Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.6:5.6 Tot slot
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.6
5.6 Tot slot
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200826:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Veel officieren van justitie menen weliswaar dat de doorlooptijden in het strafrecht te lang zijn en onder hen is veel steun voor ZSM, maar zij zeggen niet dat het strafprocesrecht een overdreven grote nadruk legt op de bescherming van de verdachte.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met dit hoofdstuk kan deelvraag 2 van de onderzoeksvraag deels worden beantwoord: ‘Hoe beoordelen officieren van justitie en rechters de door politiemensen verwoorde opvattingen over het functioneren van het strafrecht en in hoeverre verschilt hun opvatting hierover van die van politiemensen?’ Veel officieren van justitie blijken in het algemeen tevreden te zijn over het functioneren van het strafrecht, maar een deel van hen is (erg) ontevreden over beslissingen in individuele zaken. Bovendien vormen de doorlooptijden in het strafrecht, in hun ogen vooral voortkomend uit onnodig aanhouden van zaken door de rechtbank en hardnekkige praktische problemen, voor vele officieren van justitie een bron van frustratie.
Terwijl aan het eind van hoofdstuk 4 een grootste gemene deler gevonden kon worden in de beschreven opvattingen van politiemensen over het strafrecht, is dat hier niet het geval. Opvallend is juist de verscheidenheid in opvattingen van officieren van justitie over een aantal klassieke thema’s in de strafrechtspleging: de toepassing van voorlopige hechtenis, de beoordeling van bewijs en de straftoemeting. Onderstaand worden deze verschillen kort samengevat.
Voorlopige hechtenis
Officieren van justitie verschillen van mening over de interpretatie van juridische kaders voor voorlopige hechtenis. Zo is er een kleine groep officieren die meent dat deze kaders strikt geïnterpreteerd moeten worden. Zij willen in lijn met de jurisprudentie dat terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van voorlopige hechtenis. Andere officieren zien juist aanleiding om de kaders niet als dwingend te beschouwen en zien voorlopige hechtenis soms eerder als voorschot op de straf.
Officieren van justitie blijken onderling verschillend op regels georiënteerd te zijn; ‘precies’ of juist ‘rekkelijk’ (vgl. De Groot-van Leeuwen, 1991: 178-179). De juridische eisen die door het strafrecht zijn gesteld aan voorlopige hechtenis dienen volgens sommige officieren van justitie ruim geïnterpreteerd te worden. Enkele officieren zeggen dat hun juridische beoordeling simpelweg afhankelijk is van een (moreel of gevoelsmatig) gewenste uitkomst en dat op grond daarvan weleens soepel met juridische kaders voor voorlopige hechtenis omgegaan moet worden. Het ervaren belang van repressie van crimineel gedrag krijgt hier voorrang op het belang van bescherming van individuele verdachten door middel van het strafrecht. Overigens wordt voorlopige hechtenis meestal als voorschot op de straf beschouwd, omdat men wil voorkomen dat verdachten hun ‘straf’ ontlopen. De betreffende officieren menen dat zittingsrechters te weinig en te lage (onvoorwaardelijke) gevangenisstraffen opleggen.
Bewijs
In het algemeen zijn officieren van justitie tevreden over de in hun ogen zorgvuldige wijze waarop in de strafrechtspraktijk met de beoordeling van bewijs wordt omgegaan. Sommigen vinden echter dat in individuele gevallen collega’s en vooral rechters te kritisch omgaan met de beoordeling van bewijs.
Er is onder officieren van justitie verschil van opvatting over de beoordeling van bewijs. Sommige officieren van justitie menen dat hiermee zeer kritisch moet worden omgegaan, vergelijkbaar met de beoordelingswijze van een rechter. Anderen vinden dat de officier van justitie ervan mag uitgaan dat de rechter vanwege zijn eindverantwoordelijkheid zaken kritischer beoordeelt dan de officier van justitie. Een officier kan in deze opvatting (sommige) twijfelgevallen toch bij de rechter laten voorkomen en ook bij twijfel een veroordeling eisen.
Opvallend is ook dat officieren van justitie het element overtuiging in het bewijsrecht onderling verschillend interpreteren. Volgens sommigen moet het niet (uitsluitend) worden beschouwd als een aansporing tot kritische reflectie op de gehanteerde bewijsconstructie, maar ook als een oordeelsruimte waarin op basis van common sense een ‘overtuigend’ scenario uit bewijsstukken kan ontstaan. In deze opvatting van het bewijsrecht is de kwaliteit van de bewijsconstructie niet altijd cruciaal. Soms gaat het erom of daartegen iets substantieels is ingebracht door de verdachte of zijn advocaat. Er lijkt dan ook een verschil te bestaan in de wijze waarop officieren van justitie op de bewijsbeslissing zijn georiënteerd. Er is een categorie officieren van justitie die nadruk legt op een probabilistische denkwijze en common sense. Daarnaast is er een categorie die meent dat zeer terughoudend met de interpretatie van bewijsstukken moet worden omgegaan. Zo staat tegenover de opvatting dat ‘alternatieve verklaringen’ vaker terzijde geschoven kunnen worden door de rechter, de opvatting dat de verklaring van een verdachte geregeld onaannemelijk wordt geacht op basis van twijfelachtige argumenten. Ook komt dit verschil bijvoorbeeld naar voren in opvattingen van officieren van justitie over het zwijgrecht. De ene officier van justitie beschouwt het zwijgrecht van de verdachte als fundamenteel, terwijl de ander omstandigheden onderkent waarin dit beginsel zijn absolute werking zou moeten verliezen bij de beoordeling van bewijs.
