NTBR 2025/34
Over de redactie (door de redactie)
S.J.L.M. van Bergen, W.H. van Boom, S. De Rey, K.J.O. Jansen, E.R. de Jong, B.M. Katan, M.Y. Schaub, E.F. Verheul, J.H.G. Verweij-Hoogendijk, I. Visser & F.J. de Vries, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen, W.H. van Boom, S. De Rey, K.J.O. Jansen, E.R. de Jong, B.M. Katan, M.Y. Schaub, E.F. Verheul, J.H.G. Verweij-Hoogendijk, I. Visser & F.J. de Vries
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD27020:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Te vinden op www.wolterskluwer.com/nl-nl/know/authors/for-our-authors#auteursrichtlijnen (onder ‘Titelspecifieke auteursinstructies’, ‘NTBR’).
Vgl. Van Gestel 2015, p. 336.
Zie nader de eisen voor artikelen onder 3.3 van de auteursinstructie (‘Wetenschappelijk karakter en praktische relevantie’), die betrekking hebben op ‘Opbouw en eigen inbreng’, ‘Diepgang en objectiviteit’, ‘Controleerbaarheid’, ‘Schrijfstijl’ en ‘Anonimiteit’.
We hebben overigens ook auteurs die na een tweede ronde alsnog waren afgewezen, uitgenodigd om hun ervaringen met ons te delen; zij reageerden niet op dat verzoek.
Er wordt ons als redactieleden nog wel eens gevraagd: hoe werkt jullie redactie eigenlijk? Waar letten jullie op? Maak ik enige kans om in het tijdschrift te komen? Zulke vragen zijn voor de redactie aanleiding geweest om te reflecteren op ons tijdschrift en redactiewerk. In deze bijdrage over de redactie (door de redactie) gaan we in op ons tijdschrift, het redactioneel proces en de uitdagingen die we daarbij tegenkomen, omdat we graag uitleggen wat we doen, waar we voor staan en transparant zijn over de punten waarop we onszelf kunnen verbeteren.
1. Over het NTBR en de redactie
Het NTBR verschijnt tien keer per jaar. Onze missie is om het brede gebied van het privaatrecht te bestrijken, met de nadruk op kernthema’s van het algemene vermogensrecht. Dus van aansprakelijkheid voor AVG-inbreuken tot eigendomsovergang door elektronische cognossementen bij zeevervoer, en van familievermogensrecht tot mandeligheid. Maar ook de meer specialistische rechtsgebieden zoals arbeidsrecht, IE-recht, IPR en procesrecht vinden we belangrijk, zolang er maar een duidelijke koppeling is met het vermogensrecht. We willen namelijk ook graag een brug slaan tussen het algemene deel en de bijzondere deelgebieden van het burgerlijk recht.
Ons tijdschrift kent uiteenlopende rubrieken, waaronder redactionelen, artikelen, kronieken, recensies, verslagen, annotaties, reacties en naschriften, en de bijzondere rubrieken Moderne Klassiekers en Kort & Bondig. Daarnaast verschijnt jaarlijks een themanummer, waarvoor auteurs worden uitgenodigd om vanuit verschillende invalshoeken een bijdrage te leveren rond een centraal thema. NTBR-bijdragen zijn in principe altijd Nederlandstalig, maar afhankelijk van het onderwerp en de auteurs worden soms ook Engelstalige bijdragen geplaatst. In onze auteursinstructie1 zijn nadere instructies te vinden over het NTBR en het beoordelingsproces.
De redactie bestaat uit redactieleden, een voorzitter en een secretaris. De redactieleden worden aangetrokken uit de wetenschap, de rechtspraak en de advocatuur; er is ook een vaste plaats voor een Belgisch redactielid. De omvang van de redactie is niet vastgelegd en kan dus naar behoefte worden bijgesteld. De redactieleden worden na interne besprekingen benaderd en door middel van informele coöptatie gekozen. Gestreefd wordt naar een redactie van vakinhoudelijk bekwame juristen die als generalist binnen het vermogensrecht werkzaam zijn. Daarnaast wordt spreiding nagestreefd wat betreft expertise, ‘vlieguren’, gender en herkomst qua universiteit, advocatenkantoor, etc. De zittingstermijn bedraagt vijf jaar en is eenmaal te verlengen.
