Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/155
155 Benchmarken
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365345:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Deze vorm van benchmarken kwam reeds aan bod in randnummer 93. De prestatie van de onderneming wordt vergeleken met de prestaties van vergelijkbare ondernemingen, om zodoende tot een relatieve ondernemingsprestatie te komen waarvan (een deel van) de variabele beloning van bestuurders af zal hangen.
Het eerste kritiekpunt dat aan bod komt ziet overigens op beide vormen van benchmarken.
Crystal 1991b, p. 14 en 15. Hier is overigens wel een verklaring voor te bedenken. De relatieve prestatie kan afhangen van de directe concurrenten, dus de referenten uit dezelfde industrie. Als echter wordt aangenomen dat iedere bestuurder bij iedere beursgenoteerde onderneming aan de slag kan, dan zal de hoogte van de beloning afhankelijk zijn van een benchmark waarin ook ondernemingen, die buiten de eigen industrie komen, zijn opgenomen. Zie voor het benchmarken voor relatieve ondernemingsprestatie randnummer 93.
Bij het bespreken van de argumenten voor het gebruikmaken van referentiegroepen is het van belang onderscheid te maken tussen twee verschillende vormen van benchmarken. De eerste vorm van benchmarken heeft betrekking op het verkrijgen van een overzicht van de verschillende bezoldigingsniveaus die worden betaald bij referenten. Op basis van deze vorm wordt de ex ante bezoldiging bepaald. Daarnaast bestaat een tweede vorm van benchmarken, die wordt gebruikt om de relatieve prestatie van de onderneming te meten.1 In het onderstaande zal ik mij beperken tot de eerste vorm van benchmarken.2
Opvallend is, dat voor de vaststelling van de hoogte van de bezoldiging vaak een andere referentiegroep wordt gebruikt dan voor het vaststellen van de prestatie van de onderneming. De beloningsconsultant en criticaster Graef Crystal schrijft in zijn boek ‘In Search of Excess’ uit 1991 al over de wijze waarop beloningsconsultants referentiegroepen gebruiken om een bepaalde vooraf overeengekomen hoogte van de bezoldiging te rechtvaardigen. Over het gebruiken van twee verschillende referentiegroepen voor het bepalen van de hoogte en het bepalen van de relatieve prestatie van de onderneming schrijft hij:
“Then the comparisons that ‘come out right’ – i.e., show that the company is indeed an above-average performer – will be trotted in front of the compensation committee to justify the above-average pay. It never seems to bother anybody that the companies on which the performance comparisons are based may not be the same as the companies on which the pay comparisons are based.”3