HR, 27-05-2025, nr. 23/04121
ECLI:NL:HR:2025:819
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
23/04121
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Politierecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:819, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:108
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1966, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2025:108, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:819
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑09‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0187
NJ 2025/272 met annotatie van N. Jörg
NTS 2025/45
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. verkoop en invoer van cocaïne, art. 10a.1.1 en 10a.1.2 Opiumwet. 1. Is bij de door opsporingsambtenaren verrichte handelingen sprake geweest van pseudo-dienstverlening a.b.i. art. 126i Sv? 2. Kon optreden van opsporingsambtenaren mede plaatsvinden o.g.v. art. 3 Politiewet? Ad 1. Art. 126i Sv betreft o.m. bevoegdheid tot pseudo-dienstverlening. Hiervan is sprake bij het door opsporingsambtenaar aan verdachte verlenen van dienst. Gelet op wetsgeschiedenis bij art. 126i Sv (waarin als voorbeeld wordt gegeven het te huur aanbieden van loods en waarin wordt gewezen op toepasselijkheid van strafuitsluitingsgrond van art. 43 Sr in relatie tot het handelen van pseudo-dienstverlener) gaat het bij pseudo-dienstverlening in de regel om gedraging van opsporingsambtenaar waarmee het begaan van strafbaar feit wordt gefaciliteerd. Daarbij is onderscheid met stelselmatige inwinning van informatie a.b.i. art. 126j Sv erin gelegen dat bij die informatie-inwinning niet wordt deelgenomen aan het plegen of beramen van strafbare feiten. Hof heeft o.g.v. zijn vaststellingen in bewijsvoering geoordeeld dat het optreden van opsporingsambtenaar, dat in de kern niet meer dan passief optreden als tussenpersoon inhield, niet kan worden aangemerkt als pseudo-dienstverlening a.b.i. art. 126i Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Enkele omstandigheid dat politie i.h.k.v. inzet van opsporingsambtenaren zelf term ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, was geen beletsel voor hof om tot eigen waardering en kwalificatie van het optreden van opsporingsambtenaren te komen. Ad 2. Voor niet specifiek in wet geregelde manier van opsporing moet worden aangenomen dat opsporingsambtenaren o.g.v. art. 3 Politiewet en art. 141 en 142 Sv alleen bevoegd zijn haar in te zetten op wijze die beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor integriteit en beheersbaarheid van opsporing (vgl. HR:2014:1563). ‘s Hofs oordeel over grondslag van optreden van opsporingsambtenaren houdt in de kern in dat dit optreden aanvankelijk heeft plaatsgevonden o.g.v. art. 3 Politiewet en vervolgens (voorafgaand aan tweede ontmoeting) mede o.g.v. het door OvJ gegeven bevel stelselmatige informatie-inwinning. Bij oordeel dat, voordat bevel was afgegeven, optreden kon worden gebaseerd op art. 3 Politiewet heeft hof in aanmerking genomen dat bij die werkwijze slechts beperkte inbreuk is gemaakt op persoonlijke levenssfeer van verdachte. Dit oordeel getuigt, mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld en in het licht van wetsgeschiedenis bij art. 126i Sv, niet van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van ‘s hofs vaststellingen in zijn bewijsvoering niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 22/02677 en met 23/04128 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04121
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2023, nummer 22-000665-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. van Reydt, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar slechts wat de beslissing van het hof met betrekking tot de onder parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen betreft en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag , teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing op een gevoerd verweer
2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander heeft/hebben getracht daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte met dit doel de contactgegevens van een leverancier van cocaïne uit Colombia verkregen en;
- anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, mede te plegen, en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s);
- met dit doel contact gehad met een persoon, bekend als ‘ [betrokkene 1] ’, die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en;
- onderhandeld met deze persoon over de aankoop van een hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne en/of over de aankoop van een deel daarvan, te weten een hoeveelheid van 250 kilo cocaïne en;
- contact gehad met een tussenpersoon, te weten [verbalisant 2] en een ontmoeting met [verbalisant 2] georganiseerd met het doel om geld te tonen en;
- contact gehad met personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of het verzamelen van het geld benodigd voor de aankoop van cocaïne;
- zijn, verdachtes, woning beschikbaar gesteld voor besprekingen en/of ontmoetingen over het verkopen en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 september 2023, inhoudende:
(...)
U zegt dat uit het dossier kan blijken dat er 2 besprekingen, op 23 en 28 juni 2017, met de WOD’er, [betrokkene 2] , bij mij thuis zijn geweest en dat ik daarbij aanwezig was. Dat klopt, ik was erbij. Ik heb mijn huis ter beschikking gesteld aan [medeverdachte] omdat hij slecht ter been is. Hij vroeg of hij bij mij met iemand kon afspreken. Daar kreeg ik iets voor.
Op een gegeven moment moest ik van [medeverdachte] zeggen dat het geld geregeld zou worden. Dat was mijn enige taak. De tweede dag wist ik wel dat het over de invoer van cocaïne ging.
Ik hoor mijn raadsman zeggen dat niet wordt betwist dat de tapgesprekken die aan mij worden toegeschreven ook door mij zijn gevoerd.
(...)
24. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de politie Landelijke Eenheid, Team Heimelijke Ondersteuning, met nr. 170629.1000 (...), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten:
Op donderdag 22 juni 2017 kreeg ik, [verbalisant 1] , van mijn begeleidingsteam van het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid, de beschikking over een mobiele telefoon voorzien van het [telefoonnummer] . Ik kreeg daarbij de opdracht om contact op te nemen met de gebruiker van [telefoonnummer] en een afspraak te maken voor een ontmoeting op dinsdag 27 juni 2017. Ik kon bij hierbij de code: “ [code] ” gebruiken. Bij deze ontmoeting moest een partij geld worden getoond waarmee de kredietwaardigheid voor de aankoop van een partij verdovende middelen moest worden bevestigd.
Op donderdag 22 juni 2017 te 15.17 uur stuurde ik, [verbalisant 1] het volgende sms-bericht naar het [telefoonnummer] : “Hallo ik heb je tel gekregen. Ik wil een afspraak maken namens [betrokkene 3 ] ”. Omstreeks 16.14 uur werd ik gebeld door een NN-man, de gebruiker van het [telefoonnummer] . Samengevat vertelde deze NN-man mij dat hij graag dezelfde dag nog een ontmoeting wilde. Ik vertelde dat dit moeilijk was en moest kijken, waarna ik zei dat ik hem terug zou bellen. In overleg met mijn begeleidingsteam werd besloten dat het contact met genoemde NN-man, gebruiker van [telefoonnummer] zou worden overgenomen door [verbalisant 2] .
Ik, [verbalisant 2] , kreeg opdracht van mijn begeleider om het contact van [verbalisant 1] over te nemen, contact op te nemen de NN-man, de gebruiker van [telefoonnummer] en een afspraak te maken voor een ontmoeting op vrijdag 23 juni 2017.
Het telefonisch contact resulteerde uiteindelijk in een afspraak op vrijdag 23 juni 2017 te 19.30 in een woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] .
Met betrekking tot de volledige inhoud van alle telefoongesprekken verwijzen wij naar de transcripties van de tapgesprekken in het dossier van het onderzoeksteam. Op vrijdag 23 juni 2017 arriveerde ik, [verbalisant 2] in opdracht van mijn begeleidingsteam omstreeks 19:35 uur bij de woning, [a-straat 1] te [plaats] . Ik ontmoette in de omgeving op straat daar een NN1 persoon die zich aan mij voorstelde als [medeverdachte] . In de eerste kennismaking op straat bleek hij de gebruiker te zijn van [telefoonnummer] . Ik omschrijf deze man als volgt: Leeftijd plus minus 35/40 jaar oud; gekleurde huid; negroïde uiterlijk; bril dragend; zittend in een rolstoel. [medeverdachte] nam mij mee naar een woning op de [a-straat 1] waar ik binnen werd gelaten door een NN2 man die zich aan mij voorstelde met een naam gelijkende op “ [betrokkene 4] ”. Ik omschrijf deze persoon als volgt: Leeftijd ongeveer 30/35 jaar oud; gekleurde huid; Lengte ongeveer 180/185 cm; gekleed in een spijkerbroek met daarop een T-shirt met korte mouwen. Kort nadat ik binnen was gelaten zag ik dat er ook een vrouw en een klein meisje aanwezig waren in de woning. De vrouw bleek de partner te zijn van “ [betrokkene 4] ” en het meisje de dochter.
Ik werd de woning binnengeleid en nam plaats aan de eettafel die in de keuken stond. Er volgde een sociaal gesprek plaats waarin [medeverdachte] mij vertelde dat hij van Dominicaanse afkomst was en [medeverdachte] heette. Hij woonde al geruime tijd in Nederland en had een relatie met een Nederlandse vrouw en samen hadden zij een kind. “ [betrokkene 4] ” vertelde mij dat hij de bewoner was van het pand en daar samen met vrouw en kind woonde. [medeverdachte] noemde: “ [betrokkene 4] ” zijn “broer” en vertelde hem dat hij hem al geruime tijd kende en zaken met hem deed.
Verder werden de volgende zaken in tussentijds in mijn aanwezigheid besproken;
- de schietpartij die [medeverdachte] had meegemaakt en daarbij 5 maal in zijn rug was geschoten.
- Een ontvoering van 8 personen onder leiding van [medeverdachte] in verband met een “ripdeal”.
- [medeverdachte] die op twee personen in België had geschoten.
- Bezoeken naar Suriname, Colombia, Venezuela.
- contacten van “ [betrokkene 4] ” op Schiphol en de haven van Rotterdam, rescue teams in de haven aangestuurd door “ [betrokkene 4] ”.
- “ [betrokkene 4] ” vertelde tussentijds nog een verhaal over een “verklote” kilo waarbij hij het over de waarden 1.8 en 1.9 had.
Op een gegeven moment werd het gesprek van zakelijke aard nadat [medeverdachte] een telefoongesprek had gevoerd in de Spaanse taal met naar zijn zeggen “ [betrokkene 1] ”.
[medeverdachte] vroeg aan mij of ik wist waarvoor ik gekomen was. Ik zei tegen [medeverdachte] dat ik wist wat ik kwam doen maar mij liet verrassen wat de mannen mij gingen laten zien. [medeverdachte] zei tegen mij dat er een partij binnen zou komen van 1000 die verdeeld was in 250, 500 en 500. Ik zei tegen de mannen dat ik niet kon rekenen maar toch echt op 1250 uitkwam. [medeverdachte] reageerde hierop en zei dat de eerste lading van 250 kilo een test was aangezien het de eerste keer was dat men zaken deed met deze partijen. Ik zei tegen [medeverdachte] dat dit de reden was dat ik aanwezig was. “ [betrokkene 4] ” vertelde dat het geld inmiddels geregeld was en ik dit later te zien zou krijgen. Ik had tijdens het gesprek het gevoel gekregen dat dit moment niet vandaag zou zijn. Ik vroeg aan de mannen of ik het juist had dat deze ontmoeting even snuffelen was. De beide mannen beaamden dit en [medeverdachte] zei dat er maandag echt “gespeeld” zou worden. Ik vroeg aan [medeverdachte] wat dan maandag de bedoeling was. [medeverdachte] vertelde dat het geld getransporteerd was en dit hem 13 procent had gekost. Ik vroeg aan [medeverdachte] om hoeveel cash het dan zou gaan maandag. [medeverdachte] lachte hierop en zei dat ik dit aan mijn eigen mensen moest gaan vragen. Hij vervolgde met het feit dat er maandag werd aangetoond dat zij voor de 250 kilo die binnen zou komen kredietwaardig waren. “ [betrokkene 4] ” zei dat maandag het geld er zou zijn en wij samen gingen tellen, de geldmachine was aanwezig en na mijn goedkeuren zou het tot de overdracht gaan komen. We kwamen overeen dat ik maandag 26 juni de twee mannen opnieuw zou ontmoeten voor het tonen van een hoeveelheid geld. [medeverdachte] vertelde mij dat hij mij niet meer ging bellen met zijn privé nummer maar een prepaid nummer had waar hij zondag contact met mij zou opnemen. We spraken nog kort sociaal verder waarbij [medeverdachte] terloops vroeg of ik niet toevallig een paar kilo coke had liggen. Ik antwoordde dat ik nooit in de buurt van de coke kwam. [medeverdachte] en “ [betrokkene 4] ” zeiden tegen mij dat dit wel verstandig was. We ronden het gesprek af waarop ik omstreeks 21:05 het pand aan [a-straat ] verliet.
Op zondag 25 juni 2017 had ik, [verbalisant 2] , telefonisch contact met [medeverdachte] om de afspraak voor maandag 26 juni 2017 te bevestigen.
Op maandag 26 juni 2017 had ik, [verbalisant 2] , telefonisch contact met [medeverdachte] waarin hij aangaf dat de afspraak niet door kon gaan die dag. Het telefonisch contact resulteerde uiteindelijk in de afspraak voor woensdag 28 juni 2017.
Op woensdag 28 juni 2017 arriveerde ik, [verbalisant 2] , in opdracht van mijn begeleidingsteam omstreeks 14:35 uur bij de woning, [a-straat 1] te [plaats] . Ik, [verbalisant 2] , liep naar de woning en belde aan waarop ik werd binnengelaten door de voor mij bekende “ [betrokkene 4] ”. Ik werd hartelijk begroet door “ [betrokkene 4] ” en gingen aan de eetkamertafel zitten. “ [betrokkene 4] ” vertelde mij dat [medeverdachte] onderweg was en elk moment er kon zijn. Ik zei dat ik wist dat [medeverdachte] later was omdat hij naar de dokter was geweest. Korte tijd later hoorde ik de deurbel en “ [betrokkene 4] ” liet [medeverdachte] binnen. Na de begroeting was er een kort algemeen sociaal gesprek. De vrouw en dochter van “ [betrokkene 4] ” waren ook aanwezig in de woning tijdens mijn bezoek. Op een gegeven moment vroeg ik, [verbalisant 2] , aan de mannen wat het plan was. “ [betrokkene 4] ” vertelde mij dat het geld in de “buurt” was maar er nog wat contact gelegd moest worden voor het er zou zijn. [medeverdachte] vroeg hierop wat het probleem was. “ [betrokkene 4] ” reageerde kort dat het goed kwam en pakte een telefoon waar hij een geruime tijd mee bezig was. Intussen hoorde ik meerdere meldingsgeluiden van verschillende telefoons die “ [betrokkene 4] ” en [medeverdachte] bij zich droegen. Ik zag dat [medeverdachte] op de Samsung telefoon met het beschadigde glas een aantal whatsapp berichten binnen kreeg. [medeverdachte] las de berichten en startte een whatsapp gesprek met de contactnaam “ [naam] ” wat in het scherm stond. Ik herkende de stem als dezelfde stem als in het telefoongesprek met [medeverdachte] op vrijdag 23 juni 2017. Dit gesprek werd wederom in de Spaanse taal gevoerd. [medeverdachte] gaf toen na dit gesprek aan dat deze persoon “ [betrokkene 1] ” was. [medeverdachte] zei tegen mij dat er gevraagd werd of ik er was, ik antwoordde luid: “Si signor”. Na dit gesprek zei [medeverdachte] dat hij er inmiddels “hoofdpijn” van had aangezien zaken niet goed liepen. “ [betrokkene 4] ” reageerde hier fel op dat het goed zou komen en hij een nummertje nodig was van “hen”. Ik zag dat [medeverdachte] wat voor zich uit zat te staren en verder zweeg. “ [betrokkene 4] ” drong hierop nogmaals aan dat [medeverdachte] een nummertje moest regelen. Hierop vroeg [medeverdachte] waarom dit nodig was. “ [betrokkene 4] ” antwoordde dat zijn mensen contact moesten leggen met de mensen daar om het geld te kunnen afleveren. [medeverdachte] zweeg en belde opnieuw naar “ [betrokkene 1] ”. “ [betrokkene 4] ” zei intussen tegen [medeverdachte] of ze anders een PGP adres hadden voor zijn mensen. Nadat [medeverdachte] het gesprek had beëindigd hoorde ik hem zeggen dat men alleen een satelliettelefoon had aan die kant en geen andere mogelijkheid hadden om te contacten. Ik vroeg aan de mannen wat het probleem was. “ [betrokkene 4] ” vertelde mij dat zijn mensen contact moesten leggen met mensen daar en een nummer moesten hebben. “ [betrokkene 4] ” was druk met zijn telefoons waar hij tekst op aan het intikken was.