Het NTBR kent, naast de redactie, ook een groep medewerkers die zich aan het tijdschrift hebben verbonden. Zij leveren regelmatig bijdragen aan en worden als gastredacteuren betrokken bij de samenstelling van themanummers. Ook worden medewerkers incidenteel benaderd om als externe beoordelaar op te treden bij artikelen die om specifieke expertise vragen waarover de redactie niet beschikt.
2. Over het beoordelingsproces
De redactie vergadert meestal tien keer per jaar. Vast onderdeel van die vergaderingen is uiteraard de beoordeling van de beschikbare kopij. Wat betreft de artikelen gaat het om ‘spontaan’ ingezonden bijdragen en bijdragen die ‘op uitnodiging’ worden ingestuurd. Dat laatste betreft auteurs die via het secretariaat zijn aangezocht op een specifiek thema waar we aandacht aan willen besteden.
De redactie beoordeelt al deze bijdragen geanonimiseerd (oftewel: blind). Pas als een bijdrage is geaccepteerd voor publicatie, krijgen de redactieleden te horen wie de auteur is. Dit betekent dat de communicatie tussen de auteurs en de redactie zoveel als mogelijk via de secretaris plaatsvindt; die zorgt voor anonimisering van het beoordelingsproces. Als een redacteur betrokken is bij een ingezonden artikel of de identiteit van de auteur kent, onthoudt deze redacteur zich van een oordeel.
Ook voor bijdragen die ‘op uitnodiging’ worden geschreven, geldt dat we zoveel als mogelijk blinde beoordeling toepassen (behalve bij themanummers). Dit is een uitdaging. We bespreken soms namen van mogelijke auteurs in de redactie; soms e-mailt een redacteur een auteurssuggestie uitsluitend aan de secretaris. We laten het aan de voorzitter en de secretaris om te beslissen wie wordt aangezocht, zodat we zo weinig mogelijk kennis van de identiteit hebben bij de beoordeling. We realiseren ons overigens terdege dat het uitnodigen van auteurs het risico in zich draagt dat we the usual suspects vragen en dat we zodoende tal van talentvolle auteurs over het hoofd zien, omdat de availability bias ons veelal voert richting auteurs die al veel hebben geschreven over het betreffende thema.
De redactionelen worden niet blind beoordeeld. Dat betekent overigens niet dat we elkaars bijdragen altijd top vinden. Gelukkig is onze redactie een ‘veilige leeromgeving’ waar we kritiek kunnen geven én ontvangen: de ervaring is dat we elkaars redactionelen flink becommentariëren en dat de kwaliteit van de uiteindelijk gepubliceerde versie daar altijd baat bij heeft.
Alle redactieleden beoordelen alle bijdragen. Hoewel het efficiënter kan zijn om de taken te verdelen, zijn daar ook nadelen aan verbonden. Als de beoordeling van een specialistische bijdrage bijvoorbeeld wordt overgelaten aan ‘de experts’, ontstaat het risico dat de bijdrage kritischer wordt beoordeeld dan nodig is of minder goed toegankelijk is voor het brede lezerspubliek van het NTBR. Hoewel het pittig voor ons is om álles te lezen, denken we dat met onze manier van werken de grootst mogelijke kans op een kwalitatief hoogstaand beoordelingsproces ontstaat. Het betekent wel dat de tijdsbelasting voor redactieleden aanzienlijk is. We schatten dat redactieleden per jaar elk ongeveer 80 uur besteden aan het redactiewerk, en voor de voorzitter komt daar nog het nodige bij aan overleg met de secretaris en de uitgever. Wolters Kluwer geeft een kleine vergoeding in ruil voor de werkzaamheden.
