie Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 1012.
Zie HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003/110 m.nt. Blanco Femandez (RNA/Wesijield), rov. 3.7 (`Tot het zo-even bedoelde beleid behoort in het bijzonder dat het bestuur van de vennootschap ervoor zorg draagt dat zowel de minderheidsaandeelhouder die de zeggenschap in de onderneming tracht te verkrijgen, als de overige aandeelhouders voldoende geïnformeerd worden over de wederzijdse standpunten') en rov. 3.19-3.26.
Zie HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt. Doorman (DSM) en de uitgebreide conclusie hierbij van AG Timmerman. Dit geldt mijns inziens ook zeker in een ovemamecontext. Zie ook Raaijmakers & Van der Schee (2008), p. 1146-1147. Zie ook HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003/110 m.nt. Blanco Femandez (RNA/Wesijield), rov. 3.7, waar wordt gesteld dat of een maatregel disproportioneel is veelal pas na verloop van tijd kan worden vastgesteld; dit noopt in deze fase tot enige terughoudendheid.
Zie HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003/110 m.nt. Blanco Fernandez (RNA/Westfield), rov. 3.7. Zie in gelijke zin De Jongh (2007), p. 41, de conclusie van AG Timmerman bij HR ASMI, rov. 3.7.12 en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 803.
Een belangrijke vraag die vervolgens aan de orde komt is hoe rechters moeten toetsen of het bestuurlijk handelen voldoet aan de RNA-norm. Er wordt in algemene zin aanvaard dat rechters terughoudend moeten zijn met het beoordelen van bestuurlijk handelen, maar in Hoofdstuk 2 kwam al aan de orde dat niet eenduidig is hoe actief, integraal en inhoudelijk de rechter bestuurlijk handelen moet toetsen (zie § 2.4). Ik ga hier niet in op de bredere en meer fundamentele vraag hoe bestuurlijk gedrag in algemene zin moet worden getoetst, maar beperk mij tot de toetsing in vijandige overnamesituaties.1 Mijns inziens vloeit de noodzaak voor rechterlijke terughoudendheid en de wijze waarop rechters moeten toetsen voort uit de RNA-norm zelf. De RNA-norm houdt in dat de beschermingsmaatregel in de gegeven omstandigheden bij een redelijke afweging van de in het geding zijnde belangen (nog) moet vallen binnen de marges van een adequate en proportionele reactie op het dreigende gevaar van een ongewenste overname. Het gaat dus om een redelijke afweging van belangen en een proportionele reactie. Dit is in feite een vennootschapsrechtelijke verwoording van het proportionaliteitsbeginsel.2 De Britse rechter Lord Diplock heeft het proportionaliteitsbeginsel treffend verwoord. Volgens hem verwijst proportionaliteit naar het principe 'that prohibits the use of a "steam hammer to crack a nut, if a nutcracker would do" ' .3 Het recht in brede zin is doortrokken van deze gedachte van proportionaliteit.4 Het proportionaliteitsbeginsel (ook wel het evenredigheidsbeginsel genoemd) behoort tot de kern van de rechtstaat5 en wordt meestal geassocieerd met het (internationale) publiekrecht (strafrecht, bestuursrecht, Europees recht). Het ziet dan op een begrenzing van overheidshandelen ten behoeve van de vrijheid van burgers.6 Daarbij gaat het om de verhouding tussen de gevolgen van overheidsingrijpen en het met dat ingrijpen te dienen doel.7 In de RNA-norm gaat het niet om overheidshandelen, maar om de reactie van het bestuur van een doelvennootschap op een reële bedreiging. Het betreft echter wel hetzelfde proportionaliteitsbeginsel.