[medeverdachte] vertelde tussentijds een verhaal over 50 rugzakken die hij had klaarstaan om verzonden te kunnen worden. Ik vroeg aan hem wat ik mij daarbij voor moest stellen. [medeverdachte] legde aan mij uit dat in elke rugzak cocaïne in het leer was verwerkt en zo gesmokkeld kon worden. “ [betrokkene 4] ” zei hierop dat hij dit eerder had gedaan met schoenen, 500 gram cocaïne laten verwerken in elke zool van een schoen en niemand die het door had.
Op een gegeven moment ging de deurbel en “ [betrokkene 4] ” zei dat dit een van zijn mannen moest zijn en ging vervolgens naar buiten.
[medeverdachte] zei tegen mij dat hij zich moest verontschuldigen aangezien dit niet zijn manier van werken was. Hij vertelde mij dat men aan de andere kant nerveus werd aangezien zij moesten oppassen voor de politie, militairen en de Guerrilla’s die een gevaar op konden leveren voor de 1200 kilo coke die daar op zee lagen voor de kust. Ik zei tegen [medeverdachte] dat dit zeker een fors aantal kilo’s was en begreep dat men er vanaf wilde. “ [betrokkene 4] ” was inmiddels teruggekeerd en zei tegen ons, nog even geduld en het wordt geregeld. [medeverdachte] zei tegen “ [betrokkene 4] ” dat ik al twee uur zat te wachten en dit niet professioneel vond en er mensen nerveus werden met de 1200. “ [betrokkene 4] ” vroeg aan [medeverdachte] dat hij toch had gezegd dat de partij groter was. Ik hoorde [medeverdachte] antwoorden dat het 5000 kilo was maar de rest al weg was. Intussen hoorde ik allerlei verschillende tonen van telefoons en [medeverdachte] en “ [betrokkene 4] ”, en ik zag dat zij hier aandacht aan gaven. [medeverdachte] had intussen nog een whatsapp gesprek met “ [betrokkene 1] ”. Na dit gesprek vroeg [medeverdachte] aan “ [betrokkene 4] ” hoe het nu verder ging verlopen. “ [betrokkene 4] ” zei dat er een nummertje geregeld werd en vervolgens na het telefoontje ik het geld kon zien, er een foto van kon maken van de piramide hier op tafel en ik het verlossende belletje kon doen en het dan geregeld was. [medeverdachte] zei dat hij een broodje ging eten en een frisse neus ging halen en vertrok uit de woning. Op een gegeven moment werd er opnieuw aangebeld en “ [betrokkene 4] ” verliet het vertrek en kwam na geruime tijd weer terug de woning in. Na overleg met mijn begeleidingsteam deed ik het voorstel aan “ [betrokkene 4] ” om te vertrekken en ik terug zou komen na een belletje van hem of [medeverdachte] dat het geregeld was.
Op woensdag 28 juni 2017 omstreeks 17:20 uur verliet ik de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Op woensdag 28 juni 2017 omstreeks 19:21 heb ik telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte] en gevraagd naar de stand van zaken. [medeverdachte] zei dat hij nog in afwachting was en mij dit zo snel mogelijk liet weten.
In overleg met mijn begeleider heb ik contact opgenomen met [medeverdachte] om hem mede te delen dat ik tot 20:15 uur zou wachten. Als dan niet bekend zou zijn dat het geld dan getoond kon worden, dan zou ik vertrekken. [medeverdachte] gaf mij hierin gelijk en zei dat hij dan ook zou vertrekken.
25. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2017 van de politie Landelijke Eenheid, met nr. 170626.1300 (...), inhoudende de bevindingen van de verbalisant:
In mijn opdracht heeft politiële pseudodienstverlener [verbalisant 2] contact opgenomen met een NN-man, de gebruiker van [telefoonnummer] wat uiteindelijk resulteerde in een ontmoeting op vrijdag 23 juni 2017 met onder andere twee mannen in een woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Op maandag 26 juni 2017 werden mij via teamleider [betrokkene 5] twee foto's ter beschikking gesteld met het verzoek deze te tonen aan de pseudodienstverlener [verbalisant 2] .
Vervolgens toonde ik deze foto's aan pseudodienstverlener [verbalisant 2] . Ik hoorde dat hij bij het tonen van de eerste foto zei: “Ik herken op deze foto duidelijk de man uit de rolstoel, de gebruiker van het [telefoonnummer] en die zich “ [medeverdachte] ” noemde.”
Bij het tonen van de andere foto hoorde ik dat hij zei: “Ik herken deze foto van de andere man tijdens mijn ontmoeting in de woning, die "broer" werd genoemd. Het is dan wel een foto van langere tijd geleden, maar ik herken hem wel.”
De eerste foto die ik aan pseudodienstverlener [verbalisant 2] toonde bleek van [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedatum] 1975.
De tweede foto die ik aan pseudodienstverlener [verbalisant 2] toonde bleek van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1981.
(...)
32. Het proces-verbaal van 2e verhoor verdachte (...) d.d. 5 juli 2017 van de politie Landelijke Eenheid, met nr. LERAE17004-49 (...), inhoudende de verklaring van de [medeverdachte] :
V: Je spreekt ook over 1000 kilo coke in deze verklaring (punt 5). Gezien deze hoeveelheid moet er een heel goede verstandhouding zijn tussen jou en degene die voor deze grote partij verantwoordelijk is/zijn. Wat is je reactie daarop?
A: Dat hoef je niet. [verdachte] vroeg aan mij, er is een persoon die 1000 kilo coke wilde. Ik ben gaan kijken wat ik kon doen. Ik heb [betrokkene 6] uitgelegd wat er moest gebeuren. Uiteindelijk begreep ik van [verdachte] dat de mensen genoegen namen met 250 kilo coke. De afspraak was 1000 kilo coke en drie dagen later was het nog 250 kilo coke. [verdachte] moet deze afnemers in Nederland kennen.
V: Wat bedoel in Nederland je met je opmerking (punt 6) “ [verdachte] is er ook bij betrokken. Hij is ook een bemiddelaar. Hij wist wie het geld zou hebben.” Wat is zijn betrokkenheid dan en van wie zou [verdachte] het geld krijgen dan?
A: Ik weet zijn betrokkenheid verder niet. Alleen dat [verdachte] de afnemers van coke in Nederland geregeld heeft. Ik heb dat zelf uit de mond van [verdachte] gehoord, anders ga ik ook niet bellen om het één en ander te bespreken.
Ik weet alleen dat er een bedrag van 3.437.500 aan [betrokkene 2] getoond zou worden. Dat was de eerste afspraak van [verdachte] en mij naar [betrokkene 2] toe. Ik heb gehoord van [betrokkene 6] in Colombia dat de partij van 1000 kilo coke een waarde zou vertegenwoordigen van €3.437.500. Dit heb ik dus doorgekregen van [betrokkene 6] en dit later met [verdachte] besproken. [verdachte] zou namelijk de afnemers van deze partij coke in Nederland regelen.”
2.3
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in het onderzoek 26Midway een onrechtmatig pseudodienstverleningstraject heeft plaatsgevonden en dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat primair moet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aangevoerd.
De inzet van de opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel (hierna: de WOD’er) moet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Nu die inzet slechts was gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012 en voor een deel van het traject een bevel stelselmatige informatie-inwinning in de zin van artikel 126j Sv, maar niet op een bevel ex artikel 126i Sv, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeling in artikel 359a Sv. Het belang dat dit geschonden voorschrift dient, ziet op de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. De ernst van het vormverzuim zit in het feit dat de rechter niet kan toetsen of en, zo ja, hoe de belangenafweging voorafgaand aan de inzet van de WOD’er is gemaakt, nu het vereiste bevel voor die inzet ontbreekt. Deze belangenafweging is in casu nog belangrijker doordat in de ogen van de verdediging bij de start van het traject geen sprake was van een objectieve, concrete en verifieerbare verdenking van een misdrijf ex artikel 67, eerste lid, Sv. De raadsman heeft ten aanzien van het nadeel opgemerkt dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad, omdat de rechtmatigheid van het pseudodienstverleningstraject niet kan worden getoetst, terwijl de verdachte de inhoud van het door de WOD’er opgemaakte proces-verbaal van 29 juni 2017 betwist. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een bevel in de zin van artikel 126i Sv in combinatie met het materiële aspect van de inzet – in die zin dat de bevindingen van de WOD’er onbetrouwbaar zijn en niet op juistheid kunnen worden getoetst – moet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, omdat – in de bewoordingen van het EHRM – ‘the proceedings as a whole were not fair’.
De verdediging heeft zich – zo begrijpt het hof het gevoerde verweer – uitsluitend in het kader van het hiervoor besproken vormverzuim (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de bevindingen van de WOD’ers en de belastende stukken die rechtstreeks voortvloeien uit het onrechtmatige pseudodienstverlengingstraject van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In opdracht van de officier van justitie heeft het Team Heimelijke Ondersteuning vanaf 22 juni 2017 ondersteuning verleend in het strafrechtelijk onderzoek dat bekend is geworden als 26Midway. In het kader van die inzet werd op de hiervoor genoemde dag besloten om op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 een opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel te laten bellen met de gebruiker van het [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ) - welk nummer naar later bleek werd gebruikt door [medeverdachte] - om zich voor te doen als degene die in staat is grote hoeveelheden cocaïne te kunnen regelen. Het doel van deze inzet was een afspraak te maken met de vermoedelijke kopers van de cocaïne, zodat deze het geld voor de aankoop van de cocaïne konden
laten zien en hun kredietwaardigheid konden aantonen.
Deze inzet is gestart door de WOD’er [verbalisant 1] , die met de gebruiker van - [telefoonnummer] heeft gebeld om een ontmoeting te regelen. De WOD’er [verbalisant 1] heeft op 22 juni 2017 een bericht gestuurd naar - [telefoonnummer] en is later die dag teruggebeld door dat nummer. Tijdens dat gesprek heeft WOD'er [verbalisant 1] aangegeven dat hij een afspraak wil maken namens ‘ [betrokkene 3 ] ’. Na dit gesprek is het contact met de gebruiker van - [telefoonnummer] overgenomen door de WOD’er met nummer [verbalisant 2] . WOD’er [verbalisant 2] (hierna: de WOD’er) is op 23 juni 2017 naar de ontmoeting met, naar later bleek [medeverdachte] en de verdachte, aan de [a-straat 1] te [plaats] gegaan. Ook op 28 juni 2017 heeft een ontmoeting tussen de WOD'er, de verdachte en [medeverdachte] plaatsgevonden, nadat op 26 juni 2017 een bevel stelselmatige informatie-inwinning ex artikel 126j Sv was afgegeven door de officier van justitie. Bij deze ontmoetingen heeft de WOD’er zich voorgedaan als een tussenpersoon die opereerde voor [betrokkene 3 ] , althans de partij die de drugs kon leveren. [medeverdachte] en de verdachte moesten aan de WOD’er geld tonen waarmee zij de cocaïne konden betalen om te laten zien dat zij kredietwaardig waren. [medeverdachte] en de verdachte verkeerden tijdens de contacten met de WOD’er in de veronderstelling dat hij onderdeel was van de organisatie in Zuid-Amerika en dat de WOD’er kwam kijken of het geld er was. De inzet van de WOD’er is tijdens de gesprekken steeds gericht geweest op het zien van het geld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de WOD’er en uit de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] over de ontmoeting. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bijvoorbeeld verklaard dat de WOD'er tegen hem zei "waar is het geld, ik wil geld zien".
Naar het oordeel van het hof kan de inzet van de WOD’er, zoals die hiervoor is weergegeven, niet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i Sv. De WOD’ers hebben in hoedanigheid van vertegenwoordiger van [betrokkene 3 ] contact opgenomen met de verdachte, en WOD’er [verbalisant 2] is in die hoedanigheid bij de ontmoetingen aanwezig geweest. Deze WOD’er is hierbij dus slechts opgetreden namens een mogelijke ‘wederpartij’ van de verdachte en niet namens of voor de verdachte. Er is ook niet gebleken dat op enig moment is afgesproken dat de WOD’ers daadwerkelijk iets ten behoeve van de verdachte zouden doen of dat zij dit hebben gedaan. Gebleken is dat van de WOD’er niet méér werd verwacht dan dat hij bij een ontmoeting van de verdachte aanwezig zou zijn, zodat deze via de WOD’er bij [betrokkene 3 ] kon aantonen dat hij genoeg geld had. Een dergelijk passief optreden als tussenpersoon namens een (beweerdelijke) derde opdrachtgever (of, in de woorden van de verdediging: het enkele ‘representeren’ van [betrokkene 3 ] ) is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als ‘dienst’ aan de verdachte in de zin van artikel 126i Sv, ook als in aanmerking wordt genomen dat de verdachte (vanuit zijn perspectief) zelf ook belang had bij dit optreden van de WOD’er. Evenmin is gebleken dat het op enig moment de bedoeling is geweest om tot pseudodienstverlening over te gaan. Dat de politie in het kader van de inzet van de WOD’ers zelf de termen ‘pseudodienstverlener’ en ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, doet aan dit oordeel niet af.
Gelet op het voorgaande was een bevel ex artikel 126i Sv niet noodzakelijk voor de inzet van de WOD’er.
Voor de handelingen die door de WOD’er zijn uitgevoerd voor 28 juni 2017 ontbreekt een specifieke wettelijke grondslag. Het hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld of artikel 3 van de Politiewet 2012 voldoende wettelijke basis bood voor de inzet van de WOD’er. Daarvoor dient de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte - zoals ook beschermd door artikel 8 van het EVRM - beperkt te zijn gebleven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De inzet van de WOD’ers heeft plaatsgevonden tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017. Dit contact bestond - op de twee ontmoetingen na - uitsluitend uit telefonisch contact: de WOD’er en [medeverdachte] hebben een aantal keer ge-sms’t en gebeld en de WOD’er en de verdachte hebben één keer met elkaar gebeld. Op 23 juni 2017 en 28 juni 2017 is de WOD’er in het huis van de verdachte geweest. Deze locatie is door de verdachte en/of [medeverdachte] voorgesteld. De WOD’er kreeg slechts de opdracht naar dat adres te komen. De besprekingen die daar hebben plaatsgevonden zijn (voornamelijk) zakelijk van aard geweest en uit het dossier blijkt dat de verdachte zijn woning vaker voor dergelijke zakelijke ontmoetingen gebruikte.
Het hof is van oordeel dat deze contacten - gelet op de duur, intensiteit en frequentie - slechts een beperkte inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat artikel 3 van de Politiewet 2012 hiervoor een toereikende grondslag bood. Bij dat oordeel neemt het hof mee dat op enig moment wel een bevel ex artikel 126j Sv is afgegeven en dat van de hele inzet proces-verbaal is opgemaakt, en dat de gang van zaken na afloop van het traject toetsbaar is geweest.
Het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim wordt verworpen.”
3. Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar:
(...)
c. diensten verleent aan de verdachte.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
3. Het bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bevoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. de aard van de (...) diensten;
d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, en
e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.”
- Artikel 126j lid 1 Sv:
“In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.”