Elke redacteur krijgt ter vergadering (in willekeurige volgorde) het woord om toe te lichten wat het oordeel is over een bijdrage, en welke kwalificatie daarbij hoort. A is ‘zonder meer publiceren’, B is ‘kleine veranderingen nodig’, C is ‘grote veranderingen nodig’ en D is ‘zonder meer afwijzen’. Dat laatste gebeurt met name bij bijdragen die qua onderwerp of opzet niet in het NTBR passen, bijvoorbeeld omdat zij te specialistisch of te weinig wetenschappelijk zijn. Bijdragen die een B of een C scoren, worden na aanpassing nogmaals voorgelegd aan de redactie. In uitzonderingsgevallen, bijvoorbeeld bij bijdragen die scoren tussen de A en de B, lezen nog slechts enkele redactieleden mee. Soms wijzen we één redacteur aan (een ‘rapporteur’) om de diverse commentaren te stroomlijnen en de auteur extra te begeleiden.
3. Over onze kwaliteitseisen
Wat is volgens ons de kwaliteitsmaatstaf die we bij de beoordeling hanteren? Een moeilijke vraag. Het NTBR is gericht op lezers uit rechtspraktijk én academie, en moet dus in zekere zin voor iedereen iets te bieden hebben. Gelukkig is bij de beoefening van het burgerlijk recht sprake van een zekere verwevenheid van theorie en praktijk: in het NTBR worden artikelen opgenomen die in onze ogen een wetenschappelijk karakter hebben én relevant zijn voor de rechtspraktijk.
Bij het beoordelen van ingezonden bijdragen letten we natuurlijk op toegankelijkheid van de schrijfstijl, structuur (is er een heldere aanleiding, een doelstelling, vraagstelling en een zekere methodologische onderbouwing bij het artikel?), maar we willen vooral dat een bijdrage ‘iets toevoegt’ aan bestaande kennis door een route naar beter begrip en meer inzicht te wijzen.2 Dat kan een bijdrage aan theorievorming zijn over beginselen of fundamenten van het burgerlijk recht, maar het kan ook een nieuw perspectief betreffen op de consistentie van het privaatrechtelijk systeem of de inpassing van nieuwe ontwikkelingen in wetgeving of rechtspraak. Als de bijdrage een oordeel geeft over die ontwikkelingen, dan moet dat oordeel beredeneerd en navolgbaar zijn, en dus moet er een toetsingskader zijn. Een enkel ‘dit is mijn mening en daar moet je het mee doen’, is onvoldoende.
Waar we ook niet snel enthousiast over worden, zijn bijdragen die een bepaald leerstuk nog een keer op een rij zetten zonder kennis of perspectief toe te voegen. Een overzichtsartikel kan nuttig zijn, maar dan wel op terreinen waar dat overzicht vooralsnog ontbreekt. Empirische stellingnames moeten altijd zijn voorzien van een adequate methodologische verantwoording. Het notenapparaat moet wetenschappelijk verantwoord zijn (solide en ter zake doende bronnen), adequaat (niet “uit de rechtspraak blijkt” of “het gebeurt steeds vaker dat” met dan een verwijzing naar één rechtbankuitspraak) en geen uitweidingen bevatten die in de hoofdtekst horen of weggelaten kunnen worden.3
4. Wat zeggen onze notulen?
Het voorgaande is zoals wij onszelf zien. Maar wat vertelt een buitenstaander die onze notulen zou analyseren? Goede vraag, en we hebben deze dan ook voorgelegd aan een buitenstaander: we hebben de notulen van onze vergaderingen uit de periode mei 2023-mei 2025 geanonimiseerd en vervolgens laten analyseren door Naomi Zwaneveld (student-assistent te Rotterdam). Daarbij zijn de bijdragen ‘gevolgd’ tot aan publicatie, en in het bijzonder is gekeken naar het oordeel van de redactie en hoe vaak de bijdragen in de redactievergadering zijn teruggekomen (hetgeen gebeurt bij bijdragen die een B- of C-beoordeling krijgen).
Afgaande op de notulen werden in die periode 60 artikelen besproken ter vergadering. Van deze 60 artikelen zijn er 38 geplaatst of concreet gepland voor komende afleveringen, en 11 werden definitief afgewezen na één of twee rondes. Enkele auteurs hebben na de terugkoppeling van de redactie besloten hun bijdrage niet opnieuw ter beoordeling aan de redactie voor te leggen. De gemiddelde beoordeling ligt relatief consistent vlak onder de B richting de C, en dat betekent dus dat gemiddeld genomen een ingezonden bijdrage nog bewerking door de auteur vergt.
