Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.4.1
18.3.1.4.1 Informatieplicht wijkt voor strafrechtelijk zwijgrecht
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495969:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin: De Bree 2010, p. 159. Voorts Van Kempen 2011, p. 13, en Koops 2000, p. 34.
HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 629 (m.nt. Corstens).
In deze zin Corstens in zijn noot onder het arrest. Schrijver wijst meer in het algemeen erop dat in geval van onverenigbaarheid in het concrete geval van een nationale bepaling met een verdragsbepaling deze laatste voorrang krijgt op grond van art. 94 Gw, en dat bij een conflict tussen twee nationale bepalingen van gelijke rangorde moet worden bezien of er sprake is van voorrang op grond van de lex specialis-regel (een op bijzondere gevallen betrekking hebbende wet stelt bij inconsistentie de meer algemene buiten werking) of de lex-posterior-regel (nieuwe wetgeving gaat vóór oudere die daarmee inconsistent zijn).
HR 16 september 2008, VR 2009, 24.
Hof Arnhem 3 februari 1987, NJ 1988, 269.
Zie eerder Wattel, aant. bij HR 26 april 1988, FED 1988/716, pt. 2. Schrijver meent dat de waarborgen voor de verdachte (in het bijzonder art. 29 Sv) prevaleren boven zijn meewerk- en informatieplichten in de administratieve sfeer: voor zover zij strijden, gaan de waarborgen voor en wijken de plichten. Dit betekent concreet, aldus Wattel, dat de verdachte tijdens verhoor ondanks een bestuurlijke informatieplicht straffeloos mag weigeren te antwoorden op vragen die betrekking hebben op diens betrokkenheid bij strafbare feiten.
In § 14.6.5.3 kwam ter sprake dat moet worden aangenomen dat de strafkamer van de HR dit laatste toestaat.
Zie § 16.4 hiervoor.
Bij samenloop met een wettelijke informatieplicht, vat de strafkamer van de HR het strafrechtelijk zwijgrecht onverkort op als een recht te zwijgen, dat wil zeggen als weigeringsgrond voor medewerking.1 In verhoorsituaties zal een (wettelijke) informatieplicht dus moeten wijken voor het zwijgrecht.2 Instructief is de uitspraak van 26 oktober 1993, nr. 94 871. Daarin bespreekt de strafkamer van de HR de verenigbaarheid van de spreekplicht ex art. 41 Wvw (oud) (thans art. 165 Wvw) met achtereenvolgens art. 6 EVRM, art. 14, lid 3, sub g IVBPR en art. 29 Sv.3 In de uitspraak bakent de strafkamer het werkingsgebied van de beide bepalingen (verder) af door middel van interpretatie. In de gegeven omstandigheden brengt redelijke wetstoepassing mee, dat art. 41 lid 1 Wvw niet geldt. Materieel gezien geeft de strafkamer dus voorrang aan art. 29 Sv.4 Dit oordeel wordt nadien bevestigd in haar uitspraak van 16 september 2008, nr. 00431/07.5
Tot een vergelijkbaar resultaat kwam eerder Hof Arnhem in zijn uitspraak van 3 februari 1987, nr. 1987-02-03/NJ_63150 (a contrario). Daarin verwerpt het Hof het beroep van een gefailleerde (tevens verdachte) op het zwijgrecht ex art. 29 Sv. Voor zover de curator binnen de grenzen van zijn in de wet omschreven taak en bevoegdheden inlichtingen en medewerking verlangt, kan de verdachte zich daar niet aan onttrekken met een beroep op het beginsel van art. 29 Sv, tenzij de vragen van de curator tot doel hebben strafrechtelijk bewijs bijeen te brengen tegen hem. Daarbij wijst het Hof erop dat art. 29 Sv alleen geldt in het kader van een strafrechtelijk verhoor ten overstaan van de (verhorend) rechter of ambtenaar.6
Fiscale spreekplicht ex art. 47, lid 1, onder a AWR
Hoewel de strafkamer van de HR zich bij mijn weten hierover tot op heden niet specifiek heeft uitgelaten, moet reeds op grond van de zojuist genoemde uitspraken worden aangenomen dat het strafrechtelijk zwijgrecht ook geldt voor vragen van fiscaal opsporingsambtenaren omtrent de betrokkenheid bij een strafbaar delict, terwijl het gevraagde (mede) een fiscaal heffingsbelang vertegenwoordigt.7 Dit kan spelen wanneer opsporingsbevoegdheden mede voor fiscale toezichtsdoeleinden worden uitgeoefend (zie § 18.3.1.4.2 hierna).8
Ter vergelijking: het boeterechtelijk zwijgrecht is beperkt tot zuivere boete- of schuldvragen ofwel vragen zonder enig heffingsbelang. Bij dreigende boeteoplegging moeten vragen van fiscaal controleambtenaren met een heffingsbelang volgens de belastingkamer van de HR wel steeds worden beantwoord.9