- Artikel 3 van de Politiewet 2012 (hierna: Politiewet):
“De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”
3.2
De artikelen 126i en 126j Sv zijn ingevoerd bij Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden), Stb. 1999, 245. De memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel houdt onder meer in:
“3.4 Politiële pseudo-koop of -dienstverlening
In de artikelen 126i en 126q wordt voorgesteld de pseudo-koop of -dienstverlening wettelijk te regelen. Deze bevoegdheid wordt in artikel 126i omschreven als het van de verdachte afnemen van goederen of het aan de verdachte verlenen van diensten, in het belang van het onderzoek. (...)
De bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening is, naast de bevoegdheid tot infiltratie, apart geregeld omdat zij ook buiten een groep waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd aan de orde kan zijn. Ook is de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening alleen al vanwege het in beginsel eenmalige karakter van de handeling, een minder ingrijpende bevoegdheid dan infiltratie. De voorwaarden ervoor zijn dan ook lichter dan voor infiltratie; zij is reeds toegestaan in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is.
(...)
Voorgesteld wordt de uitoefening van de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening alleen te laten plaatsvinden op bevel van de officier van justitie. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen of het belang van de opsporing bij de hantering van deze bevoegdheid opweegt tegen de risico’s die hieraan zijn verbonden en de inbreuk op de rechtsorde die met deze bevoegdheid gepaard kan gaan. (...)
Het bevel tot de pseudo-koop of -dienstverlening zal in veel gevallen machtigen tot een strafbaar gestelde gedraging, zoals het kopen van een wapen of het te huur aanbieden van een loods. De opsporingsambtenaar die op een correcte wijze uitvoering aan dit bevel geeft, zal zich, evenals de infiltrant met succes kunnen beroepen op de strafuitsluitingsgrond van artikel 43 Sr.
(...)
3.5.
Stelselmatige inwinning van informatie
In artikel 126j wordt voorgesteld te regelen dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit, dus als undercover, stelselmatig informatie over een verdachte inwint, teneinde informatie of bewijsmateriaal te verzamelen. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Denkbaar is dat een opsporingsambtenaar deelneemt aan een sportclub of telkens naar dezelfde uitgaansgelegenheid gaat, waar ook de verdachte gewend is heen te gaan en op deze wijze stelselmatig informatie over de verdachte inwint. Omdat de personen die hij daarbij ontmoet niet weten dat hij opsporingsambtenaar is, is de kans groot dat hij dingen te horen of te zien krijgt, mede doordat hij daarin kan sturen, waarvan hij anders geen kennis zou kunnen krijgen. Denkbaar is ook dat een opsporingsambtenaar deelneemt aan een zogenaamde newsgroup op internet, zonder dat de andere deelnemers aan de groep weten dat hij opsporingsambtenaar is.
(...)
De bevoegdheid tot het undercover stelselmatig inwinnen van informatie omtrent een verdachte onderscheidt zich van de politiële infiltrant doordat niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd. De opsporingsambtenaar zal dan ook niet deelnemen aan het plegen of beramen van misdrijven. Aan de bevoegdheid zijn daarom minder risico’s verbonden dan aan de infiltratie. Daarom is zij aan minder strenge voorwaarden gebonden. Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.”(Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr. 3, p. 33-35.)
4. Beoordeling van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat bij de door de opsporingsambtenaren verrichte handelingen geen sprake is geweest van pseudo-dienstverlening als bedoeld in artikel 126i Sv.
4.2
Artikel 126i Sv betreft onder meer de bevoegdheid tot pseudo-dienstverlening. Hiervan is sprake bij het door een opsporingsambtenaar aan een verdachte verlenen van een dienst. Gelet op de onder 3.2 weergegeven wetsgeschiedenis – waarin als voorbeeld wordt gegeven het te huur aanbieden van een loods en waarin wordt gewezen op de toepasselijkheid van de strafuitsluitingsgrond van artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht in relatie tot het handelen van de pseudo-dienstverlener – gaat het bij pseudo-dienstverlening in de regel om een gedraging van een opsporingsambtenaar waarmee het begaan van een strafbaar feit wordt gefaciliteerd. Daarbij is een onderscheid met de stelselmatige inwinning van informatie, als bedoeld in artikel 126j Sv, erin gelegen dat bij die informatie-inwinning niet wordt deelgenomen aan het plegen of beramen van strafbare feiten.
4.3.1
Het hof heeft, gelet op de onder 2.2 en 2.3 weergegeven bewijsvoering, onder meer het volgende vastgesteld. In de periode tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017 zijn in opdracht van de officier van justitie opsporingsambtenaren van het team Werken Onder Dekmantel ingezet in het strafrechtelijk onderzoek 26Midway. Op 22 juni 2017 heeft opsporingsambtenaar [verbalisant 1] zich tijdens een telefoongesprek met de [medeverdachte] , voorgedaan als een tussenpersoon van een leverancier die cocaïne kon leveren aan de verdachten. Vervolgens heeft opsporingsambtenaar [verbalisant 2] het contact overgenomen, waarbij hij zich heeft voorgedaan als degene die namens de leverancier de kredietwaardigheid van de verdachten zou controleren in verband met een mogelijke verkoop van cocaïne aan hen. Op 23 juni 2017 heeft een ontmoeting plaatsgevonden met de verdachten. Bij die eerste ontmoeting ging het om even aan elkaar “snuffelen”, waarbij de opsporingsambtenaar zich liet “verrassen” door wat hem daar zou worden verteld. Nadat de officier van justitie op 26 juni 2017 een bevel stelselmatige informatie-inwinning had afgegeven, heeft er op 28 juni 2017 een tweede ontmoeting plaatsgevonden. Tijdens deze tweede ontmoeting heeft opsporingsambtenaar [verbalisant 2] enkele uren gewacht op het geld dat hem zou worden getoond. De inzet van opsporingsambtenaar [verbalisant 2] is daarbij steeds gericht geweest “op het zien van het geld”, dat de verdachten echter niet konden tonen.
4.3.2
Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat het optreden van de opsporingsambtenaar, dat in de kern niet meer dan passief optreden als tussenpersoon inhield, niet kan worden aangemerkt als pseudo-dienstverlening in de zin van artikel 126i Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 4.2 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Anders dan het cassatiemiddel voorstaat, was de enkele omstandigheid dat de politie in het kader van de inzet van de opsporingsambtenaren zelf de term ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, geen beletsel voor het hof om tot een eigen waardering en kwalificatie van het optreden van de opsporingsambtenaren te komen.
4.3.3
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
4.4
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof dat het optreden van de opsporingsambtenaren mede kon plaatsvinden op grond van artikel 3 Politiewet.
4.5
Voor een niet specifiek in de wet geregelde manier van opsporing moet worden aangenomen dat opsporingsambtenaren op grond van artikel 3 Politiewet en artikel 141 en 142 Sv alleen bevoegd zijn haar in te zetten op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op de grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563).
4.6
Het oordeel van het hof over de grondslag van het optreden van de opsporingsambtenaren houdt in de kern in dat dit optreden aanvankelijk heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3 Politiewet en vervolgens, vanaf 26 juni 2017 en dus voorafgaand aan de tweede ontmoeting, mede op grond van het door de officier van justitie gegeven bevel stelselmatige informatie-inwinning. Bij het oordeel dat, voordat het bevel was afgegeven, het optreden kon worden gebaseerd op artikel 3 Politiewet heeft het hof in aanmerking genomen dat bij die werkwijze slechts een beperkte inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dit oordeel getuigt, mede gelet op wat onder 4.5 is vooropgesteld en in het licht van de onder 3.2 weergegeven wetsgeschiedenis, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de onder 4.3.1 weergegeven vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk.
4.7
Het cassatiemiddel faalt ook in zoverre.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Voorbereidingshandelingen aankopen/verkopen/invoeren van een grote hoeveelheid cocaïne (art. 10a Ow). Kwalificeert inzet WOD’er die zich voordoet als vertegenwoordiger van een Colombiaanse organisatie die cocaïne wil verkopen aan de Nederlandse verdachte en die – zogenaamd namens de Colombiaanse organisatie – tweemaal contact heeft gehad met de verdachte om zijn kredietwaardigheid te toetsen (verdachte moest het geld laten zien) als pseudodienstverlening in de zin van art. 126i Sv? Oordeel hof dat geen sprake is van pseudodienstverlening in de zin van art. 126i Sv en dat art. 3 Politiewet voldoende grondslag bood voor de inzet van de WOD'er, getuigt volgens de AG van een onjuiste rechtsopvatting. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak t.a.v. de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen waarop de inzet van de WOD’er betrekking had en de strafoplegging en terugwijzing. Samenhang met 22/02677 en 23/04128.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04121
Zitting 28 januari 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2023 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd als bedoeld in art. 27 Sr, wegens: Parketnummer 09-809054-16 1, subsidiair. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd” 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, Parketnummer 09-818275-17 1, subsidiair. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door, - zich of een ander trachten gelegenheid of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van dat feit; - anderen trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen, - anderen trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een voorwerp voorhanden hebben, waarvan hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van dat feit” 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” Parketnummer 09-817118-18 2, subsidiair. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”. Daarnaast heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02677 en 23/04128. In de zaak 22/02677 zal ik vandaag eveneens concluderen. De zaak 23/04128 is op 19 november 2024 reeds afgedaan met een niet-ontvankelijkverklaring, omdat niet binnen de gestelde termijn een cassatieschriftuur is ingediend.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E. van Reydt, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de verwerping van het verweer door het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, dan wel dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat met de inzet van een opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel (hierna: de WOD’er) sprake is geweest van pseudodienstverlening in de zin van art. 126i Sv, terwijl daarvoor geen bevel was afgegeven. De inzet van de WOD-er heeft plaatsgevonden in de zaak met parketnummer 09-818275-17 en heeft betrekking op de onder 1 subsidiair bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen.
2. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
2.1
Het hof heeft ten aanzien van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander heeft/hebben getracht daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte met dit doel de contactgegevens van een leverancier van cocaïne uit Colombia verkregen en- anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s);
- met dit doel contact gehad met een persoon, bekend als ‘ [betrokkene 1] ’, die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en;- onderhandeld met deze persoon over de aankoop van een hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne en/of over de aankoop van een deel daarvan, te weten een hoeveelheid van 250 kilo cocaïne en;- contact gehad met een tussenpersoon, te weten 170623 en een ontmoeting met 170623 georganiseerd met het doel om geld te tonen en;- contact gehad met personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of het verzamelen van het geld benodigd voor de aankoop van cocaïne;- zijn, verdachtes, woning beschikbaar gesteld voor besprekingen en/of ontmoetingen over het verkopen en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 september 2023, inhoudende:
“U zegt dat uit het dossier kan blijken dat er 2 besprekingen, op 23 en 28 juni 2017, met de WOD’er, [betrokkene 4] , bij mij thuis zijn geweest en dat ik daarbij aanwezig was. Dat klopt, ik was erbij. Ik heb mijn huis ter beschikking gesteld aan [medeverdachte] omdat hij slecht ter been is. Hij vroeg of hij bij mij met iemand kon afspreken. Daar kreeg ik iets voor.Op een gegeven moment moest ik van [medeverdachte] zeggen dat het geld geregeld zou worden. Dat was mijn enige taak. De tweede dag wist ik wel dat het over de invoer van cocaïne ging.Ik hoor mijn raadsman zeggen dat niet wordt betwist dat de tapgesprekken die aan mij worden toegeschreven ook door mij zijn gevoerd.
(…)
24. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de politie Landelijke Eenheid, Team Heimelijke Ondersteuning, met nr. 170629.1000 (p. 28-31 van het procesdossier met nummer LERAE17004, zaaksdossier 26Midway), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten:
Op donderdag 22 juni 2017 kreeg ik, verbalisant 170622, van mijn begeleidingsteam van het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid, de beschikking over een mobiele telefoon voorzien van het nummer [telefoonnummer 1] . Ik kreeg daarbij de opdracht om contact op te nemen de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] en een afspraak te maken voor een ontmoeting op dinsdag 27 juni 2017. Ik kon bij hierbij de code: “ Parte de [betrokkene 3] ” gebruiken. Bij deze ontmoeting moest een partij geld worden getoond waarmee de kredietwaardigheid voor de aankoop van een partij verdovende middelen moest worden bevestigd.Op donderdag 22 juni 2017 te 15.17 uur stuurde ik, verbalisant 170622 het volgende sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] : “Hallo ik heb je tel gekregen. Ik wil een afspraak maken namen [betrokkene 3] ”. Omstreeks 16.14 uur werd ik gebeld door een NN-man, de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Samengevat vertelde deze NN-man mij dat hij graag dezelfde dag nog een ontmoeting wilde. Ik vertelde dat dit moeilijk was en moest kijken, waarna ik zei dat ik hem terug zou bellen. In overleg met mijn begeleidingsteam werd besloten dat het contact met genoemde NN-man, gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] zou worden overgenomen door verbalisant 170623.Ik, verbalisant 170623, kreeg opdracht van mijn begeleider om het contact van verbalisant 170622 over te nemen, contact op te nemen de NN-man, de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] en een afspraak te maken voor een ontmoeting op vrijdag 23 juni 2017.Het telefonisch contact resulteerde uiteindelijk in een afspraak op vrijdag 23 juni 2017 te 19.30 in een woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] .Met betrekking tot de volledige inhoud van alle telefoongesprekken verwijzen wij naar de transcripties van de tapgesprekken in het dossier van het onderzoeksteam.Op vrijdag 23 juni 2017 arriveerde ik, verbalisant 176023 in opdracht van mijn begeleidingsteam omstreeks 19:35 uur bij de woning, [a-straat 1] te [plaats] . Ik ontmoette in de omgeving op straat daar een NN1 persoon die zich aan mij voorstelde als [medeverdachte] . In de eerste kennismaking op straat bleek hij de gebruiker te zijn van telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ik omschrijf deze man als volgt: Leeftijd plus minus 35/40 jaar oud; gekleurde huid; negroïde uiterlijk; bril dragend; zittend in een rolstoel. [medeverdachte] nam mij mee naar een woning op de [a-straat] nummer [1] waar ik binnen werd gelaten door een NN2 man die zich aan mij voorstelde met een naam gelijkende op “ [betrokkene 2] ”. Ik omschrijf deze persoon als volgt: Leeftijd ongeveer 30/35 jaar oud; gekleurde huid; Lengte ongeveer 180/185 cm; gekleed in een spijkerbroek met daarop een T-shirt met korte mouwen. Kort nadat ik binnen was gelaten zag ik dat er ook een vrouw en een klein meisje aanwezig waren in de woning. De vrouw bleek de partner te zijn van “ [betrokkene 2] ” en het meisje de dochter.Ik werd de woning binnengeleid en nam plaats aan de eettafel die in de keuken stond. Er volgde een sociaal gesprek plaats waarin [medeverdachte] mij vertelde dat hij van Dominicaanse afkomst was en [medeverdachte] heette. Hij woonde al geruime tijd in Nederland en had een relatie met een Nederlandse vrouw en samen hadden zij een kind. “ [betrokkene 2] ” vertelde mij dat hij de bewoner was van het pand en daar samen met vrouw en kind woonde. [medeverdachte] noemde: “ [betrokkene 2] ” zijn “broer” en vertelde hem dat hij hem al geruime tijd kende en zaken met hem deed.Verder werden de volgende zaken in tussentijds in mijn aanwezigheid besproken;- de schietpartij die [medeverdachte] had meegemaakt en daarbij 5 maal in zijn rug was geschoten.- Een ontvoering van 8 personen onder leiding van [medeverdachte] in verband met een “ripdeal”.- [medeverdachte] die op twee personen in België had geschoten.- Bezoeken naar Suriname, Colombia, Venezuela.- contacten van “ [betrokkene 2] ” op Schiphol en de haven van Rotterdam, rescue teams in de haven aangestuurd door “ [betrokkene 2] ”.- “ [betrokkene 2] ” vertelde tussentijds nog een verhaal over een “verklote” kilo waarbij hij het over de waarden 1.8 en 1.9 had.