41 van de 60 artikelen werden slechts één keer ter vergadering besproken; 17 artikelen werden tweemaal besproken en 2 artikelen werden drie keer ter vergadering beoordeeld. De meeste artikelen komen dus één keer langs. 7 bijdragen kregen in de eerste beoordelingsronde direct een A en werden dus zonder meer geplaatst. Hierbij verdient het wel aantekening dat het eigenlijk 3 artikelen betrof, omdat de andere 4 recensies of verslagen betroffen, en daarbij vanwege de aard van de bijdrage een andere beoordeling plaatsvindt dan bij wetenschappelijke artikelen. Bij de oordelen B en C komt de bijdrage meestal terug in een volgende vergadering, maar soms wordt ook bepaald dat één of twee redacteuren de herbeoordeling verrichten buiten de algemene redactie. Het is dus niet per se zo dat 41 van 60 artikelen zonder meer publicabel waren. Definitieve afwijzing geschiedde vooral op een of meer van de volgende aspecten: onvoldoende wetenschappelijke diepgang (er wordt te weinig theoretische, empirische of innovatieve meerwaarde geboden), gebrekkige kwaliteit van argumentatie en redenering, aanzienlijke twijfels aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud, gebrekkige afbakening en structuur en/of onvoldoende verwerking van feedback op deze punten.
De tijd die verstrijkt tussen bespreking ter vergadering en publicatie (het NTBR verschijnt tien keer per jaar) hangt onder meer af van de vraag of de bijdrage meermalen beoordeeld wordt. Komt een artikel eenmaal in vergadering en wordt het gepubliceerd, dan zit er gemiddeld twee en een halve maand tussen. Is dat tweemaal, dan ruim vier maanden en driemaal zeven maanden.
Van de gepubliceerde bijdragen is ongeveer de helft een spontane inzending. De analyse toont dat de inzendingen op uitnodiging gemiddeld genomen beter worden gewaardeerd (in termen van A, B, C of D), en dus ook een snellere doorlooptijd hebben. We weten niet hoe dat komt, want wij hanteren zoals gezegd voor alle inzendingen dezelfde kwaliteitseisen. Er zijn verschillende verklaringen denkbaar, maar we hebben het niet verder onderzocht. Een mogelijke verklaring kan zijn dat de personen die aangezocht worden, ervaren zijn en/of hun beste beentje voorzetten omdat ze gevraagd zijn. Verder kan wellicht meespelen dat wij de maatschappelijke en wetenschappelijke relevantie van bijdragen die wij zelf hebben uitgevraagd, positiever inschatten, terwijl wij ons daarvan bij de beoordeling meestal niet meer bewust zijn. We hebben ons nog afgevraagd of een deel van de verklaring zit in het feit dat in onze vergaderagenda bij een inzending erbij vermeld staat of deze op uitnodiging of spontaan is ingezonden. We denken het eigenlijk niet, omdat die vermelding nooit een rol speelt in onze inhoudelijke discussies en een aantal redacteuren aangeeft daar nooit op te letten. Om er zeker van te zijn dat dit geen verklarende factor is, laten we deze aantekening in de vergaderagenda voortaan weg. Tegelijk realiseren we ons natuurlijk dat een goede relatie met onze auteurs (of zij nu op uitnodiging of spontaan inzenden) minstens zo belangrijk is voor de kwaliteit van ons blad als het bewaken van onze redactionele standaarden. Daarom proberen wij bij terugkoppeling via de secretaris ons commentaar altijd opbouwend te formuleren en in voorkomende gevallen even goed terug te kijken naar hoe we de uitnodiging hadden geformuleerd, zeker ook omdat het bij de B- en C-beoordelingen altijd de bedoeling is om de bijdrage naar een hoger niveau te tillen. Meestal lukt dat gelukkig ook.
