Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/4.3.4:4.3.4 Tussenconclusie periode II
Morganatisch burgerschap 2019/4.3.4
4.3.4 Tussenconclusie periode II
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181130:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze tweede periode valt op dat de LGO-besluiten van 1980 en 1986 vrijwel identiek zijn aan de overeenkomsten die werden gesloten met de geassocieerde staten. Bij het LGO-besluit van 1991 werd op initiatief van het Koninkrijk afgezien van deze lijn. Het steeds nauwer aansluiten van de LGO- besluiten bij de Yaoundé en Lomé Overeenkomsten bracht immers volgens het Koninkrijk met zich dat de LGO-regeling zich in aanzienlijke mate had verwijderd van de strekking en inhoud van de rechtsgrondslag van het LGO- regime in het Verdrag. Op grond van deze constatering, die later ook werd gedeeld door de Commissie, is getracht het nieuwe zesde LGO-besluit in overeenstemming te brengen met de LGO-doelstalling van het E(E)G-Verdrag. Het zesde LGO-besluit brengt nieuwe handelsmogelijkheden met zich voor de LGO. Zo konden de LGO-goederen rechtenvrij de E(E)G-markt invoeren. De Italiaanse delegatie maakte echter na de inwerkingtreding van het zesde LGO- besluit bezwaar tegen de minder restrictieve opstelling van de Gemeenschap jegens de LGO. Volgens Italië zorgen de nieuwe handelsmogelijkheden voor de LGO voor een ernstige verstoring van de gemeenschappelijke markt, omdat ACS- producten, met name rijst en suiker, na een toereikende bewerking in de LGO zonder beperkingen toegang krijgen tot de gemeenschappelijke markt. Deze omleiding van het handelsverkeer diende te worden voorkomen of enigszins verlicht volgens meerdere lidstaten en de Commissie. Aan dit bezwaar werd getracht tegemoet te komen door het LGO-besluit van 1991 tussentijds te herzien in 1997.
De rechtspraak van het Hof inzake de LGO begint in de tweede periode geleidelijk op gang te komen. Met name het LGO-besluit uit 1986 vormde aanleiding voor de uitspraken Kaefer en Procacci en Leplat. Hoewel het Hof van Justitie in Kaefer en Procaci niets zegt over de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht in zijn algemeenheid, verduidelijkt het wel enkele veronderstellingen. Ten eerste oordeelt het Hof van Justitie dat rechterlijke instanties van de LGO aan te merken zijn als rechterlijke instanties in de zin van art. 177 EEG- Verdrag, thans art. 267 VwEU, dat buiten Deel IV EEG-Verdrag resp. VwEU valt. Het gevolg daarvan is dat LGO-rechters prejudiciële vragen kunnen stellen aan het Hof van Justitie. Ten tweede geeft het Hof van Justitie aan dat het concept van de ‘rechtstreekse werking’ van toepassing is op de LGO. Dientengevolge kunnen particulieren voor een overzeese LGO-instantie zich beroepen op het Gemeenschapsrecht dat de LGO bindt, bijvoorbeeld een LGO-besluit. In Leplat formuleert het Hof van Justitie de hoofdregel dat bepalingen van de Verdragen zonder uitdrukkelijke verwijzing niet van toepassing zijn op de LGO, en beperkt deze regel door gebruikmaking van het nuttig effect-concept van Deel IV EEG-Verdrag. In DADI lijkt het Hof van Justitie impliciet naar voren te brengen dat in geval van Richtlijn 92/46/EEG tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelende melk en producten op basis van melk, de LGO gelijk kunnen worden gesteld aan derde landen. Ook de LGO dienen namelijk zich te houden aan gezondheidsvoorschriften die worden vereist voor verschillende producten die de Gemeenschap binnentreden. Daarnaast beklemtoont het Gerecht in Antillean Rice Mills dat de Unieorganen en -instellingen de beginselen waar de Unie op is gestoeld, en die met name worden genoemd in Deel I VwEU, in acht dienen te nemen bij het vaststellen van bijvoorbeeld beschikkingen of besluiten ten aanzien van de LGO.
In deze tweede periode worden de LGO derhalve meer op de Gemeenschapsagenda geplaatst. In zowel de LGO-besluiten, in het bijzonder het besluit uit 1991, als de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt aandacht besteed aan de vraag welk deel van het Gemeenschapsrecht de LGO bindt en wat de positie van deze gebieden is in het Gemeenschapsrecht. Interessant is dat de rechtspraak van het Hof van Justitie op gang lijkt te komen op het moment dat er discussie wordt gevoerd, op initiatief van het Koninkrijk der Nederlanden, met betrekking tot het loskoppelen van de LGO van de ACS. Het lijkt erop dat gedurende deze tijd de instellingen van de Unie, van de lidstaten en van de LGO zich bewust worden van de omstandigheid dat de LGO een eigen, zelfstandige notie is in het Gemeenschapsrecht, die los staat van de ACS. In de volgende paragraaf wordt deze ontwikkeling van de LGO verder uiteengezet.