Op een gegeven moment werd het gesprek van zakelijke aard nadat [medeverdachte] een telefoongesprek had gevoerd in de Spaanse taal met naar zijn zeggen “ [betrokkene 1] ”.[medeverdachte] vroeg aan mij of ik wist waarvoor ik gekomen was. Ik zei tegen [medeverdachte] dat ik wist wat ik kwam doen maar mij liet verassen wat de mannen mij gingen laten zien. [medeverdachte] zei tegen mij dat er een partij binnen zou komen van 1000 die verdeeld was in 250, 500 en 500. Ik zei tegen de mannen dat ik niet kon rekenen maar toch echt op 1250 uitkwam. [medeverdachte] reageerde hierop en zei dat de eerste lading van 250 kilo een test was aangezien het de eerste keer was dat men zaken deed met deze partijen. Ik zei tegen [medeverdachte] dat dit de reden was dat ik aanwezig was. “ [betrokkene 2] ” vertelde dat het geld inmiddels geregeld was en ik dit later te zien zou krijgen. Ik had tijdens het gesprek het gevoel gekregen dat dit moment niet vandaag zou zijn. Ik vroeg aan de mannen of ik het juist had dat deze ontmoeting even snuffelen was. De beide mannen beaamden dit en [medeverdachte] zei dat er maandag echt “gespeeld” zou worden. Ik vroeg aan [medeverdachte] wat dan maandag de bedoeling was. [medeverdachte] vertelde dat het geld getransporteerd was en dit hem 13 procent had gekost. Ik vroeg aan [medeverdachte] om hoeveel cash het dan zou gaan maandag. [medeverdachte] lachte hierop en zei dat ik dit aan mijn eigen mensen moest gaan vragen. Hij vervolgde met het feit dat er maandag werd aangetoond dat zij voor de 250 kilo die binnen zou komen kredietwaardig waren. “ [betrokkene 2] ” zei dat maandag het geld er zou zijn en wij samen gingen tellen, de geldtelmachine was aanwezig en na mijn goedkeuren zou het tot de overdracht gaan komen. We kwamen overeen dat ik maandag 26 juni de twee mannen opnieuw zou ontmoeten voor het tonen van een hoeveelheid geld. [medeverdachte] vertelde mij dat hij mij niet meer ging bellen met zijn privé nummer maar een prepaid nummer had waar hij zondag contact met mij zou opnemen. We spraken nog kort sociaal verder waarbij [medeverdachte] terloops vroeg of ik niet toevallig een paar kilo coke had liggen. Ik antwoordde dat ik nooit in de buurt van de coke kwam. [medeverdachte] en “ [betrokkene 2] ” zeiden tegen mij dat dit wel verstandig was. We ronden het gesprek af waarop ik omstreeks 21:05 uur het pand aan de [a-straat] verliet.
Op zondag 25 juni 2017 had ik, verbalisant 170623, telefonisch contact met [medeverdachte] om de afspraak voor maandag 26 juni 2017 te bevestigen.Op maandag 26 juni 2017 had ik, verbalisant 170623, telefonisch contact met [medeverdachte] waarin hij aangaf dat de afspraak niet door kon gaan die dag. Het telefonisch contact resulteerde uiteindelijk in de afspraak voor woensdag 28 juni2017.
Op woensdag 28 juni 2017 arriveerde ik, verbalisant 176023, in opdracht van mijn begeleidingsteam omstreeks 14:35 uur bij de woning, [a-straat 1] te ' [plaats] . Ik, verbalisant 176023, liep naar de woning en belde aan waarop ik werd binnengelaten door de voor mij bekende “ [betrokkene 2] ”. Ik werd hartelijk begroet door “ [betrokkene 2] ” en gingen aan de eetkamertafel zitten. “ [betrokkene 2] ” vertelde mij dat [medeverdachte] onderweg was en elk moment er kon zijn. Ik zei dat ik wist dat [medeverdachte] later was omdat hij naar de dokter was geweest. Korte tijd later hoorde ik de deurbel en “ [betrokkene 2] ” liet [medeverdachte] binnen. Na de begroeting was er een kort algemeen sociaal gesprek. De vrouw en dochter van “ [betrokkene 2] ” waren ook aanwezig in de woning tijdens mijn bezoek. Op een gegeven moment vroeg ik, verbalisant 176023, aan de mannen wat het plan was. “ [betrokkene 2] ” vertelde mij dat het geld in de “buurt” was maar er nog wat contact gelegd moest worden voor het er zou zijn. [medeverdachte] vroeg hierop wat het probleem was. “ [betrokkene 2] ” reageerde kort, dat het goed kwam en pakte een telefoon waar hij een geruime tijd mee bezig was. Intussen hoorde ik meerdere meldingsgeluiden van verschillende telefoons die “ [betrokkene 2] ” en [medeverdachte] bij zich droegen. Ik zag dat [medeverdachte] op de Samsung telefoon met het beschadigde glas een aantal whatsapp berichten binnen kreeg. [medeverdachte] las de berichten en startte een whatsapp gesprek met de contactnaam “ [naam 1] ” wat in het scherm stond. Ik herkende de stem als dezelfde stem als in het telefoongesprek met [medeverdachte] op vrijdag 23 juni 2017. Dit gesprek werd wederom in de Spaanse taal gevoerd. [medeverdachte] gaf toen na dit gesprek aan dat deze persoon “ [betrokkene 1] ” was. [medeverdachte] zei tegen mij dat er gevraagd werd of ik er was, ik antwoordde luid: “Si signor”. Na dit gesprek zei [medeverdachte] dat hij er inmiddels “hoofdpijn” van had aangezien zaken niet goed liepen. “ [betrokkene 2] ” reageerde hier fel op dat het goed zou komen en hij een nummertje nodig was van “hen”. Ik zag dat [medeverdachte] wat voor zich uit zat te staren en verder zweeg. “ [betrokkene 2] ” drong hierop nogmaals aan dat [medeverdachte] een nummertje moest regelen. Hierop vroeg [medeverdachte] waarom dit nodig was. “ [betrokkene 2] ” antwoordde dat zijn mensen contact moesten leggen met de mensen daar om het geld te kunnen afleveren. [medeverdachte] zweeg en belde opnieuw naar “ [betrokkene 1] ”. “ [betrokkene 2] ” zei intussen tegen [medeverdachte] of ze anders een PGP adres hadden voor zijn mensen. Nadat [medeverdachte] het gesprek had beëindigd hoorde ik hem zeggen dat men alleen een satelliettelefoon had aan die kant en geen andere mogelijkheid hadden om te contacten. Ik vroeg aan de mannen wat het probleem was. “ [betrokkene 2] ” vertelde mij dat zijn mensen contact moesten leggen met mensen daar en een nummer moesten hebben. “ [betrokkene 2] ” was druk met zijn telefoons waar hij tekst op aan het intikken was.
[medeverdachte] vertelde tussentijds een verhaal over 50 rugzakken die hij had klaarstaan om verzonden te kunnen worden. Ik vroeg aan hem wat ik mij daar bij voor moest stellen. [medeverdachte] legde aan mij uit dat in elke rugzak cocaïne in het leer was verwerkt en zo gesmokkeld kon worden. “ [betrokkene 2] ” zei hierop dat hij dit eerder had gedaan met schoenen, 500 gram cocaine laten verwerken in elke zool van een schoen en niemand die het door had.Op een gegeven moment ging de deurbel en “ [betrokkene 2] ” zei dat dit een van zijn mannen moest zijn en ging vervolgens naar buiten.[medeverdachte] zei tegen mij dat hij zich moest verontschuldigen aangezien dit niet zijn manier van werken was. Hij vertelde mij dat men aan de andere kant nerveus werd aangezien zij moesten oppassen voor de politie, militairen en de Guerrilla's die een gevaar op konden leveren voor de 1200 kilo coke die daar op zee lagen voor de kust. Ik zei tegen [medeverdachte] dat dit zeker een fors aantal kilo's was en begreep dat men er vanaf wilde. “ [betrokkene 2] ” was inmiddels teruggekeerd en zei tegen ons, nog even geduld en het word geregeld. [medeverdachte] zei tegen “ [betrokkene 2] ” dat ik al twee uur zat te wachten en dit niet professioneel vond en er mensen nerveus werden met de 1200. “ [betrokkene 2] ” vroeg aan [medeverdachte] dat hij toch had gezegd dat de partij groter was. Ik hoorde [medeverdachte] antwoordden dat het 5000 kilo was maar de rest al weg was. Intussen hoorde ik allerlei verschillende tonen van telefoons en [medeverdachte] en “ [betrokkene 2] ”, en ik zag dat zij hier aandacht aan gaven. [medeverdachte] had intussen nog een whatsapp gesprek met “ [betrokkene 1] ”. Na dit gesprek vroeg [medeverdachte] aan “ [betrokkene 2] ” hoe het nu verderging verlopen. “ [betrokkene 2] ” zei dat er een nummertje geregeld werd en vervolgens na het telefoontje ik het geld kon zien, er een foto van kon maken van de piramide hier op tafel en ik het verlossende belletje kon doen en het dan geregeld was. [medeverdachte] zei dat hij een broodje ging eten en een frisse neus ging halen en vertrok uit de woning. Op een gegeven moment werd er opnieuw aangebeld en “ [betrokkene 2] ” verliet het vertrek en kwam na geruime tijd weer terug de woning in. Na overleg met mijn begeleidingsteam deed ik het voorstel aan “ [betrokkene 2] ” om te vertrekken en ik terug zou komen na een belletje van hem of [medeverdachte] , dat het geregeld was.Op woensdag 28 juni 2017 omstreeks 17:20 uur verliet ik de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .Op woensdag 28 juni 2017 omstreeks 19:21 heb ik telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte] en gevraagd naar de stand van zaken. [medeverdachte] zei dat hij nog in afwachting was en mij dit zo snel mogelijk liet weten.In overleg met mijn begeleider heb ik contact opgenomen met [medeverdachte] om hem mede te delen dat ik tot 20:15 uur zou wachten. Als dan niet bekend zou zijn dat het geld dan getoond kon worden, dan zou ik vertrekken. [medeverdachte] gaf mij hierin gelijk en zei dat hij dan ook zou vertrekken.
25. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2017 van de politie Landelijke Eenheid, met nr. 170626.1300 (p. 23-24 van het procesdossier met nummer LERAE17004, zaaksdossier 26Midway), inhoudende de bevindingen van de verbalisant:
In mijn opdracht heeft politiële pseudodienstverlener 170623 contact opgenomen met een NN-man, de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] wat uiteindelijk resulteerde in een ontmoeting op vrijdag 23 juni 2017 met onder andere twee mannen in een woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Op maandag 26 juni 2017 werden mij via teamleider [verbalisant 1] twee foto's ter beschikking gesteld met het verzoek deze te tonen een de pseudodienstverlener 170623.Vervolgens toonde ik deze foto's aan pseudodienstverlener 170623. Ik hoorde dat hij bij het tonen van de eerste foto zei: “Ik herken op deze foto duidelijk de man uit de rolstoel, de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en die zich “ [medeverdachte] ” noemde.”Bij het tonen van de andere foto hoorde ik dat hij zei:“Ik herken deze foto van de andere man tijdens mijn ontmoeting in de woning, die “broer” werd genoemd. Het is dan wel een foto van langere tijd geleden, maar ik herken hem wel.”
De eerste foto die ik aan pseudodienstverlener 170623 toonde bleek van [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.De tweede foto die ik aan pseudodienstverlener 170623 toonde bleek van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
(…)
32. Het proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 5 juli 2017 van de politie Landelijke Eenheid, met nr. LERAE17004-49 (p. 19-27 van het procesdossier met nummer LERAE17004, zaaksdossier 26Midway), inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte] :
V: Je spreekt ook over 1000 kilo coke in deze verklaring (punt 5). Gezien deze hoeveelheid moet er een heel goede verstandhouding zijn tussen jouw en degene die voor deze grote partij verantwoordelijk is/zijn. Wat is je reactie daarop?
A: Dat hoef je niet. [verdachte] vroeg aan mij, er is een persoon die 1000 kilo coke wilden. Ik ben gaan kijken wat ik kon doen. Ik heb [betrokkene 3] uitgelegd wat er moest gebeuren. Uiteindelijk begreep ik van [verdachte] dat de mensen genoegen namen met 250 kilo coke. De afspraak was 1000 kilo coke en drie dagen later was het nog 250 kilo coke. [verdachte] moet deze afnemers in Nederland kennen.V: Wat bedoel je met je opmerking(punt 6) “ [verdachte] is er ook bij betrokken. Hij is ook een bemiddelaar. Hij wist wie het geld zou hebben..” Wat is zijn betrokkenheid dan en van wie zou [verdachte] het geld krijgen dan?A: Ik weet zijn betrokkenheid verder niet. Alleen dat [verdachte] de afnemers van coke in Nederland geregeld heeft. Ik heb dat zelf uit de mond van [verdachte] gehoord, anders ga ik ook niet bellen om het één en ander te regelen.
Ik weet alleen dat er een bedrag van 3.437.500 aan [betrokkene 4] getoond zou worden. Dat was de eerste afspraak van [verdachte] en mij naar [betrokkene 4] toe. Ik heb gehoord van [betrokkene 3] in Colombia dat de partij van 1000 kilo coke een waarde zou vertegenwoordigen van €3.437.500. Dit heb ik dus doorgekregen van [betrokkene 3] en dit later met [verdachte] besproken. [verdachte] zou namelijk de afnemers van deze partij coke in Nederland regelen.”
2.3
Het hof heeft de bewezenverklaring, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, als volgt gemotiveerd:
“De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, indien het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, de bevindingen van de WOD’er en de belastende stukken die rechtstreeks voortvloeien uit het onrechtmatige pseudodienstverleningstraject moeten worden uitgesloten van het bewijs. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat hij niet kon worden ondervraagd door de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim, omdat de inzet van de WOD’er kon worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012. De bevindingen kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Het eerstgenoemde verweer van de verdediging wordt verworpen.
(…)”
3. Het verweer ex art. 359a Sv en de verwerping daarvan
3.1
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, dan wel dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat sprake is geweest van onrechtmatige pseudodienstverlening. Het hof heeft het verweer in zijn arrest als volgt samengevat weergegeven:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in het onderzoek 26Midway een onrechtmatig pseudodienstverleningstraject heeft plaatsgevonden en dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat primair moet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aangevoerd.
De inzet van de opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel (hierna: de WOD’er) moet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Nu die inzet slechts was gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012 en voor een deel van het traject een bevel stelselmatige informatie-inwinning in de zin van artikel 126j Sv, maar niet op een bevel ex artikel 126i Sv, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het belang dat dit geschonden voorschrift dient, ziet op de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. De ernst van het vormverzuim zit in het feit dat de rechter niet kan toetsen of en, zo ja, hoe de belangenafweging voorafgaand aan de inzet van de WOD’er is gemaakt, nu het vereiste bevel voor die inzet ontbreekt. Deze belangenafweging is in casu nog belangrijker doordat in de ogen van de verdediging bij de start van het traject geen sprake was van een objectieve, concrete en verifieerbare verdenking van een misdrijf ex artikel 67, eerste lid, Sv. De raadsman heeft ten aanzien van het nadeel opgemerkt dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad, omdat de rechtmatigheid van het pseudodienstverleningstraject niet kan worden getoetst, terwijl de verdachte de inhoud van het door de WOD’er opgemaakte proces-verbaal van 29 juni 2017 betwist. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het ontbreken van het bevel in de zin van artikel 126i Sv in combinatie met het materiële aspect van de inzet – in die zin dat de bevindingen van de WOD’er onbetrouwbaar zijn en niet op juistheid kunnen worden getoetst – moet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, omdat – in de bewoordingen van het EHRM – ‘the proceedings as a whole were not fair’.