De analyse van de notulen toont dat de meningen binnen de redactie flink uiteen kunnen lopen over de kwaliteit van een bijdrage en wat er veranderd moet worden aan een bijdrage dat we niet direct publicabel achten (over de D-categorie zijn we het meestal snel eens). Daarom is het belangrijk om bij vergaderingen eerst elke bijdrage individueel te bespreken en een oordeel toe te kennen, om daarna verder te praten. De open discussie binnen de redactie helpt ook om oordelen ter plekke bij te stellen en consensus te realiseren. Vaak blijkt dat iedereen elkaars inhoudelijke bezwaren wel herkent, maar dat niet iedereen daaraan op voorhand hetzelfde gewicht toekent. Verder verschillen de meningen nogal eens over de gewenste oplossingsrichting: moet een weinig grensverleggend artikel bijvoorbeeld worden ingekort of juist uitgebreid en uitgediept? De ervaring leert dat we consensus zoeken en vinden, zodat de auteur in elk geval richtinggevende feedback krijgt en we de potentie van de bijdrage weten te realiseren.
5. Wat zeggen onze auteurs?
Omdat we ook willen weten wat auteurs die bijdragen aanbieden aan het NTBR van ons vinden, organiseren we geregeld medewerkersbijeenkomsten waar vaste medewerkers en recente auteurs worden uitgenodigd. Informeel horen we dan nog wel eens iets over ervaringen. Ook krijgen we soms feedback op ons commentaar als een artikel in aangepaste vorm ‘terugkomt’ bij de redactie. Wij staan altijd open voor zulke feedback, want daar kan het beoordelingsproces alleen maar beter van worden. Wij vinden het wel van belang dat bezwaren van de redactie (ook) ín de bijdrage worden weggenomen en niet alleen in de reactie op ons commentaar. Als bepaalde twijfels of misverstanden leven binnen onze redactie, mogen we er immers van uitgaan dat die ook bij sommige lezers kunnen bestaan.
Om ons nog wat verder te verdiepen in de ervaringen van auteurs met ons tijdschrift, hebben we onlangs een korte enquête gehouden. We schreven 100 auteurs aan van wie de bijdragen na een of meer rondes geplaatst zijn, met het verzoek een korte enquête in te vullen. Die bestond uit een zestal stellingen, waarbij we steeds vroegen om op een zespunts schaal aan te geven in hoeverre men het eens of oneens was met de stelling:
Het commentaar van de redactie op mijn inzending heeft geleid tot verbetering van de bijdrage.
Ik begreep wat de redactie bedoelde met haar commentaar.
Ik vond dat de redactie er goed naar had gekeken.
De redactie hanteerde in het commentaar een correcte toon.
Ik vind het niveau van de gepubliceerde bijdragen in het NTBR hoog.
Ik raad collega’s aan om in het NTBR te publiceren.
Er waren ook open commentaarvelden en een algemene open vraag aan het einde. Uiteraard was deelname anoniem. Natuurlijk gelden de gangbare disclaimers die horen bij enquêteonderzoek. De enquête is wat het is: een kort tevredenheidsonderzoekje.4 En de deelnemers zijn klaarblijkelijk redelijk tevreden. Zo waren 19 van de 22 respondenten het helemaal eens met de eerste stelling en ook met de derde stelling. Daar zijn we natuurlijk blij mee, maar er zijn ook aandachtspunten: de tweede en de vierde stelling over de duidelijkheid respectievelijk de toonzetting van ons commentaar toonden ruimte voor verbetering. Met de tweede stelling waren namelijk 13 respondenten het helemaal eens en waren 8 het slechts een beetje eens; met de vierde stelling waren 14 respondenten het helemaal eens en 7 het slechts een beetje eens. We begrijpen deze getallen zo dat we als redactie duidelijker kunnen zijn in onze feedback en correcter in onze toon naar auteurs. Onze opbouwend bedoelde kritiek komt kennelijk nog niet altijd zo over, dus dat betekent werk aan de winkel. In de open commentaarvelden kregen we van respondenten bovendien vaak terug dat door de bomen van de grote hoeveelheid feedback soms het bos niet meer te zien viel. We pakken dit alles op met een aangepaste werkwijze, waarmee we auteurs in onze feedback meer proberen te leiden naar de hoofd- en bijzaken.