Straffen
In het algemeen zijn de geïnterviewde officieren van justitie tevreden met de in Nederland opgelegde straffen. Wel blijkt een deel van hen het in individuele gevallen niet met de opgelegde straf eens te zijn, die ze dan meestal te laag vinden. Daarbij gaat het vooral om de strafrechtelijke aanpak van recidivisten en veelplegers. Een deel van de officieren wil meer nadruk leggen op de door de samenleving ervaren overlast van vooral kleine criminaliteit, in plaats van op de ernst daarvan zoals die is uitgewerkt in de strafmaxima. Zij pleiten voor een hardere aanpak: minder taakstraffen, hogere (gevangenis)straffen en uitbreiding van de ISD-maatregel. Volgens andere officieren van justitie is juist onder invloed van de huidige ISD-maatregel de strafrechtelijke aanpak van recidivisten en veelplegers al veel verbeterd. Volgens sommigen zou in plaats van een hardere aanpak juist aandacht gewenst zijn voor ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ en alternatieven voor strafrechtstoepassing.
Due process, crime control en strafdoelen in opvattingen van officieren van justitie
Onder officieren van justitie bestaan verschillende opvattingen over hoe voorlopige hechtenis en strafrechtelijk bewijs beoordeeld dienen te worden. Hierin komt het spanningsveld tussen de due process en crime control modellen van Packer (zie hoofdstuk 2) naar voren. In lijn met het ideaal van due process wil een deel van de officieren van justitie kritisch omgaan met het interpreteren van bewijsstukken en met het overnemen van interpretaties van de politie. Zij hebben begrip voor rechters die terughoudend zijn met het trekken van conclusies uit bewijs. Voor deze categorie officieren van justitie speelt de waarborgfunctie van het strafrecht een belangrijke rol in vergelijking met de instrumentele functie ervan.
Ook het crime control model is deels herkenbaar in de beschreven opvattingen in dit hoofdstuk. Alvorens hierop nader in te gaan, moet worden opgemerkt dat de principiële keuze die in het crime control model wordt gemaakt, niet letterlijk is uitgesproken tijdens de interviews. Deze principiële keuze is dat de bescherming van burgers door het zo effectief mogelijk tegengaan van criminaliteit, ten koste mag gaan van de bescherming van individuele verdachten. Dit betekent dat zoveel mogelijk moet worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van het feitenonderzoek door de politie en dat latere formele processtappen tot het minimum beperkt moeten blijven. Het crime control model gaat over de inrichting van het strafproces en over de feitelijke invulling die daaraan wordt gegeven. Met name dit laatste, het feitelijke functioneren van het strafrecht, krijgt kritiek van een deel van de officieren van justitie.1
Ervaren wordt dat rechters anders zijn gaan werken. Het werken met alternatieve scenario’s versterkt de taak die de rechter in het due process model is opgedragen om onderzoek te (laten) doen, zolang de verdachte wijst op mogelijke onjuistheden in de bewijsvoering (zie ook hoofdstuk 2). Zo wordt de positie van de verdachte in het strafproces versterkt. Echter, volgens sommige officieren van justitie zijn rechters in hun zorgvuldigheid bij de beoordeling van bewijs doorgeschoten. Zij vinden niet dat criminaliteitsbestrijding, zoals in het due process model onmogelijk is geworden; wel menen ze dat deze teveel wordt bemoeilijkt doordat steeds hogere eisen worden gesteld aan het aangeleverde bewijs. Zoals Packer al stelde zijn officieren van justitie vaak eerder dan de rechter van oordeel dat een strafzaak kan worden beëindigd (‘eindigheid van procedures’; zie crime control model in hoofdstuk 2).
Opvattingen van sommige officieren van justitie over de sepotbeslissing geven aan dat zij, in lijn met Packers crime control model, geen obstakels wensen in de afhandeling van strafzaken: zij willen de beoordeling van het bewijs soms overlaten aan rechters, ook als voorafgaand aan het strafproces twijfels bestaan over de bewijsbaarheid van de strafbare feiten. Iets soortgelijks is aan de hand met de manier waarop naar ZSM wordt gekeken. Sommige officieren van justitie zeggen omwille van de door ZSM geboden efficiëntie voor lief te nemen dat de verdachte het gevoel kan krijgen een strafbeschikking te moeten accepteren.