De verdediging heeft zich – zo begrijpt het hof het gevoerde verweer – uitsluitend in het kader van het hiervoor besproken vormverzuim (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de bevindingen van de WOD’ers en de belastende stukken die rechtstreeks voortvloeien uit het onrechtmatige pseudodienstverleningstraject van het bewijs moeten worden uitgesloten.”
3.2
Het hof heeft het verweer vervolgens als volgt verworpen:
“Op grond van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In opdracht van de officier van justitie heeft het Team Heimelijke Ondersteuning vanaf 22 juni 2017 ondersteuning verleend in het strafrechtelijk onderzoek dat bekend is geworden als 26Midway. In het kader van die inzet werd op de hiervoor genoemde dag besloten om op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 een opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel te laten bellen met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: - [telefoonnummer 2] ) – welk nummer naar later bleek werd gebruikt door medeverdachte [medeverdachte] – om zich voor te doen als degene die in staat is grote hoeveelheden cocaïne te kunnen regelen. Het doel van deze inzet was een afspraak te maken met de vermoedelijke kopers van de cocaïne, zodat deze het geld voor de aankoop van de cocaïne konden laten zien en hun kredietwaardigheid konden aantonen.
Deze inzet is gestart door de WOD’er 170622, die met de gebruiker van - [telefoonnummer 2] heeft gebeld om een ontmoeting te regelen. De WOD’er 170622 heeft op 22 juni 2017 een bericht gestuurd naar - [telefoonnummer 2] en is later die dag teruggebeld door dat nummer. Tijdens dat gesprek heeft WOD’er 170622 aangegeven dat hij een afspraak wil maken namens ‘ [betrokkene 3] ’. Na dit gesprek is het contact met de gebruiker van - [telefoonnummer 2] overgenomen door de WOD’er met nummer 170623. WOD’er 170623 (hierna: de WOD’er) is op 23 juni 2017 naar de ontmoeting met, naar later bleek [medeverdachte] en de verdachte, aan de [a-straat 1] te [plaats] gegaan. Ook op 28 juni 2017 heeft een ontmoeting tussen de WOD’er, de verdachte en [medeverdachte] plaatsgevonden, nadat op 26 juni 2017 een bevel stelselmatige informatie-inwinning ex artikel 126j Sv was afgegeven door de officier van justitie. Bij deze ontmoetingen heeft de WOD’er zich voorgedaan als een tussenpersoon die opereerde voor [betrokkene 3] , althans de partij die de drugs kon leveren. [medeverdachte] en de verdachte moesten aan de WOD’er geld tonen waarmee zij de cocaïne konden betalen om te laten zien dat zij kredietwaardig waren. [medeverdachte] en de verdachte verkeerden tijdens de contacten met de WOD’er in de veronderstelling dat hij onderdeel was van de organisatie in Zuid-Amerika en dat de WOD’er kwam kijken of het geld er was. De inzet van de WOD’er is tijdens de gesprekken steeds gericht geweest op het zien van het geld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de WOD’er en uit de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] over de ontmoeting. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bijvoorbeeld verklaard dat de WOD’er tegen hem zei “waar is het geld, ik wil geld zien”.
Naar het oordeel van het hof kan de inzet van de WOD’er, zoals die hiervoor is weergegeven, niet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i Sv. De WOD’ers hebben in hoedanigheid van vertegenwoordiger van [betrokkene 3] contact opgenomen met de verdachte, en WOD’er 170623 is in die hoedanigheid bij de ontmoetingen aanwezig geweest. Deze WOD’er is hierbij dus slechts opgetreden namens een mogelijke ‘wederpartij’ van de verdachte en niet namens of voor de verdachte. Er is ook niet gebleken dat op enig moment is afgesproken dat de WOD’ers daadwerkelijk iets ten behoeve van de verdachte zouden doen of dat zij dit hebben gedaan. Gebleken is dat van de WOD’er niet méér werd verwacht dan dat hij bij een ontmoeting van de verdachte aanwezig zou zijn, zodat deze via de WOD’er bij [betrokkene 3] kon aantonen dat hij genoeg geld had. Een dergelijk passief optreden als tussenpersoon namens een (beweerdelijke) derde opdrachtgever (of, in de woorden van de verdediging: het enkele ‘representeren’ van [betrokkene 3] ) is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als ‘dienst’ aan de verdachte in de zin van artikel 126i Sv, ook als in aanmerking wordt genomen dat de verdachte (vanuit zijn perspectief) zelf ook belang had bij dit optreden van de WOD’er. Evenmin is gebleken dat het op enig moment de bedoeling is geweest om tot pseudodienstverlening over te gaan. Dat de politie in het kader van de inzet van de WOD’ers zelf de termen ‘pseudodienstverlener’ en ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, doet aan dit oordeel niet af.
Gelet op het voorgaande was een bevel ex artikel 126i Sv niet noodzakelijk voor de inzet van de WOD’er.
Voor de handelingen die door de WOD’er zijn uitgevoerd voor 28 juni 2017 ontbreekt een specifieke wettelijke grondslag. Het hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld of artikel 3 van de Politiewet 2012 voldoende wettelijke basis bood voor de inzet van de WOD’er. Daarvoor dient de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte – zoals ook beschermd door artikel 8 van het EVRM – beperkt te zijn gebleven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De inzet van de WOD’ers heeft plaatsgevonden tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017. Dit contact bestond – op de twee ontmoetingen na – uitsluitend uit telefonisch contact: de WOD’er en [medeverdachte] hebben een aantal keer ge-sms’t en gebeld en de WOD’er en de verdachte hebben één keer met elkaar gebeld. Op 23 juni 2017 en 28 juni 2017 is de WOD’er in het huis van de verdachte geweest. Deze locatie is door de verdachte en/of [medeverdachte] voorgesteld. De WOD’er kreeg slechts de opdracht naar dat adres te komen. De besprekingen die daar hebben plaatsgevonden zijn (voornamelijk) zakelijk van aard geweest en uit het dossier blijkt dat de verdachte zijn woning vaker voor dergelijke zakelijke ontmoetingen gebruikte.
Het hof is van oordeel dat deze contacten – gelet op de duur, intensiteit en frequentie – slechts een beperkte inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat artikel 3 van de Politiewet 2012 hiervoor een toereikende grondslag bood. Bij dat oordeel neemt het hof mee dat op enig moment wel een bevel ex artikel 126j Sv is afgegeven en dat van de hele inzet proces-verbaal is opgemaakt, en dat de gang van zaken na afloop van het traject toetsbaar is geweest.
Het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim wordt verworpen.”
4. Het middel
4.1
Het middel komt op tegen twee in de verwerping van het verweer besloten liggende oordelen van het hof, namelijk (deelklacht I) dat de inzet van de WOD’er 170623 niet kwalificeert als pseudodienstverlening in de zin van art. 126i Sv en (deelklacht II) dat art. 3 van de Politiewet 2012 (hierna: de Politiewet) voor de inzet een toereikende wettelijke grondslag bood, omdat de inzet een beperkte inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.
4.2
Als eerste zal ik een kort overzicht geven van de activiteiten waaruit de inzet van de WOD’er(s) heeft bestaan en van de wettelijke bepalingen die in het kader van deze inzet van belang zijn.
4.3
Aard van de inzet a. 22 juni 2017 – WOD’er 170622 neemt contact op met [medeverdachte] om een ontmoeting te regelen. WOD’er 170622 stuurt [medeverdachte] hiertoe een bericht en wordt later die dag teruggebeld. Tijdens het telefoongesprek maakt WOD’er 170622 kenbaar dat hij een afspraak wil maken namens [betrokkene 3] . b. 23 juni 2017 – Het contact is overgenomen door WOD’er 170623 (hierna: de WOD’er). Deze WOD’er maakt een afspraak voor een ontmoeting met [medeverdachte] op 23 juni 2017. Op die dag vindt een ontmoeting plaats tussen de verdachte, [medeverdachte] en de WOD’er. Afgesproken wordt dat het geld op 26 juni 2017 getoond zal worden. c. 25 juni 2017 – De WOD’er heeft telefonisch contact met [medeverdachte] om de afspraak van 26 juni 2017 te bevestigen. d. 26 juni 2017 – Door de officier van justitie wordt een bevel stelselmatige informatie-inwinning ex art. 126j Sv afgegeven. Op deze dag heeft de WOD’er opnieuw telefonisch contact met [medeverdachte] . [medeverdachte] geeft in het telefoongesprek aan dat de afspraak niet door kan gaan. Het contact resulteert in een nieuwe afspraak op 28 juni 2017.
e. 28 juni 2017 – Er vindt opnieuw een ontmoeting plaats tussen de verdachte, [medeverdachte] en de WOD’er. In de avond wordt er door de WOD’er opnieuw gebeld met [medeverdachte] .
Grondslag van de inzet De inzet van de WOD’er(s) zoals weergegeven onder a. tot en met e. kan, zo begrijp ik de overwegingen van het hof, worden gebaseerd op art. 3 van de Politiewet, waarbij het hof meeweegt dat voorafgaand aan de inzet zoals weergegeven onder e. (de tweede ontmoeting) een bevel stelselmatige informatie-inwinning ex art. 126j Sv is afgegeven.1.
4.4
Voor de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: Artikel 126i lid 1-3 Sv “1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar: a. goederen afneemt van de verdachte, b. gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk afneemt van de verdachte, of c. diensten verleent aan de verdachte.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
3. Het bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte; b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld; c. de aard van de goederen, gegevens of diensten; d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, en e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.”Art. 126j lid 1 Sv “In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte. “
Art. 3 Politiewet “De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”
De eerste deelklacht
4.5
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat met de inzet van de WOD’er geen sprake was van pseudodienstverlening en dus geen bevel ex art. 126i Sv noodzakelijk was, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat dit oordeel onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de conclusie dat geen sprake is van pseudodienstverlening in de zin van art. 126i Sv met name baseert op het oordeel dat slechts sprake was van passief optreden en er geen daadwerkelijke dienst is verleend. De verdediging acht dit oordeel strijdig met hetgeen het hof heeft vastgesteld over de inzet van de WOD’er en de inhoud van bewijsmiddel 24, mede omdat daaruit volgens de steller van het middel blijkt dat de WOD’er een bepalende rol had bij het daadwerkelijk laten plaatsvinden van de transactie.
4.6
Voor de beoordeling van de eerste deelklacht is het van belang wat dieper in te gaan op de vraag wanneer sprake is van het verlenen van een dienst in de zin van art. 126i Sv. Ter beantwoording van deze vraag besteed ik allereerst aandacht aan de wetsgeschiedenis bij de invoering van die bepaling. Daarbij ga ik eveneens kort in op de verhouding tussen pseudokoop en -dienstverlening (art. 126i Sv), infiltratie (art. 126h Sv) en stelselmatige informatie-inwinning (art. 126j Sv), nu deze vergelijking kan bijdragen aan de afbakening van de begrippen pseudokoop en -dienstverlening enerzijds en stelselmatige informatie-inwinning anderzijds.
4.7
Art. 126i Sv werd in 2000 ingevoerd als onderdeel van – kort gezegd – de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet BOB).2.Aanleiding voor de invoering van deze wet vormden de bevindingen van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) over de praktijk van de opsporing en de door de commissie gedane voorstellen tot (nadere) normering van bepaalde ingrijpende opsporingsbevoegdheden.3.Aan de wetswijziging lag het uitgangspunt ten grondslag dat opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die een inbreuk maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis behoeven in het Wetboek van Strafvordering. De inzet van dergelijke verregaande opsporingsmethoden kan niet worden gebaseerd op de algemene opsporingsbevoegdheid van de politie zoals neergelegd in de Politiewet.4.
4.8
De pseudokoop werd in het eindrapport van de PEC omschreven als “een vorm van infiltratie gericht op de aankoop of poging daartoe van een goed teneinde strafprocessueel te kunnen optreden tegen de verkoper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een strafbaar feit hebben gepleegd of gaan plegen”.5.In de Wet BOB is de pseudokoop in art. 126i Sv opgenomen als zelfstandige opsporingsbevoegdheid, die niet per se onderdeel hoeft uit te maken van een infiltratietraject.6.In art. 126i Sv werd daarnaast de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot pseudodienstverlening opgenomen.7.De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden bevat naast art. 126i Sv diverse andere bepalingen waarin de pseudokoop en -dienstverlening zijn geregeld. Zo omschrijft art. 126ij Sv de burgerpseudokoop en -dienstverlening en omvat art. 126q de mogelijkheid tot het geven van een bevel tot pseudokoop en -dienstverlening in het geval er een vermoeden bestaat van georganiseerde criminaliteit.
4.9
De parlementaire stukken bij de invoering van art. 126i Sv in 2000 en de wijziging van de bepaling in 20068.houden over de pseudokoop en -dienstverlening onder meer het volgende in:
“In de artikelen 126i en 126q wordt voorgesteld de pseudo-koop of -dienstverlening wettelijk te regelen. Deze bevoegdheid wordt in artikel 126i omschreven als het van de verdachte afnemen van goederen of het aan de verdachte verlenen van diensten, in het belang van het onderzoek. (…) De bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening is, naast de bevoegdheid tot infiltratie, apart geregeld omdat zij ook buiten een groep waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd aan de orde kan zijn. Ook is de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening alleen al vanwege het in beginsel eenmalige karakter van de handeling, een minder ingrijpende bevoegdheid dan infiltratie. De voorwaarden ervoor zijn dan ook lichter dan voor infiltratie; zij is reeds toegestaan in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. (…) Voorgesteld wordt de uitoefening van de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening alleen te laten plaatsvinden op bevel van de officier van justitie. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen of het belang van de opsporing bij de hantering van deze bevoegdheid opweegt tegen de risico’s die hieraan zijn verbonden en de inbreuk op de rechtsorde die met deze bevoegdheid gepaard kan gaan. (…) Het bevel tot de pseudo-koop of -dienstverlening zal in veel gevallen machtigen tot een strafbaar gestelde gedraging, zoals het kopen van een wapen of het te huur aanbieden van een loods.”9.
“De leden van de PvdA-fractie zagen voorts nog graag een uitleg van de regering over het onderlinge verband tussen infiltratie, pseudokoop en frontstore. Naar mijn mening kan de frontstore begripsmatig bij beide bijzondere opsporingsbevoegdheden in beginsel een rol spelen. Vanuit een frontstore zouden bijvoorbeeld diensten kunnen worden verleend aan een criminele organisatie op basis van artikel 126i Sv. In de praktijk wordt een frontstore evenwel slechts opgezet met het oog op een hecht verband met een criminele organisatie: er zal van «deelnemen of medewerking verlenen aan» sprake zijn. Daarom zal een frontstore-operatie de facto een infiltratiebevel vereisen.”10.
4.10
Van pseudokoop of pseudodienstverlening is op grond van de wettelijke bepaling sprake wanneer respectievelijk goederen worden afgenomen van de verdachte of diensten worden verleend aan de verdachte. Blijkens de wetsgeschiedenis kan bij pseudokoop gedacht worden aan het kopen van een wapen of drugs en valt het te huur aanbieden van een loods of het verlenen van transportdiensten onder pseudodienstverlening. Uit de memorie van toelichting bij de wetswijziging van art. 126i Sv in 2006 blijkt dat bij pseudokoop met name is gedacht aan fysieke handelingen.11.Uit de parlementaire stukken leid ik echter niet af dat de pseudokoop- en dienstverlening zich tot fysieke, meer praktische handelingen beperkt. Voorstelbaar is dat een financiële of een intellectuele dienst wordt verleend, bijvoorbeeld door het bieden van geld of het leggen van nuttige contacten voor de verdachte.12.Daarbij moet ervoor worden gewaakt – met name in het geval een intellectuele bijdrage wordt geleverd – dat de dienstverlener de verdachte niet brengt op ideeën en daaruit voortvloeiende strafbare feiten waarop het opzet van de verdachte nog niet was gericht (vgl. 126i lid 2 Sv).
