Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/337
337 Vertegenwoordigingsbevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367852:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Bennaars 2015, p. 138, 139 en 140; Meijer-Wagenaar 2014, p. 118, 119 en 124; Bennaars & Vestering 2010, p. 15/16; Meijer-Wagenaar 2006, p. 683 en 685; Huizink 1989, p. 8 e.v. en p. 64.
Ook door Huizink, Meijer-Wagenaar en Bennaars.
Zie onder andere art. 2:130 lid 1 BW. Daarbij dient te worden opgemerkt dat een beperking van de bevoegdheid van het bestuur die ‘uit de wet voortvloeit’ niet expliciet uit de wet hoeft te blijken, maar ook kan volgen uit het systeem van de wet. Zie Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 235.1. Dortmond maakt onderscheid tussen rechtshandelingen waartoe het bestuur absoluut onbevoegd is en rechtshandelingen die het bestuur volgens de wet of de statuten slechts kan verrichten met toestemming of goedkeuring van een ander orgaan. Als bijzondere categorie noemt hij verder nog rechtshandelingen die het doel van de vennootschap overschrijden.
HR 15 april 2005, JOR 2005/145 (Unidek) en HR 15 april 2005, JAR 2005/153 (Ciris/ Bartelink).
Zie onder 2.10 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 15 april 2005, JOR 2005/ 144 en 145 m.nt. Witteveen (Unidek). Gewezen kan overigens worden op het woordje ‘alleen’ waardoor gedacht kan worden dat de aandeelhoudersvergadering naast het bestuur vertegenwoordigingsbevoegd is. Zoals ik verderop zal betogen is daarvan geen sprake en ligt deze vertegenwoordigingsbevoegdheid in beginsel exclusief bij de AVA.
Zie HR 15 april 2005, JAR 2005/117 (Unidek); HR 15 april 2005, JAR 2005/153 (Ciris/ Bartelink). Zie over de bezoldiging in gelijke zin Verburg 2015, p. 71.
Zie hierover meer uitgebreid randnummer 338.
Meijer-Wagenaar 2006, p. 683.
Meijer-Wagenaar 2006, p. 683 en 685. Het bestuur is volgens haar bevoegd, behoudens afwijking in verband met tegenstrijdige belangen. “Het bestuur of de bevoegde bestuurder (dan wel de raad van commissarissen dan wel een door de AVA aangewezen vertegenwoordiger in verband met tegenstrijdige belangen) vertegenwoordigt de vennootschap bij het aangaan van de overeenkomst”. Meijer-Wagenaar gaat hier uiteraard nog uit van de oude, in 2006 geldende, tegenstrijdig belangregeling.
Bulten verwijst ook naar lid 3 (van 2:240 BW) maar stelt juist dat het bestuur niet bevoegd is. Zie haar noot bij Hof Arnhem Leeuwarden 15 januari 2013, JOR 2013/331 (NTI/Vernhout), waarin zij stelt: “De aandeelhoudersvergadering of het statutair aangewezen orgaan is met uitsluiting van het bestuur bevoegd (zie art. 2:240 lid 3 BW) de vennootschap te vertegenwoordigen bij het toekennen van een bezoldiging aan een individuele bestuurder. Dit geldt eveneens voor het aangaan van de arbeidsovereenkomst.” Wellicht is hier sprake van een verschrijving en moet lid 1 worden gelezen in plaats van lid 3.
Meijer-Wagenaar 2006, p. 683 en 685; Meijer-Wagenaar 2014, p. 118, 119 en 124.
Ook is de variant denkbaar dat de vennootschap wordt gebonden aan de bezoldiging zoals vervat in het bezoldigingsbesluit vanwege de direct externe werking en het bezoldigingsbesluit daarnaast als uitwerking heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur wordt beperkt ex 2:130 lid 3 BW. Beide varianten lijken mij omslachtig en onjuist.
Zoals eerder aangegeven laat de Hoge Raad in het ERTCC-arrest – dat zag op het destijds geldende recht in de Nederlandse Antillen – in het midden of er sprake is van een beperking van de gehele vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of slechts van de omvang van deze bevoegdheid, HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5554, r.o. 3.3.2 (ERTCC).
Zie Rechtbank Rotterdam 27 juli 2011, JOR 2011/359 m.nt. Verburg (SBM Offshore). In NTI/Vernhout oordeelde het hof daarentegen dat de bezoldigingsafspraken in de arbeidsovereenkomst nietig zijn, indien deze afspraken niet zijn aangegaan door het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging op grond van art. 2:135/245 BW vast te stellen. Het hof laat in NTI/Vernhout overigens in het midden of er sprake was van een vaststellingsbesluit. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, JOR 2013/331 m.nt. Bulten (NTI/ Vernhout), r.o. 4.10.