6. Wat zijn aandachtspunten?
Uit de analyse van de notulen en de auteurservaringen volgt dat het proces na toewijzing van een B of een C niet altijd scherp is genormeerd: wat moeten auteurs precies veranderen aan hun bijdrage? Soms was het auteurs niet duidelijk wat het gewicht van bepaalde feedback was, terwijl de verwerking van die feedback wel een rol speelt bij de verdere beoordeling. En wie kijkt er naar de verbeterde bijdrage, de hele redactie of slechts een of meer aangewezen ‘rapporteurs’? Hier kunnen we scherper en transparanter in opereren, en daarom hebben we onze processen onlangs aangepast om meer sturing te geven bij het herschrijven van de bijdrage. De aanpassing houdt in dat we bij bijdragen die serieuze herwerking nodig hebben een rapporteur aanwijzen die namens de redactie (en anoniem) het gebundelde commentaar stroomlijnt en samenvat voor de auteur. Wij hopen dat deze werkwijze de duidelijkheid ten goede komt en dus de kwaliteit van het beoordelingsproces en de tevredenheid van onze auteurs bevordert.
Waar we ook alert op moeten zijn en waarover binnen de redactie regelmatig wordt gediscussieerd, is (schijn van) vooringenomenheid van auteurs. Dit is een uitdaging, want we weten bij de beoordeling niet wie de auteur is. Maar als in een bijdrage vooral gepleit wordt in het voordeel van één soort belanghebbende, zoals slachtoffers of juist bedrijven, dan zijn we alert. We vermoeden dan wel eens dat sprake is van een praktijkjurist die probeert met de publicatie een debat te beïnvloeden in de richting van het standpunt van de eigen clientèle. Dat is op zichzelf niet verkeerd, want het juridisch discours is gebaat bij vrije gedachtevorming. Maar als het betekent dat naar resultaten wordt toegeschreven en argumentatie niet objectief, transparant of controleerbaar is, dan gaan we niet akkoord. Tegenargumenten mogen niet onder het tapijt verdwijnen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor cause lawyering door academici: mensen met een missie om de wereld te verbeteren, zijn van harte welkom om in het NTBR te publiceren, maar de hiervoor genoemde maatstaven blijven centraal staan.
We vragen overigens aan auteurs om transparant te zijn over eventuele betrokkenheid bij (rechts)zaken. We vragen daarom bij goedkeuring ook om een auteursverklaring in te vullen. Daarin wordt trouwens bovendien gevraagd naar het eventuele gebruik van AI bij totstandkoming.
Algemeen geldt dat het feit dat een artikel is gepubliceerd, weliswaar betekent dat we goed naar de onderbouwing hebben gekeken, maar uiteraard niet dat we de ingenomen standpunten delen. Het artikel is niet ons artikel, en zolang het aan de maatstaven voldoet, is het publicabel, ook als een of meer redactieleden een andere afslag zouden hebben genomen als zij de bijdrage zelf zouden hebben geschreven. Sterker nog: bij sommige inzendingen loopt de discussie binnen de redactie hoog op en jeuken de handen van redactieleden om een reactie te schrijven. Maar dat lijkt ons niet passen bij onze rol en dus doen we dat niet. Als lezers het doen, juichen we dat natuurlijk toe: door debat komen we verder.
7. Ten slotte
We hopen met het voorgaande duidelijk te hebben gemaakt hoe we te werk gaan en waar we op letten. Natuurlijk hopen we dat ons tijdschrift uitnodigend is voor lezers én auteurs. Maar omdat het altijd beter kan, hebben we ook een aantal aandachtspunten genoteerd waar we de komende tijd werk van maken. We nodigen lezers en auteurs dan ook graag uit om verbetersuggesties met ons te delen, via onze secretaris (e-mail: redactiesecretarisntbr@outlook.com). En natuurlijk nodigen we iedereen uit om bijdragen in te sturen naar het NTBR: samen brengen we ons vakgebied verder.