4.11
In de term pseudo ligt besloten dat de opsporingsmethode gepaard gaat met misleiding: kenmerkend aan de pseudokoop en -dienstverlening is dat de opsporingsambtenaar zijn ware identiteit verhult en zich voordoet als iemand anders. Ook bij infiltratie (126h Sv) en stelselmatige informatie-inwinning (126j Sv) is sprake van misleiding. Voornoemde opsporingsmethoden onderscheiden zich van elkaar door de mate waarin de opsporingsambtenaar zich in (het begaan van) de strafbare feiten mengt. Bij infiltratie neemt de opsporingsambtenaar deel aan, of verleent hij medewerking, aan de groep waarbinnen wordt vermoed dat misdrijven worden beraamd of gepleegd. Er is kort gezegd sprake van ‘meedoen aan strafbaar gedrag.’13.Infiltratie is ingrijpender dan pseudokoop of -dienstverlening: dat blijkt uit de voorwaarden waaronder infiltratie is toegestaan (zie art. 126h lid 1 Sv), maar ook uit het feit dat pseudokoop of -dienstverlening een onderdeel kan vormen van een infiltratieactie, zonder dat daarbij een apart bevel in de zin van art. 126i Sv hoeft te worden gegeven.14.Ook bij pseudo-koop of -dienstverlening is de opsporingsambtenaar bevoegd om strafbare feiten te plegen. Dit is niet toegestaan bij het stelselmatig inwinnen van informatie.15.
4.12
De stelselmatige informatie-inwinning in de zin van art. 126j Sv kenmerkt zich door het verzamelen van bewijs over een strafbaar feit of het verzamelen van informatie over de verdachte door een opsporingsambtenaar, zonder dat voor de verdachte of anderen kenbaar is dat zij te maken hebben met een opsporingsambtenaar. De opsporingsambtenaar neemt een andere identiteit aan en legt in die hoedanigheid contact met de verdachte, bijvoorbeeld door deel te nemen aan dezelfde sportclub als de verdachte, of door zich te begeven in dezelfde uitgaansgelegenheid. De opsporingsambtenaar interfereert dus actief in het leven van de verdachte, maar neemt niet deel aan strafbare feiten.16.De opsporingsambtenaar kan in zijn contact met de verdachte aansturen op het verstrekken van bepaalde informatie, maar hij verricht geen gedragingen waarmee het handelen van de verdachte wordt beïnvloed. De pseudokoop en -dienstverlening strekt wel tot dergelijke beïnvloeding: met het handelen van de opsporingsambtenaar (het maken van afspraken voor een koop, of het verlenen van een dienst) wordt beoogd invloed uit te oefenen op het handelen van de verdachte (bijvoorbeeld doordat de verdachte het te verkopen goed aan de opsporingsambtenaar toont).
4.13
De pseudokoop en -dienstverlening lijkt wat betreft de inmenging van de opsporingsambtenaar in strafbare feiten het midden te houden tussen infiltratie en de stelselmatige informatie-inwinning. De opsporingsambtenaar mengt zich niet actief in het criminele verband, maar beperkt zich ook niet tot het verzamelen van informatie over het strafbare feit waarvan een verdenking bestaat. De pseudokoop en -dienstverlening zou gekarakteriseerd kunnen worden als het faciliteren van het begaan van strafbare feiten door de verdachte: de opsporingsambtenaar verricht een handeling waarmee het begaan van het strafbare feit verder wordt gebracht, of – in sommige gevallen – tot voltooiing komt.
Bespreking van de eerste deelklacht
4.14
Het hof heeft vastgesteld dat het doel van de inzet van de WOD’er was om een afspraak te maken met de vermoedelijke kopers van de cocaïne, zodat zij het geld voor de aankoop van de cocaïne konden laten zien en hun kredietwaardigheid konden aantonen. Tijdens de telefoongesprekken en de ontmoetingen heeft de WOD’er zich voorgedaan als een tussenpersoon die opereerde voor [betrokkene 3] , de partij die de drugs kon leveren. De inzet van de WOD’er is – zo stelt het hof – steeds gericht geweest op het zien van het geld. Het hof merkt in dit kader op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bijvoorbeeld heeft verklaard dat de WOD'er tegen hem zei “waar is het geld, ik wil geld zien”. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de WOD’er (bewijsmiddel 24) blijkt dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de rol van de tussenpersoon (de WOD’er) ertoe strekte om na het tonen van het geld zijn goedkeuring aan de opdrachtgever (de verkoper van de drugs) over te brengen, zodat daarna tot de overdracht van de drugs kon worden overgegaan.
4.15
Het hof komt op basis van deze vaststellingen over de aard van de inzet van de WOD’er tot de conclusie dat deze inzet niet kan worden gekwalificeerd als pseudo-dienstverlening in de zin van art. 126i Sv. Het hof motiveert dit oordeel als volgt (reeds weergegeven onder 3.2, maar hieronder voor het lezersgemak herhaald):
“De WOD'ers hebben in hoedanigheid van vertegenwoordiger van [betrokkene 3] contact opgenomen met de verdachte, en WOD’er 170623 is in die hoedanigheid bij de ontmoetingen aanwezig geweest. Deze WOD’er is hierbij dus slechts opgetreden namens een mogelijke ‘wederpartij’ van de verdachte en niet namens of voor de verdachte. Er is ook niet gebleken dat op enig moment is afgesproken dat de WOD’ers daadwerkelijk iets ten behoeve van de verdachte zouden doen of dat zij dit hebben gedaan. Gebleken is dat van de WOD’er niet méér werd verwacht dan dat hij bij een ontmoeting van de verdachte aanwezig zou zijn, zodat deze via de WOD’er bij [betrokkene 3] kon aantonen dat hij genoeg geld had. Een dergelijk passief optreden als tussenpersoon namens een (beweerdelijke) derde opdrachtgever (of, in de woorden van de verdediging: het enkele ‘representeren’ van [betrokkene 3] ) is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als ‘dienst’ aan de verdachte in de zin van artikel 126i Sv, ook als in aanmerking wordt genomen dat de verdachte (vanuit zijn perspectief) zelf ook belang had bij dit optreden van de WOD’er. Evenmin is gebleken dat het op enig moment de bedoeling is geweest om tot pseudodienstverlening over te gaan. Dat de politie in het kader van de inzet van de WOD’ers zelf de termen ‘pseudodienstverlener’ en ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, doet aan dit oordeel niet af.”
4.16
Aan het oordeel van het hof ligt allereerst ten grondslag dat de inzet van de WOD’er passief van aard was en dat de WOD’er niet heeft gehandeld voor of namens de verdachte. Uit de wetsgeschiedenis van art. 126i Sv leid ik niet af dat noodzakelijk is dat de WOD’er handelt voor of namens de verdachte. Doorslaggevend lijkt mij of met de pseudodienstverlening een belang van de verdachte is gediend, en of de opsporingsambtenaar het begaan van het strafbare feit dat de verdachte voor ogen had, heeft gefaciliteerd.
4.17
In het onderhavige geval is de inzet van de WOD’er er steeds op gericht geweest dat aan hem het geld voor de aankoop van een partij cocaïne zou worden getoond. Daartoe hebben verschillende contacten plaatsgevonden tussen de WOD’er, de verdachte en [medeverdachte] . Vanwege de gerichtheid van de inzet op het tonen van geld – het hof stelt bijvoorbeeld vast dat de WOD’er heeft gezegd “waar is het geld, ik wil het geld zien” – , is het oordeel van het hof dat slechts sprake is van een passief optreden, niet zonder meer begrijpelijk. Er kan zelfs gesteld worden dat de WOD’er heeft deelgenomen aan de strafbare voorbereidingshandelingen door zijn bemiddelende rol.
4.18
4.19
4.20
Het tonen van het geld was in de voorstelling van de verdachte dus een noodzakelijke stap in de aankoop van de cocaïne. Vanuit die gedachte waren de verdachte en zijn kompanen immers ook op zoek naar een partij aan wie zijn hun kredietwaardigheid konden tonen. Door zich in deze fase voor te doen als tussenpersoon namens de verkopende partij in Zuid-Amerika, heeft de WOD’er het proces van aankoop van cocaïne (de voorbereiding van die aankoop) – en daarmee het begaan van een strafbaar feit – gefaciliteerd.
4.21
Het hof merkt verder op dat niet is afgesproken dat de WOD’er daadwerkelijk iets ten behoeve van de verdachte zou doen. Ik heb me afgevraagd of het feit dat het geld niet daadwerkelijk is getoond – en de inzet van de verdachte dus niet daadwerkelijk tot het verlenen van de dienst is gekomen – in de weg staat aan de kwalificatie van de inzet als pseudodienstverlening. Ik meen van niet, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2003.17.Daaruit volgt dat niet pas sprake is van pseudokoop als daadwerkelijk goederen zijn afgeleverd aan de pseudokoper, maar dat ook sprake is van pseudokoop in het geval de opsporingsambtenaar met de verdachte tot afspraken komt strekkende tot aankoop en aflevering van goederen. Het lijkt mij dat, gelet op de samenhang tussen pseudokoop en pseudodienstverlening, dat ook in het geval van pseudodienstverlening niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk wordt overgegaan tot het verlenen van een dienst (in dit geval, het bekijken van het geld en het daarmee beoordelen van de kredietwaardigheid), maar dat ook het maken van een concrete afspraak daartoe voldoende kan zijn.
4.22
Tot slot overweegt het hof dat het feit dat de politie in het kader van de inzet van de WOD’ers zelf de termen ‘pseudodienstverlener’ en ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, niet afdoet aan het oordeel dat geen sprake was van pseudodienstverlening in de zin van art. 126i Sv. Inderdaad blijkt uit diverse stukken dat de politie en het openbaar ministerie de inzet zelf hebben gekarakteriseerd als pseudodienstverlening. Zo duidt een lid van de politie Landelijke Eenheid die – volgens het proces-verbaal – leiding geeft aan de WOD’er, deze WOD’er consequent aan met “politiële pseudodienstverlener” (zie bewijsmiddel 25). Ook in de tenlastelegging wordt de WOD’er bestempeld als pseudodienstverlener: in het kader van art. 10a Opiumwet wordt de verdachte verweten dat hij en/of zijn mededaders contact hebben gezocht met een of meer tussenpersonen, te weten pseudodienstverlener(s) 170622 en/of 170623, en dat ze met een van hen een ontmoeting hebben georganiseerd om geld te tonen. Tijdens de zitting van 15 september 2023 stelt de advocaat-generaal zelfs:
“Ten tijde van de inzet van de undercoveragent was voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Er was sprake van een verdenking van een misdrijf zoals genoemd in artikel 67 lid 1 Sv en het was in het belang van het onderzoek.”
4.23
Het voorgaande roept de vraag op waarom – wanneer de inzet klaarblijkelijk zo sterk geassocieerd werd met pseudodienstverlening – er geen bevel in de zin van art. 126i Sv is afgegeven. Anders dan het hof acht ik de wijze waarop de politie en het openbaar ministerie de inzet zelf aanduiden van belang voor de kwalificering van die inzet. De herhaaldelijke karakterisering van de inzet als pseudodienstverlening(straject) kan niet zelfstandig tot het oordeel leiden dat sprake is van pseudodienstverlening, maar geeft wel inzicht in de wijze waarop de politie en het openbaar ministerie de inzet hebben beschouwd.
4.24
Alles bij elkaar genomen kan, gelet op het hiervoor onder 4.16 - 4.21 aangehaalde, mijns inziens niet worden volgehouden dat onderhavige inzet van de WOD’er geen pseudo-dienstverlening oplevert.
4.25
4.26
De eerste deelklacht slaagt.
4.27
Ik heb mij afgevraagd of dit tot cassatie moet leiden. Ik meen van wel. De bewezenverklaring van het onder parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit berust vrijwel uitsluitend op de verklaring van de WOD’er. De resterende door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring niet zelfstandig dragen. Na terugwijzing dient het hof te oordelen over de aan het vormverzuim te verbinden gevolgen en de strafmaat.
De tweede deelklacht
5. Slotsom
5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar slechts wat de beslissing van het hof met betrekking tot de onder parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen betreft en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑01‑2025
Stb. 2000, 32, p. 2 en Stb. 1999, 245, p. 3.
Zie hierover: Kamerstukken II, 1996/97, 25403, nr. 3, p. 33.
Aan deze bevoegdheid wordt in het eindrapport van de PEC geen aandacht besteed in termen van ‘pseudodienstverlening’. Wel wordt in het rapport ingegaan op het toepassen van ‘frontstores’, waarbij door de opsporingsambtenaar bijvoorbeeld transport- of financiële diensten worden verleend aan een criminele organisatie. Zie Kamerstukken II, 1995/96, 24072, nr. 11, p. 240.
Bij wijziging van art. 126i Sv in 2006 werd in lid 1, aanhef en onder b de mogelijkheid voor de officier van justitie opgenomen om te bevelen dat een opsporingsambtenaar gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk afneemt van de verdachte.
Kamerstukken II, 1996/97, 25403, nr. 3, p. 33-34.
Kamerstukken II, 1998/1999, 26671, nr. 3, p. 37 en 38. Daarin staat dat bij pseudo-koop of pseudo-dienstverlening met name wordt gedacht aan “fysieke handelingen zoals het afnemen van drugs en het verlenen van transportdiensten”.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Den Haag 25 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14881.
P.M. Frielink, ‘Een kwart eeuw infiltratie. Een beperkte update en een enkele terugblik’, in: E. Hofstee e.a. (red.), Kringgedachten. Opstellen van de Kring Corstens, Deventer: Kluwer 2014, p. 139 e.v.
Kamerstukken II, 1996/97, 25403, nr. 3, p. 33. Wel is in zo’n geval vereist dat het bevel ex art. 126h Sv vermeldt dat een pseudokoop of dienstverlening plaatsvindt.
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden (2014A009) onder 2.6, onder het kopje “Pseudo-koop of -dienstverlening (artt. 126i/126q Sv)”: “De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening doordat de opsporingsambtenaar in geval van pseudo-koop of -dienstverlening bevoegd is om strafbare feiten te plegen. Dit is niet toegestaan bij het stelselmatig inwinnen van informatie. De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie wordt toegepast met de bedoeling om informatie in te winnen over de verdachte waardoor een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van diens leven wordt verkregen, terwijl de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening veelal zal worden toegepast ter verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en/of het afleveren van verboden voorwerpen.” Zie ook: Kamerstukken II, 1996/97, 25403, nr. 3, p. 34-35.
Kamerstukken II, 1996/97, 25403, nr. 3, p. 34-35.
HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7331.
Beroepschrift 06‑09‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
ter attentie van de strafgriffie
Postbus 20303
2500 EH 'S‑GRAVENHAGE
INGEDIEND VIA WEBPORTAAL
AMSTERDAM 6 september 2024
Kenmerk | D2022615 |
Inzake | [verdachte]/ HR (23/04121) |
Edelhoogachtbare heer, vrouwe,
Gelieve bijgaand in opgemelde zaak een schriftuur, houdende middelen van cassatie te treffen, met het verzoek deze in behandeling te nemen.
Ik vertrouw erop u hiermee te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Vis & Van Reydt Advocaten
Emile van Reydt
Schriftuur houdende cassatiemiddelen
Zaaknummer | 23/04121 |
Inzake | [verdachte] / HR (23/04121) |
Betreft | [verdachte], verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof Den Haag op 12 oktober 2023 onder parketnummer 22/000665-20 gewezen arrest |
Middelen | I |
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 3 Politiewet, artikelen 126i, 141, 350, 359 en 359a Sv geschonden doordat de beslissing van het hof op het gevoerde vormverzuimverweer over de onrechtmatigheid van de inzet van het Team Heimelijke Ondersteuning getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of het hof deze onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.
