De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/209:209 Wesentliche Verschlechterung en schwere Unbilligkeit
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/209
209 Wesentliche Verschlechterung en schwere Unbilligkeit
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365355:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van deze gedachte wordt in Absatz 2 een regeling opgenomen op grond waarvan de bezoldiging van bestuurders kan worden aangepast, indien een dusdanig ‘wesentliche Verschlechterung’ van de toestand van de vennootschap optreedt dat doorbetaling een ‘schwere Unbilligkeit’ voor de vennootschap tot gevolg heeft. Er wordt benadrukt dat tot de toestand van de vennootschap niet alleen de belangen van de vennootschap zelf horen, maar ook de belangen van de werknemers. Aan het aanpassingsrecht van Abs. 2 komt dus een duidelijke sociaal-politieke betekenis toe.1 Op de raad van commissarissen rust de plicht in een dergelijk geval de bezoldiging aan te passen.
Deze regeling wil niet zeggen dat financiële moeilijkheden van de vennootschap op zichzelf een recht geven tot het korten van een overeengekomen nog te verwachten bezoldiging. Aanpassing van de bezoldiging mag slechts geschieden als aan beide vereisten is voldaan: (i) er moet sprake zijn van het intreden van een zodanig wezenlijke verslechtering in de omstandigheden van de vennootschap (ii) en door deze verslechtering kan het doorbetalen van de bezoldiging aangemerkt worden als zwaar onredelijk voor de vennootschap. Volgens de wetgever getuigt het in een dergelijk geval van een gezond mensbeeld dat de bestuurder ten gunste van de belangen van de vennootschap een bijzonder offer brengt. In een dergelijk geval zal ieder fatsoenlijk denkende bestuurder normaliter vrijwillig instemmen met een aanpassing van zijn bezoldiging. Het recht van de raad van commissarissen om eenzijdig de bezoldiging van bestuurders aan te passen, wordt door de wetgever dan ook gezien als een uiterste noodoplossing.2 Omdat de wetgever van mening is dat deze noodoplossing te allen tijde als stok achter de deur aanwezig moet blijven, is het aanpassingsrecht dwingend recht. Het kan noch in de statuten, noch in de (arbeids)overeenkomst met de bestuurder worden uitgesloten.