Hof Amsterdam 12 augustus 2008, JOR 2008/264 m.nt. Leijten (Tiscali), r.o. 4.2. “Bij de beantwoording van deze vraag gaat het hof (mede in verband met het verweer van Tiscali en slechts veronderstellenderwijs) ervan uit dat Tiscali partij is geweest bij de overeenkomst waarop [Spuijbroek, ECHJL] zich beroept en dat [Huisman, ECHJL] krachtens artikel 2:240 lid 3 BW bevoegd was namens Tiscali de bezoldiging van bestuurders vast te stellen.”
Opgemerkt dient te worden dat Huisman ook één van de drie bestuurders was van Tiscali International B.V., de enig aandeelhouder van Tiscali. In die hoedanigheid zou hij dus wel de bezoldiging kunnen vaststellen. Uiteindelijk zou die route Huisman en zijn vrouw weinig hebben geholpen, aangezien het hof oordeelde dat Spuijbroek geen beroep toekwam op nakoming omdat dit op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Zie Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2017, nr. 45; Zie Van der Heijden/Van der Grinten 1946, p. 398.
Zie in gelijke zin Verburg 2015, p. 71; Bulten 2014, p. 107; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 329 en 428; Van Slooten & Zaal 2008, p. 298/299; Anders: Asser/Maeijer 2000, nr. 310; Bennaars & Vestering 2010, p. 15/16; Meijer-Wagenaar 2006, p. 687; Meijer-Wagenaar 2014; Impliciet ook Huijgen/Lennarts 2013. Van der Grinten concludeerde overigens al halverwege de vorige eeuw: “In dit geval treedt voor de n.v. de algemeene vergadering op, daar deze de n.v. bij het aangaan van de overeenkomst met den bestuurder vertegenwoordigt.” Zie Van der Heijden/Van der Grinten 1946, p. 398. Hieruit vloeide voort dat ook in de gevallen dat de benoeming van bestuurders door de raad van commissarissen geschiedde, de wettelijke regel van toepassing bleef dat de bezoldiging werd vastgesteld door de algemene vergadering. Van der Heijden/Van de Grinten 1971, p. 108. Zie ook Timmerman over art. 2:245 BW waarbij het gaat over de tantième van een ontslagen bestuurder. Hij schrijft: “Zo’n overeenkomst behoeft de goedkeuring van de aandeelhouders.” Timmerman 1993. Dit laat overigens onverlet dat het kan voorkomen dat in de overeenkomst tevens bepalingen kunnen zijn opgenomen die niet vallen onder de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het orgaan dat de bezoldiging mag vaststellen (lees: andere afspraken die geen betrekking hebben op de bezoldiging). Bij beursgenoteerde ondernemingen zal de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten aanzien van deze andere afspraken vaak ook bij de raad van commissarissen liggen. Indien dit niet het geval is, dan is het tevens mogelijk dat één van beide organen namens de ander tekent bij volmacht.
Er bestaat over het algemeen dus eensgezindheid over het aanmerken van art. 2:132 lid 1 BW en 2:135 lid 4 BW als vertegenwoordigingsbepalingen. Desalniettemin heerst er nog steeds onduidelijkheid over hoe deze vertegenwoordigingsbevoegdheden zich verhouden tot de bevoegdheid tot het aangaan van de (arbeids)overeenkomst. Uit de literatuur blijkt dat verschillende auteurs de mening zijn toegedaan dat het bestuur (en dus ook iedere bestuurder) op grond van de gewone vertegenwoordigingsregels van art. 2:130 BW in beginsel bevoegd is de (arbeids)overeenkomst met een (beoogd) medebestuurder aan te gaan.1 Deze gedachte bevreemdt mij. Het bestuur vertegenwoordigt immers de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. In de literatuur is algemeen aanvaard dat de wettelijke regels omtrent het benoemen, ontslaan en bezoldigen van bestuurders dienen te worden aangemerkt als vertegenwoordigingsbepalingen.2 Deze bepalingen vallen mijns inziens dan ook onder de zinsnede ‘voor zover uit de wet niet anders voortvloeit’ waarmee wordt afgeweken van de normale vertegenwoordigingsregels, ex art. 2:130 BW.3
Het doortrekken van een expliciet gegeven vertegenwoordigingsbevoegdheid naar de contractuele band tussen vennootschap en bestuurders volgt niet alleen uit de wet, maar eveneens uit de 15 april-arresten.4 A-G Timmerman nam in zijn conclusie bij Unidek aan dat uit het systeem van de wet voortvloeit dat de algemene vergadering niet alleen bevoegd is te besluiten over het vennootschapsrechtelijk ontslag van een bestuurder, maar tevens bevoegd is de (arbeids)overeenkomst te beëindigen. Deze gedachte is bevestigd door de Hoge Raad. Het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders wordt, evenals het benoemen van de accountant, door Timmerman op gelijke voet gezet met ontslag.