Het middel valt uiteen in twee klachten:
- I.
Het oordeel van het hof dat de inzet van het Team Heimelijke Ondersteuning niet als pseudodienstverlening kan worden gekwalificeerd, dat geen bevel ex artikel 126i Sv noodzakelijk was voor de gepleegde inzet en geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd;
- II.
Het oordeel van het hof dat de algemene politietaak zoals neergelegd in artikel 3 Politiewet een toereikende grondslag vormde voor de gepleegde inzet, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Het oordeel van het hof dat de gepleegde inzet slechts een ‘beperkte inbreuk’ op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker heeft gemaakt is onbegrijpelijk.
Toelichting
1.
De verdediging heeft op de terechtzitting in hoger beroep op 15 september 2023 aan de hand van een overgelegde pleitnota het volgende — met weglating van voetnoten — aangevoerd:
‘Onrechtmatigheid pseudodienstverleningstraject
- 1.
Het onderzoek ‘26Midway’ is blijkens het dossier opgestart op 16 juni 2017 nadat door de politie een proces-verbaal werd ontvangen van de Dienst Landelijke Informatie Organisatie, met daarin, door tussenkomst van de in Nederland gestationeerde laision officier van de Verenigde Staten, verkregen informatie. Het betreffende PV onthult kortgezegd dat er aanwijzingen waren dat de gebruiker van een Nederlands telefoonnummer ([telefoonnummer 2]) lid was van een Nederlandse organisatie die zich bezighield met de handel in cocaïne. De organisatie was opzoek naar een nieuwe leverancier van cocaïne en was bereid om de kredietwaardigheid voor het kopen van grote hoeveelheden cocaïne aan te tonen. Om een ontmoeting te regelen met deze persoon diende de leverancier contact op te nemen met voornoemd telefoonnummer en de code ‘[code]’ te gebruiken. De gebruiker van voornoemd telefoonnummer zou daarnaast contact hebben met een lid van dezelfde organisatie in Colombia, aldus het proces-verbaal.
- 2.
Enkel en alleen naar aanleiding van deze informatie, die overigens op 19 juni 2017 is ontvangen en waarvan op 20 juni 2017 een proces-verbaal is opgemaakt, is een politioneel pseudodienstverlenerstraject gestart. Het doel hiervan was om een afspraak te maken met de vermoedelijke kopers/afnemers van de cocaïne, zodat deze het geld of een groot deel daarvan voor de aankoop zouden tonen. De ingeschakelde opsporingsambtenaar (170622) van de Dienst WOD heeft daarop contact gelegd met telefoonnummer [telefoonnummer 2], dat later in gebruik bleek te zijn bij medeverdachte [medeverdachte]. Het (vele) telefonische contact heeft geleid tot twee ontmoetingen, te weten op 23 juni 2017 en 28 juni 2017, aan de [a-straat 01] in [a-plaats]. [medeverdachte], een andere pseudodienstverlener (170623) en cliënt waren bij deze ontmoetingen aanwezig.
- 3.
Voordat de verdediging ingaat op de (voor cliënt belastende) bevindingen van de pseudodienstverlener, dient te worden stil gestaan bij de (on)rechtmatigheid en betrouwbaarheid van dit traject. Voor zover de verdediging heeft kunnen nagaan, is de inzet gebaseerd op de generieke bevoegdheid van artikel 3 van de Politiewet alsmede op een bevel stelselmatige informatie-inwinning als bedoeld in artikel 126j Sv, dat overigens pas 4 dagen na de start van het traject is afgegeven. Dat betekent dat een verregaande bijzondere opsporingsbevoegdheid is ingezet zonder een daartoe strekkend bevel als bedoeld in art. 126i Sv én zonder dat de waarborgen waarmee die inzet is omgeven in acht zijn genomen.
- 4.
De ruime ervaring van de AG — zowel als officier van justitie als SSR-docent — met trajecten als onderhavige ten spijt, kan in redelijkheid niet worden betwist dat onderhavig traject als pseudodienstverleningstraject heeft te gelden. Zulks werd, althans tot vandaag, ook niet door het openbaar ministerie bestreden. Ook de begeleider van het Team Heimelijke Ondersteuning, dhr. [begeleider], spreekt in dat kader zelfs over een ‘pseudokoopactie’. Bovendien, uw hof heeft — bij toewijzing van onderzoekswensen in dit kader — consequent de termen pseudodienstverlener en pseudodienstverleningstraject gebruikt. En ook AG Paridaens heeft het in haar conclusie voor het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [medeverdachte] over de inzet van een ‘pseudodienstverlener’ (conclusie van 7 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:338).
- 5.
Ik wijs daarbij nog op de aanwijzing opsporingsbevoegden waarin ten aanzien van pseudokoop en -dienstverlening het volgende wordt opgemerkt:,
‘in het algemeen zal de bevoegdheid tot (burger)pseudokoop en — dienstverlening worden toegepast ter verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en/of het afleveren van verboden voorwerpen’.
Precies waarop onderhavige inzet was gericht.
- 6.
Als het kwaakt als een eend, waggelt als een eend en zwemt als een eend, is het waarschijnlijk een eend. In dit geval is er evident sprake van een pseudodienstverleningstraject, waarbij de dienst bestaat uit het representeren van de potentiële leverancier van cocaïne, het (voorwenden) als tussenpersoon te opereren, daarbij te onderhandelen over de prijs en daarbij te controleren of de afnemers ‘goed waren voor hun geld’. Beide pseudodienstverleners worden nota bene in de tenlastelegging zelf als ‘tussenpersonen’ bij de onderhandelingen over de levering van een grote partij cocaïne aangeduid.
- 7.
Artikel 126i Sv verlangt in dat geval een (schriftelijk) bevel van de officier van justitie tot toepassing van die bevoegdheid, en benoemt in het derde lid een vijftal (a t/m e) eisen waaraan dat bevel dient te voldoen, zoals het vermelden van ‘de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar handelen (onder d)’. Nu dat bevel in het geheel ontbreekt — en dat ontbreken wordt evenmin bestreden door het openbaar ministerie — is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. Hoewel dat gebrek minst genomen tot bewijsuitsluiting dient te leiden, meent de verdediging — mede gelet op het materiële aspect van die inzet; de wijze van verslaglegging, opeenstapeling van fouten — dat het verval van het vervolgingsrecht als enige juiste uitkomst hier heeft te gelden. De verdediging zal dat betogen aan de hand van de factoren genoemd in art. 359a, tweede lid, Sv, zoals dat blijkens vaste jurisprudentie op enigszins schoolse wijze verlangd wordt.
Het drieluik: belang, ernst en nadeel
Belang
- 8.
Te beginnen bij het belang van het geschonden voorschrift. Blijkens de ontstaansgeschiedenis van dit wetsartikel heeft de wetgever de pseudokoop/dienstverlening alleen willen laten plaatsvinden op bevel van de officier van justitie, omdat het aan hem is ‘om te beoordelen of het belang van de opsporing bij de hantering van deze bevoegdheid opweegt tegen de risico's die hieraan zijn verbonden en de inbreuk op de rechtsorde die met deze bevoegdheid gepaard kan gaan’. Dit komt ook tot uitdrukking in de vijf elementen die het schriftelijke bevel ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 126i Sv dient te bevatten. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, ziet aldus op de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Het bevel stelt de rechter in staat om (achteraf) de rechtmatigheid van de inzet van de bijzondere bevoegdheid te kunnen toetsen teneinde het recht op een eerlijk proces te waarborgen, hetgeen in casu volstrekt onmogelijk is gebleken door het ontbreken daarvan. Juist wanneer het gaat om de inzet van opsporingsbevoegdheden waarbij de opsporingsautoriteiten actief deelnemen aan het begaan strafbare feiten, is maximale transparantie geboden en kan en mag niet worden gemarchandeerd met de wettelijk verankerde waarborgen waarmee een dergelijk traject is omgeven.
Ernst
- 9.
Ten aanzien van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij speelt de mate van verwijtbaarheid van het verzuim eveneens een rol. Weliswaar geldt dat weliswaar ‘in overleg met de officier van justitie mr. [officier van justitie]’ een opsporingsambtenaar heeft gebeld met telefoonaansluiting [telefoonnummer 2], dat duidt echter niet op een mondeling bevel tot de inzet van een pseudodienstverlenerstraject. Daarnaast is het niet bij bellen gebleven; de opsporingsambtenaar is ook daadwerkelijk naar de afspraak gegaan, heeft een vervolgafspraak gemaakt, telefonisch contact onderhouden met [medeverdachte] en heeft nogmaals een bezoek gebracht aan de [a-straat 01] te [a-plaats]. Allemaal handelingen zónder dat daar een bevel ex art.126i Sv aan ten grondslag lag. Het dossier vertoont daardoor een beeld waarin zonder ook maar enige belangenafweging, die wél expliciet verlangd wordt door de wetgever, direct is gegrepen naar een paardenmiddel.
- 10.
Het belang van zo'n belangenafweging wordt voorts des te zichtbaarder indien tevens de start van het traject in ogenschouw wordt genomen. Was er überhaupt wel een voldoende objectieve, concrete en verifieerbare verdenking op het moment dat voornoemd invasieve opsporingspaardenmiddel werd ingezet? Dat is blijkens het bepaalde in art. 126i Sv wel een vereiste; pas bij een verdenking van een misdrijf omschreven in art. 67, eerste lid, Sv, kan zo'n bevel worden afgegeven. De memorie van toelichting vermeldt in dat kader dat het moet gaan om een ‘geconcretiseerde’ verdenking.
- 11.
Aan die maatstaf is in de ogen van de verdediging niet voldaan. De inzet van het pseudodienstverleners-traject is immers gestoeld op slechts één enkel bericht. Eén bericht dat nota bene in algemene termen beschrijft dat er ‘aanwijzingen’ bestonden dat de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] lid was van een Nederlandse organisatie die zich bezighield met de handel in cocaïne. Wat deze ‘aanwijzingen’ precies inhielden is niet geconcretiseerd, evenals de bron van die aanwijzingen: is de informatie afkomstig van een getuige, of misschien ook van een pseudodienstverlener? Hoe zijn de aanwijzingen door de Amerikaanse autoriteiten vergaard? Kijkend naar de inhoud van het bericht had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om eerst op minder ingrijpende wijze de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van voornoemde informatie te verifiëren, alvorens over te gaan op het vergaande pseudodienstverleningstraject. Wie zich overigens vastklampt aan het interstatelijke vertrouwensbeginsel en daarom meent dat aan het blindvaren op dergelijke startinformatie geen risico's kleven, komt bedrogen uit. In een zaak die bij de Rechtbank Rotterdam diende werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat aan de startinformatie afkomstig van de Amerikaanse opsporingsautoriteiten — naar later bleek — een gebrek kleefde. Met andere woorden: énige vorm van verificatie bij dit soort informatie is belangrijk, te meer indien het voornemen bestaat om een vergaand opsporingsmiddel in te zetten. Kort en goed meent de verdediging dan ook dat de summiere inhoud van het bericht op zichzelf beschouwd onvoldoende grond bood voor een objectieve en concrete verdenking op basis waarvan het pseudodienstverleningstraject werd uitgevoerd, wat eveneens — los van het ontbreken van het bevel — de rechtmatigheid aantast.
- 12.
Dat op diezelfde dag van de inzet — weliswaar na voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris — een bevel tot het opnemen van telecommunicatie en vordering verstrekken verkeersgegevens is afgegeven, doet aan het voorgaande niets af. Opmerking verdient daarbij dat óók hier zowel het schriftelijke bevel ex art. 126m v als de machtiging van de rechter-commissaris in het dossier ontbreken, waardoor het voor uw hof als zittingsrechter onmogelijk is om (eveneens) de rechtmatigheid van deze bevoegdheid te beoordelen, nu bij die beoordeling enerzijds moet worden gekeken naar de vraag of (i) ‘de RC in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging heeft kunnen komen’ en (ii) of ‘het gebruik door de officier van justitie van de bevoegdheid tot het geven van het tapbevel in overeenstemming is met de machtiging en overigens ook rechtmatig is’. Wat is nog de functie van wezenlijke vormvoorschriften die tot doel hebben het opsporingsonderzoek volgens de regels en de bedoeling van de wetgever te laten verlopen, als het OM het in deze zaak het lijkt te reduceren tot een ondergeschikte administratieve kwestie? De geschetste gang van zaken maakt dat sprake is van een ernstig vormverzuim; niet alleen was er onvoldoende grond voor een verdenking op basis waarvan het pseudodienstverlenerstraject is ingezet, tevens is noch mondeling noch schriftelijk een bevel afgegeven en ontbeert de vereiste belangenafweging.
Nadeel
- 13.
Bij de beoordeling van het nadeel is allereerst van belang dat cliënt door het verzuim ‘in zijn verdediging’ is geschaad. De rechtmatigheid van het pseudodienstverleningstraject — zowel ten aanzien van de scope van de gegeven opdracht, de kaders waarbinnen die opdracht zou moeten worden uitgevoerd en de wijze waarop vervolgens door de opsporingsambtenaar invulling is gegeven aan die opdracht — kan in het geheel niet worden getoetst, terwijl cliënt de inhoud van het PV d.d. 29 juni 2017 van de pseudodienstverlener(s) met klem betwist. Het ontbreken van zo'n adequate toetsings- en onderzoeksmogelijkheid voor de verdediging raakt het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Het daaruit voortvloeiende ‘equality of arms’- beginsel verlangt immers dat de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld om het tegen hem gerichte materiaal ter discussie te stellen. Daarnaast is onmiskenbaar sprake van een schending van het recht op eerbieding van het privéleven van cliënt ex art. 8 EVRM, gelet op de ontmoetingen die hebben plaatsgehad in de woning van cliënt aan de [a-straat 01] te [a-plaats].
Rechtsgevolg
- 14.
De hamvraag is welk rechtsgevolg recht doet aan de aard en ernst van de normschending. Gelet op het door de Hoge Raad gehanteerde uitgangspunt van subsidiariteit is de toepassing van bewijsuitsluiting wellicht het eerste rechtsgevolg dat in het oog springt; dat komt immers (onder meer) in beeld indien dit noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM te voorkomen. Daarbij valt te denken aan situaties waarin de verklaringsvrijheid van de verdachte centraal staat, zijn recht op rechtsbijstand, maar óók — zoals hier aan de orde — diens recht op toetsing van het bewijsmateriaal. In deze gevallen is, aldus de Hoge Raad, de ruimte om af te zien van bewijsuitsluiting zeer beperkt. Het zal dan ook geen verrassing zijn dat dit rechtsgevolg al eens eerder is gekoppeld aan het ontbreken van een machtiging ex 126i Sv.
Niet-ontvankelijkheid
- 15.
De verdediging meent evenwel dat het ontbreken van het bevel als bedoeld in art. 126i Sv in combinatie met het materiële aspect van de inzet, dient te leiden tot het verstrekkende oordeel dat — in de bewoordingen van het EHRM — ‘the proceedings as a whole were not fair’, waardoor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in dezen de enige passende uitkomst is. Niet alleen is door het ontbreken van het bevel aan de ‘voorkant’ onbekend gebleven binnen welke kaders de pseudodienstverlener(s) mocht(en) opereren; tegelijkertijd is aan de ‘achterkant’ een wazig beeld ontstaan van de inhoud van de inzet, nu — middels het RHC verhoor — is gebleken dat de weergave van de ontmoetingen zoals in het PV van bevindingen d.d. 29 juni 2017 niet accuraat is en er achter de schermen het een en ander is misgegaan. Zowel de rechtmatigheid als de betrouwbaarheid van het traject is hierdoor in het geding.
- 16.