Packers theorie moet op basis van dit hoofdstuk worden aangevuld. De verschillende hier beschreven opvattingen hebben niet uitsluitend betrekking op de inrichting van het strafproces en op spanningen tussen de verschillende onderdelen van het strafrechtsysteem (politie, OM en rechtspraak), zoals Packer dacht (zie hoofdstuk 2). Dit onderzoek geeft aan dat deze spanningen zich eveneens binnen de verschillende strafrechtelijke instituties kunnen voordoen. Zo is er binnen het OM verschil van opvatting over juridische vraagstukken. Daarbij gaat het om de interpretatie van de juridische kaders voor voorlopige hechtenis, om het element overtuiging in het bewijsrecht en bijvoorbeeld over de interpretatie van een alternatieve verklaring die een verdachte geeft nadat zijn dossier volledig beschikbaar is gekomen.
Door sommige officieren van justitie wordt van rechters verwacht dat zij zich in een deel van de gevallen gemakkelijker laten overtuigen van de schuld van een verdachte. Niet simpelweg een schuldpresumptie of een streven naar routinisering en uniformiteit, zoals in het crime control model, maar de overtuigingskracht van plausibele scenario’s lijkt officieren van justitie tot deze opvatting te bewegen. Het gaat hier dus niet (uitsluitend) om de pragmatische keuze van het crime control model om uit te gaan van de betrouwbaarheid van het feitenonderzoek door de politie, maar om een andere opvatting over hoe bewijs beoordeeld moet worden. Het element overtuiging in het bewijsrecht wordt niet in de eerste plaats opgevat als een moment voor kritische reflectie op de gehanteerde bewijsconstructie, maar als een oordeelsruimte op basis van common sense, waarin ook een geringe onzekerheid toelaatbaar is. Zoals Packers theorie wel aangeeft kan volgens deze opvatting ook de overtuiging die politiemensen hebben gekregen uit opsporingsonderzoek een rol spelen.
Een deel van de officieren van justitie is van opvatting dat voorlopige hechtenis ruim toegepast dient te worden. De achtergrond hiervan is niet (expliciet) zoals in het crime control model dat officieren van justitie een ‘uitgekleed’ strafproces voorstaan, waarin criminaliteit ‘efficiënt’ wordt tegengegaan en verdachten zonder veel gedoe vastgezet kunnen worden. Wel meent een deel van de officieren van justitie dat voorlopige hechtenis ruimer toegepast moet worden dan de juridische kaders eigenlijk toestaan. Deze opvatting (vanzelfsprekend vormt deze een inbreuk op het ideaal van due process) is ingegeven door onnodig lange doorlooptijden, morele overwegingen en de ervaren noodzaak van expressieve bevestiging van maatschappelijke normen via het strafrecht. Hier is duidelijk sprake van een overeenkomst met de in het vorige hoofdstuk beschreven opvattingen van politiemensen. Ook is herstel van het gezag op straat voor sommige officieren een overweging, net als voor politiemensen.
Eventuele alternatieve afdoeningsmogelijkheden en strafrechtelijke sancties staan voor een klein deel van de officieren zoveel mogelijk in het teken van het voorkomen van criminaliteit op lange termijn. De delinquent dient daartoe met zichzelf aan de slag te kunnen gaan zodat een gedragsverandering wordt bereikt. Andere officieren van justitie willen eveneens dat de strafrechtspleging een bijdrage levert aan het tegengaan van criminaliteit, maar benadrukken ook andere in hun ogen belangrijke functies van het strafrecht en staan daarmee eerder een ‘harde aanpak’ voor. Daarbij gaat het niet alleen om de instrumentele doelen incapacitatie en afschrikking, maar eveneens om vergelding of het herstellen van de morele balans. Niet simpelweg due process en crime control, in de betekenis van repressie staan tegenover elkaar. Er moet om de opvattingen van officieren van justitie over het strafrecht te begrijpen onderscheid worden gemaakt tussen officieren die op een ‘harde aanpak’ en anderen die meer op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ zijn gericht. Daarbij blijkt dat ook een alternatieve, niet-strafrechtelijke afdoening in de ogen van sommige officieren van justitie instrumenteel kan zijn voor het tegengaan van criminaliteit (crime control).
De genoemde aanvullingen op Packers due process en crime control modellen roepen de vraag op naar onderlinge relaties tussen opvattingen. Opvattingen van officieren van justitie over beoordeling van bewijs en regels voor voorlopige hechtenis, lijken onder te verdelen in twee categorieën. Volgens de eerste categorie officieren dient hiermee terughoudend, kritisch en strikt te worden omgegaan. De tweede categorie meent dat de gelegenheid moet worden genomen om bewijsmateriaal en regels ruim te interpreteren. Uit de uitgevoerde interviews blijkt geen duidelijke relatie tussen deze opvattingen en de opvattingen die officieren van justitie hebben over strafdoelen. Dit betekent dat het onderscheid tussen een ‘harde aanpak’ en ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ als aanvullend kader nodig is om de verzamelde opvattingen over het functioneren van strafrecht te kunnen vatten in een overzichtelijk model. In hoofdstuk 7 worden de opvattingen in de drie onderzochte groepen vergeleken en wordt een groepsoverstijgende typologie gepresenteerd.