Het proportionaliteitsbeginsel is echter geen al te duidelijke norm.8 Het is vaak moeilijk te beargumenteren of een besluit wel of niet (dis)proportioneel is. Dit ligt aan het feit dat concrete criteria voor toepassing ontbreken. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen.9 Ten eerste vereist het proportionaliteitsbeginsel het vellen van een waardeoordeel. Proportionaliteit is een evaluatieve term; het geeft niet aan wat proportioneel is. Dat waardeoordeel kan van persoon tot persoon verschillen. De tweede reden heeft te maken met het feit dat het proportionaliteitsbeginsel een evenwichtige belangenafweging vereist.10 Proportionaliteit veronderstelt een zeker evenwicht tussen enerzijds de mate waarin belangen worden getroffen en anderzijds de belangen die worden gediend. Deze belangen zijn vaak onvergelijkbaar. In dat geval ontbreekt een maatstaf die bepaalt welk belang bij de afweging voorrang dient te krijgen. Bij het zoeken naar proportionaliteit weegt men alternatieve opties tegen elkaar af. Als deze opties echter onvergelijkbaar zijn, dan zijn er ook geen rationele argumenten om de ene optie te prefereren boven de ander. Dat is ook in ons vennootschapsrecht het geval. Het is duidelijk dat de belangen van bij de vennootschap betrokkenen moeten worden afgewogen, maar hoe dat moet gebeuren is dat niet. Het belang van de vennootschap, van (verschillende) aandeelhouders, van werknemers en van crediteuren zijn onvergelijkbaar. Er is tussen de verschillende belangen geen dwingende hiërarchie aan te geven; geen van de belangen prevaleert zonder meer.11 Het proportionaliteitsbeginsel, en dus de RNA-norm, biedt geen aanknopingspunt hoe de onvergelijkbare belangen tegen elkaar dienen te worden afgewogen.12
Het feit dat waardeoordelen noodzakelijk zijn en de onvergelijkbaarheid van belangen brengen met zich dat de rechter terughoudend moet toetsen. Het feit dat een besluit een waardeoordeel vereist, dat van persoon tot persoon verschillend kan uitvallen, noopt tot terughoudendheid. Een rechter moet zeer voorzichtig zijn met het in de plaats stellen van zijn waardeoordeel boven dat van het bestuur. Als een rechter een ander waardeoordeel velt dan een bestuur, kan dat op zichzelf geen reden zijn om het besluit van het bestuur ontoelaatbaar te verklaren. Een rechter kan dus slechts marginaal toetsen. Een marginale toets houdt onder andere in dat hij zijn (waarde)oordeel niet in de plaats stelt van dat van het bestuur. Slechts als het evident is dat de belangenafweging onredelijk is geweest, kan de rechter het waardeoordeel van het bestuur corrigeren. Ook het ontbreken van een duidelijke maatstaf om onvergelijkbare belangen tegen elkaar af te wegen, dwingt de rechter tot terughoudendheid. Als er geen rationele argumenten zijn voor het bestuur om de ene of de andere optie te kiezen, zijn die er ook niet voor de rechter. Er zijn dan ook geen argumenten om zijn keuze boven die van het bestuur te stellen. Ook om deze reden kan de rechter dus niet vol toetsen, maar slechts marginaal. Hij dient zich alleen af te vragen of de handeling kennelijk onredelijk is.
Het hanteren van het proportionaliteitsbeginsel, en dus ook van de RNAnorm, betekent dus een zekere mate van beleidsvrijheid voor het bestuur en vereist terughoudendheid van de rechter. De rechter kan slechts marginaal toetsen, hetgeen in het vennootschapsrecht neerkomt op het hanteren van een redelijkheidstoets.13 Dit volgt uit de norm zelf.14 Slechts indien de uitkomst van de belangenafweging evident onredelijk is, dient de rechter het handelen te veroordelen. Mijns inziens houdt dit in dat de rechter, ook in vijandige overnamesituaties, meer nadruk dient te leggen op de procedurele kanten van de genomen beslissingen, en minder op de inhoud daarvan. Er kan nauwkeurig worden nagegaan op grond van welke gegevens en volgens welke procedures de vennootschapsleiding tot die beslissingen is gekomen. Bij deze beoordeling van de werkwijze en het proces van besluitvorming behoeft de rechter minder terughoudend te zijn.15 Ditzelfde geldt voor de wijze waarop over het een en ander wordt gecommuniceerd. Een en ander volgt mijns inziens ook uit de overwegingen in RNA, waar duidelijk belang werd gehecht aan een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming en goede communicatie met alle betrokkenen.16 Verder kan het moment waarop wordt getoetst een rol spelen voor de wijze van beoordeling. In de eerste fase van een enquêteprocedure, waar het gaat om de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, dient de Ondernemingskamer in algemene zin terughoudender te zijn.17 Dit geldt ook bij procedures bij de voorzieningenrechter. In het verlengde hiervan kan bij tijdelijke maatregelen het tijdsverloop van belang zijn voor de toetsing. Naarmate het proces langer duurt, kan de toetsing minder marginaal worden. Of de handhaving van een dergelijke maatregel disproportioneel is kan volgens de Hoge Raad in RNA pas na verloop van tijd worden vastgesteld. Het komt niet alleen aan op de eerste reactie van het bestuur, maar vooral ook op het beleid dat het bestuur nadien heeft gevoerd. Dit moet bij die beoordeling worden meegewogen. Ik zou menen dat ook de gedragingen van de bieder hierbij een rol spelen. De activatie van een tijdelijke beschermingsmaatregel zal mijns inziens dus met meer terughoudendheid moeten worden benaderd dan wanneer deze al enige tijd uitstaat.18