“De gedachte in het cassatiemiddel dat alleen het bestuur tot arbeidsrechtelijk ontslag bevoegd is, is onjuist. Op bepaalde punten ligt de vertegenwoordiging van een b.v. bij de aandeelhoudersvergadering. Ik noem bijvoorbeeld de benoeming van een accountant (art. 2:393, lid 1 en 2 BW) en het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders (art. 2:245 BW). Dit geldt ook voor het ontslag van de bestuurder, zoals dat in art. 2:244, lid 1 BW geregeld is [cursivering ECHJL].”5
Worden de overwegingen van de Hoge Raad over ontslag analoog toegepast op de benoeming en het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders – een mogelijkheid die Timmerman in zijn conclusie lijkt te suggereren en die, mijns inziens, eveneens volgt uit de wet – dan ligt de vertegenwoordigingsbevoegdheid om de (arbeids- of opdracht)overeenkomst te sluiten en de bezoldiging daarin op te nemen bij de AVA.6 Geheel vreemd is dit overigens niet. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging betekent immers dat degene bevoegd is de vennootschap te binden. Het zou juist opmerkelijk zijn wanneer het wettelijk systeem zou toelaten dat het ene orgaan kan vertegenwoordigen bij besluit, terwijl het andere orgaan vertegenwoordigingsbevoegd is een overeenkomst aan te gaan over hetzelfde onderwerp.7
Hieruit vloeit voort dat er sprake is van een wettelijke beperking van de (gehele) vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur ex art. 2:130 lid 1 BW en dus niet van een wettelijke beperking van de omvang of autonomie van de vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van art. 2:130 lid 3 BW, zoals Meijer-Wagenaar suggereert. Zij heeft daarmee de voorheen door Maeijer gebezigde opvatting voor ogen. Meijer-Wagenaar stelt dat bij het aangaan van de (arbeids)overeenkomst de normale regels van vertegenwoordiging zoals opgenomen in art. 2:130 BW gelden.8 Zij lijkt uit te gaan van een eenzijdige vaststelling van de bezoldiging door middel van een besluit door de algemene vergadering of het daartoe statutair aangewezen orgaan met daarnaast een arbeidsovereenkomst tussen de bestuurder en de vennootschap waarin tevens de bezoldiging wordt opgenomen. Volgens haar wordt de vennootschap bij het sluiten van deze overeenkomst in het algemeen vertegenwoordigd door het bestuur of de bevoegde bestuurder.9 De bevoegdheid die het bestuur en iedere bestuurder toekomt, is op grond van art. 2:130 lid 3 BW in beginsel onbeperkt en onvoorwaardelijk, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Volgens Meijer-Wagenaar moet art. 2:135 lid 4 BW gezien worden als een wettelijke beperking c.q. voorwaarde in de zin van art. 2:130 lid 3 BW.10 Het bestuur is volgens haar dus vertegenwoordigingsbevoegd op grond van de gewone vertegenwoordigingsregels, maar deze vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt beperkt door het vaststellingsbesluit dat wordt genomen door het orgaan dat ex art. 2:135 lid 4 BW bevoegd is.11 De ‘direct externe werking’ van het bezoldigingsbesluit ziet volgens deze gedachte dus niet op het verrichten van een vertegenwoordigingshandeling waarmee de vennootschap aan een bezoldiging wordt gebonden, maar op het beperken van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur.12
In de (beperkt aanwezige) rechtspraak is in een enkel geval navolging gegeven aan deze gedachte.13 Zo overwoog de rechtbank Rotterdam in de SBM Offshore-uitspraak dat, nu het vaststellingsbesluit rechtsgeldig genomen was door de raad van commissarissen, het bestuur bevoegd was op grond van de normale vertegenwoordigingsregels van art. 2:130 BW de overeenkomst met de individuele bestuurder te ondertekenen.14 Mijns inziens ten onrechte, zoals ik hierna uiteen zal zetten.
Het hof Amsterdam gaat in het Tiscali-arrest uit 2008 er “slechts veronderstellenderwijs” van uit dat één van de bestuurders van Tiscali, Huisman, bevoegd was een vertrekregeling aan te gaan met een andere bestuurder van Tiscali, Spuijbroek, tevens zijn echtgenote. Het hof baseert de vertegenwoordigingsbevoegdheid “mede in verband met het verweer van Tiscali” op grond van art. 2:240 lid 3 BW.15 Een betwisting van de stelling dat Huisman bevoegd was om als bestuurder van Tiscali op grond van art. 2:240 lid 3 BW de vertrekregeling met zijn medebestuurder aan te gaan, zou Tiscali mijns inziens hebben geholpen in haar verweer.16
Naar mijn mening geldt ten aanzien van art. 2:135 lid 4 BW, evenals bij benoeming en ontslag, derhalve dat dit artikel een extern werkende wettelijke beperking regelt op de normale vertegenwoordigingsregels ex art. 2:130 lid 1 BW. Het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging vast te stellen op grond van 2:135 lid 4 BW kan aldus als enige de vennootschap binden aan een bepaalde bezoldiging.17 Hieruit vloeit voort dat het desbetreffende orgaan naar mijn mening ook – bij uitsluiting van enig ander orgaan – bevoegd is bezoldigingsafspraken schriftelijk overeen te komen namens de vennootschap met de bestuurder.18