Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.2:6.3.2 Wettig én overtuigend bewijs
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.2
6.3.2 Wettig én overtuigend bewijs
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200759:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk kwam naar voren dat officieren van justitie menen dat er vaak verschillend wordt geoordeeld over de bewijsconstructie in strafzaken, waarbij rechters hier vaker dan officieren van justitie twijfels bij zouden hebben. Ook veel rechters blijken dit verschil met officieren van justitie te ervaren. Zij zeggen bij de bewijsbeslissing vaak wel een kleine onzekerheidsmarge te willen hanteren, of als het ware een sprong te willen maken, maar dat de onzekerheid die officieren accepteren wanneer het bewijs op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, nog groter zou zijn.
‘Het lef dat [door politie en OM] wordt verlangd van rechters verwijst naar het maken van het laatste sprongetje. We nemen dat sprongetje vaker dan officieren misschien denken. Maar [we maken niet zulke grote sprongen] als wel wordt gewenst. Dat verschil voel ik ook wel. Het doet zich voor in zaken waar er bewijs ligt, maar als de vraag is waarvoor. Is wat we hier hebben bewijs voor de tenlastelegging van de officier van justitie of voor iets totaal anders? Dan komt het inderdaad aan op de visie van de rechter.’
Ook tussen rechters onderling zou een dergelijk verschil bestaan. Zo kan het voorkomen dat een verdachte door de rechtbank wordt veroordeeld, terwijl de officier van justitie (gedeeltelijk) vrijspraak eiste: ‘Onlangs heeft de rechtbank twaalf woninginbraken aan elkaar geknoopt, terwijl de officier bij de helft wilde vrijspreken.’ Hoewel veel rechters zeggen terughoudend te willen omgaan met de interpretatie van bewijsmiddelen, wordt door hen ook regelmatig gesteld dat het bewijsrecht slechts weinig houvast biedt. Voor hen staat vast dat bewijswaardering een kwestie is van ‘mensenwerk’: er moeten inschattingen en afwegingen worden gemaakt die per rechter verschillend kunnen uitvallen. Het element overtuiging in het bewijsrecht kan daarbij een grote rol spelen.
‘Bewijswaardering is ontzettend lastig. We hebben een heel simpel bewijsrecht. Je hebt meer dan één bewijsmiddel nodig, maar het tweede bewijsmiddel kan een detail betreffen. Dat zie je bijvoorbeeld in zedenzaken. Het belangrijkste is: heb je de overtuiging? Bij die overtuiging reageren rechters verschillend. Je brengt je eigen achtergrond en denkwijze mee.’
‘Het doet er wel degelijk toe of Marietje of Pietje daar zit. We hebben basisuitgangspunten maar we zijn niet hetzelfde. De één veroordeelt sneller, de ander spreekt sneller vrij. Het ligt niet mijlenver uiteen, maar het is wel een feit.’