In dat kader dient allereerst stil te worden gestaan bij het verhoor van pseudodienstverlener 170623 in februari van dit jaar. Zoals uw hof heeft kunnen vernemen uit het PV van bevindingen, verliep dit verhoor op de dag van de Heilige Valentijn zeer chaotisch: de pseudodienstverlener verklaarde over een geheel andere inzet, dan waarover hij bevraagd zou worden. Het verhoor werd daarop korttijdig gestaakt, zodat de RHC in afwezigheid van de verdediging en de AG met de pseudodienstverlener in gesprek kon gaan over de zaak waarover hij dacht een getuigenis te moeten afleggen. Gepoogd werd na te gaan of wel de juiste pseudodienstverlener was opgeroepen voor het verhoor. Hoewel het niet expliciet in het PV staat vermeld, zijn die dag eveneens hints/herkenningspunten uit het onderzoek 26Midway genoemd, waar de pseudodienstverlener overigens op dat moment niet op aansloeg.
- 17.
Achteraf bezien is dat vrij merkwaardig, nu uit PV van de politie bleek dat kennelijk wél de juiste getuige was opgeroepen. De pseudodienstverlener had zich klaarblijkelijk op de verkeerde zaak voorbereid, doordat in het politiesysteem maar één zaak naar voren kwam waaronder was geverbaliseerd met nummer 170623, en dat bleek niet de zaak 26Midway te betreffen. De fout is ontstaan doordat het ‘normaal gesproken’ unieke nummer (170623) ten onrechte tweemaal was verstrekt en ook nog eens — toevallig of niet — aan één en dezelfde persoon. Kortom: de betreffende pseudodienstverlener zou met hetzelfde nummer in twee verschillende onderzoeken hebben gewerkt, die volledig los staan van elkaar.
- 18.
Deze schimmige gang van zaken roept uiteraard wat vragen op. Allereerst is het, zoals reeds vermeld, zeer opmerkelijk dat de pseudodienstverlener op 14 februari jl. niet aansloeg op de hints uit het onderzoek 26Midway. Hierdoor diende eerst uitgezocht te worden wat precies was fout gegaan, alvorens het verhoor — met uiteindelijk toch diezelfde getuige — op 9 maart 2023 kon worden voortgezet. Daarnaast blijkt uit het PV van de politie dat een medewerker normaal gesproken een uniek nummer krijgt en dat ‘in andere zaken niet onder dit nummer kan worden geverbaliseerd’. Maar tóch zou dat hier zijn gebeurd. Daarbij viel de verdediging nog het volgende op: de casus waarover de pseudodienstverlener (170623) in eerste instantie verklaarde, heeft als kenmerk proces-verbaalnummer 170623.1900. Het eerste gedeelte van het pv-nummer correspondeert aldus met de codering die de verbalisant in die zaak toegekend heeft gekregen. Het PV dat door de pseudodienstverlener in 26Midway is opgesteld, heeft als kenmerk 170629.1000. Had de pseudodienstverlener in kwestie 170629 als nummer moeten krijgen? Was er al een verbalisant met die code werkzaam en is hij ook ingezet in 26Midway? Hoe heeft deze grove misser kunnen ontstaan? Een ding is in ieder geval zeker: het ingezette pseudodienstverlenerstraject is omgeven door een zweem van raadselachtigheid.
- 19.
Duidelijk is in ieder geval dat de pseudodienstverlener zich weinig kon herinneren van zijn inzet in 26Midway. Wat het eerste contact is geweest, hoe de afspraak in de woning tot stand kwam, wie het geld zou regelen: dat wist de pseudodienstverlener allemaal niet meer. Wél gaf hij zonder enige twijfel aan dat er maar één ontmoeting had plaatsgevonden. Ook nadat de RHC hem het doel van de afspraak nogmaals voorhield, gaf hij aan:
‘(…) Nee, er was maar 1 ontmoeting en er is geen geld getoond (….). Ik ben vertrokken want voor die ontmoeting was de missie klaar. Ik kan mij niet herinneren of er nog een vervolgafspraak gemaakt is toen ik wegging of dat er nog contact is geweest. Wat ik wel weet is dat er maar 1 ontmoeting heeft plaatsgevonden (…)’.
Dit komt echter overduidelijk niet overeen met de inhoud van het PV van bevindingen d.d. 29 juni 2017, waaruit blijkt dat er twee ontmoetingen zijn geweest. Deze discrepantie wierp bij de verdediging de vraag op of mogelijk een andere pseudodienstverlener was ingezet na de inzet van pseudodienstverlener 170623. Op dit punt is helaas geen verheldering gekomen.
- 20.
Het onderzoek vertoont echter nog meer niet te negeren scheuren nu is gebleken dat pseudodienstverlener 170623 — in strijd met de ‘vaste standaard afspraak’ aldus dhr. [begeleider] — tijdens de ontmoeting(en) meerdere eenheden sterke alcoholische drank heeft gedronken, hetgeen een negatieve invloed heeft op herinneringen. Cliënt verklaarde hier reeds in eerste aanleg al over: die avond werd er tequila gedronken, 3/4 van de fles ging leeg. [naam 1], zoals de pseudodienstverlener zich had voorgesteld, was merkbaar onder invloed van alcohol: hij kreeg een kleur en begon onduidelijker te praten, aldus cliënt.
- 21.
De reden dat tijdens zo'n inzet géén alcohol mag worden genuttigd, ligt voor de hand: de verslaglegging van de inzet moet zo zorgvuldig en accuraat mogelijk plaatsvinden gelet op de waarde daarvan in het strafproces. Dat is hier niet gebeurd. De pseudodienstverlener heeft aansluitend aan de inzet, terwijl hij onder invloed was van meerdere eenheden sterke drank, aantekeningen gemaakt van de ontmoeting — laten we hopen nog net niet op een bierviltje. De aantekeningen zijn niet gedeeld met het team. Vervolgens heeft hij pas op 29 juni 2017, 6 dagen na de eerste ontmoeting, aan de hand van die eerder genoemde aantekeningen een PV van bevindingen opgesteld. Naar eigen zeggen heeft hij dat zelfstandig en alleen gedaan, en heeft hij niet met anderen de inhoud daarvan besproken voordat hij het PV sloot en ondertekende. Het PV zelf onthult daarentegen dat het PV samen met zijn collega pseudodienstverlener 170622 is opgesteld. Bovendien is sprake van een zeer summiere verslaglegging in het PV van bevindingen terwijl de ontmoetingen zelf urenlang hebben geduurd (23 juni — 19:35 tot 21:05 en 28 juni 14:35 – 17:30).
- 22.
De wijze van verslaglegging vertoont gelet op het voorgaande zoveel gebreken, dat het onduidelijk is wat de inhoud van de interactie is geweest tussen beide pseudodienstverleners, [medeverdachte] en cliënt in de aanloop naar- en tijdens de gesprekken op 23 juni en 28 juni 2017. De noodzaak van controle op het traject alsmede een correcte verslaglegging over de interactie is des te belangrijker nu gedurende de inzet géén feitelijke overdracht plaatsvond van een (verboden) goed; er was niets tastbaars en mogelijk zelfs alleen maar gebakken lucht. In het bijzonder is door de onbetrouwbare verslaglegging onvoldoende controleerbaar gebleken of cliënt door de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid niet is gebracht tot misdrijven waarop zijn opzet niet gericht was (vgl. het zgn. Talloncriterium zoals o.a. gecodificeerd in art. 126i, tweede lid, Sv). Aan zowel uw hof als de verdediging is door bovengenoemde handelswijze een volledig en deugdelijk beeld — en daarmee belangrijke informatie — onthouden, terwijl de in de op 19 juni 2017 door de Liaison verstrekte informatie uit de V.S. geen enkel aanknopingspunt biedt voor de vaststelling van anterieur opzet van cliënt doch enkel en alleen van [medeverdachte]. Die informatie ziet immers uitsluitend op betrokkenheid van [medeverdachte] en een in Colombia verblijvende Nederlander (dus niet [verdachte]). Daarbij kan een ontoelaatbare uitlokking niet volledig worden uitgesloten, gelet op de ‘pushende’ houding van de pseudodienstverlener tijdens de ontmoeting.
- 23.
Het voorgaande maakt dat sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kan worden gecompenseerd. Het handelen van politie en justitie heeft immers ertoe geleid dat op één van de kernpunten in de zaak, de vraag of aan het Talloncriterium is voldaan, de waarheidsvinding door uw hof onmogelijk is gemaakt; dat biedt blijkens de jurisprudentie aanleiding voor verval van het vervolgingsrecht.
- 24.
Tegen voornoemde achtergrond verzoekt de verdediging uw hof primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uit te spreken, hetgeen blijkens de rechtspraak alleen al gerechtvaardigd is wegens het enkele ontbreken van een bevel ex art. 126i Sv.
- 25.
Subsidiair wordt, met verwijzing naar randnummer 14, verzocht om tot bewijsuitsluiting over te gaan van de bevindingen van de pseudodienstverleners en de belastende stukken die rechtstreeks voortvloeien uit het onrechtmatige pseudodienstverleningstraject, nu deze dienen te worden beschouwd als de ‘fruits of the poisonous tree’. (zie in dit kader bijvoorbeeld recent rechtbank Midden-Nederland, 4 april 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1754)’
2.
Het hof heeft dat verweer verworpen en het volgende overwogen:
‘Op grond van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In opdracht van de officier van justitie heeft het Team Heimelijke Ondersteuning vanaf 22 juni 2017 ondersteuning verleend in het strafrechtelijk onderzoek dat bekend is geworden als 26Midway. In het kader van die inzet werd op de hiervoor genoemde dag besloten om op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 een opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel te laten bellen met de gebruiker van het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] (hierna: — [telefoonnummer 2]) — welk nummer naar later bleek werd gebruikt door medeverdachte [medeverdachte] — om zich voor te doen als degene die in staat is grote hoeveelheden cocaïne te kunnen regelen. Het doel van deze inzet was een afspraak te maken met de vermoedelijke kopers van de cocaïne, zodat deze het geld voor de aankoop van de cocaïne konden laten zien en hun kredietwaardigheid konden aantonen.
Deze inzet is gestart door de WOD'er 170622, die met de gebruiker van -[telefoonnummer 2] heeft gebeld om een ontmoeting te regelen. De WOD'er 170622 heeft op 22 juni 2017 een bericht gestuurd naar -[telefoonnummer 2] en is later die dag teruggebeld door dat nummer. Tijdens dat gesprek heeft WOD'er 170622 aangegeven dat hij een afspraak wil maken namens ‘[betrokkene 3]’. Na dit gesprek is het contact met de gebruiker van -[telefoonnummer 2] overgenomen door de WOD'er met nummer 170623. WOD'er 170623 (hierna: de WOD'er) is op 23 juni 2017 naar de ontmoeting met, naar later bleek [medeverdachte] en de verdachte, aan de [a-straat 01] te [a-plaats] gegaan. Ook op 28 juni 2017 heeft een ontmoeting tussen de WOD'er, de verdachte en [medeverdachte] plaatsgevonden, nadat op 26 juni 2017 een bevel stelselmatige informatie-officier van justitie. Bij deze ontmoetingen heeft de WOD'er zich voorgedaan als een tussenpersoon die opereerde voor [betrokkene 3], althans de partij die de drugs kon leveren. [medeverdachte] en de verdachte moesten aan de WOD'er geld tonen waarmee zij de cocaïne konden betalen om te laten zien dat zij kredietwaardig waren. [medeverdachte] en de verdachte verkeerden tijdens de contacten met de WOD'er in de veronderstelling dat hij onderdeel was van de organisatie in Zuid-Amerika en dat de WOD'er kwam kijken of het geld er was. De inzet van de WOD'er is tijdens de gesprekken steeds gericht geweest op het zien van het geld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de WOD'er en uit de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] over de ontmoeting. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bijvoorbeeld verklaard dat de WOD'er tegen hem zei ‘waar is het geld, ik wil geld zien’.
Naar het oordeel van het hof kan de inzet van de WOD'er, zoals die hiervoor is weergegeven, niet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i Sv. De WOD'ers hebben in hoedanigheid van vertegenwoordiger van [betrokkene 3] contact opgenomen met de verdachte, en WOD'er 170623 is in die hoedanigheid bij de ontmoetingen aanwezig geweest. Deze WOD'er is hierbij dus slechts opgetreden namens een mogelijke ‘wederpartij’ van de verdachte en niet namens of voor de verdachte. Er is ook niet gebleken dat op enig moment is afgesproken dat de WOD'ers daadwerkelijk iets ten behoeve van de verdachte zouden doen of dat zij dit hebben gedaan. Gebleken is dat van de WOD'er niet méér werd verwacht dan dat hij bij een ontmoeting van de verdachte aanwezig zou zijn, zodat deze via de WOD'er bij [betrokkene 3] kon aantonen dat hij genoeg geld had. Een dergelijk passief optreden als tussenpersoon namens een (beweerdelijke) derde opdrachtgever (of, in de woorden van de verdediging: het enkele ‘representeren’ van [betrokkene 3]) is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als ‘dienst’ aan de verdachte in de zin van artikel 126i Sv, ook als in aanmerking wordt genomen dat de verdachte (vanuit zijn perspectief) zelf ook belang had bij dit optreden van de WOD'er. Evenmin is gebleken dat het op enig moment de bedoeling is geweest om tot pseudodienstverlening over te gaan. Dat de politie in het kader van de inzet van de WOD'ers zelf de termen ‘pseudodienstverlener’en ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, doet aan dit oordeel niet af.
Gelet op het voorgaande was een bevel ex artikel 126i Sv niet noodzakelijk voor de in zet van de WOD'er.
Voor de handelingen die door de WOD'er zijn uitgevoerd voor 28 juni 2017 ontbreekt een specifieke wettelijke grondslag. Het hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld of artikel 3 van de Politiewet 2012 voldoende wettelijke basis bood voor de inzet van de WOD'er. Daarvoor dient de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte — zoals ook beschermd door artikel 8 van het EVRM — beperkt te zijn gebleven. Het hof overweegt hieromtrent als' volgt.
De inzet van de WOD'ers heeft plaatsgevonden tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017. Dit contact bestond — op de twee ontmoetingen na — uitsluitend uit telefonisch contact: de WOD'er en [medeverdachte] hebben een .aantal keer ge-sms't en gebeld en de WOD'er en de verdachte hebben één keer met elkaar gebeld. Op 23 juni 2017 en 28 juni 2017 is de WOD'er in het huis van de verdachte geweest. Deze locatie is door de verdachte en/of [medeverdachte] voorgesteld. De WOD'er kreeg slechts de opdracht naar dat adres te komen. De besprekingen die daar hebben plaatsgevonden zijn (voornamelijk) zakelijk van aard geweest en uit het dossier blijkt dat de verdachte zijn woning vaker voor dergelijke zakelijke ontmoetingen gebruikte.
Het hof is van oordeel dat deze contacten — gelet op de duur, intensiteit en frequentie — slechts een beperkte inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat artikel 3 van de Politiewet 2012 hiervoor een toereikende grondslag bood. Bij dat oordeel neemt het hof mee dat op enig moment wel een bevel ex artikel 126j Sv is afgegeven en dat van de hele inzet proces-verbaal is opgemaakt, en dat de gang van zaken na afloop van het traject toetsbaar is geweest.
Het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim wordt verworpen.’
Deelklacht I:
3.
Het oordeel van het hof dat de inzet van het Team Heimelijke Ondersteuning niet als pseudodienstverlening kan worden gekwalificeerd, dat geen bevel ex artikel 126i Sv noodzakelijk was voor de gepleegde inzet en geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, mede in het licht van wat door het hof ten aanzien van het verloop van het traject is vastgesteld en de inhoud van het door hem als bewijsmiddel 24 gebruikte proces-verbaal van bevindingen.
4.
Welbeschouwd lijkt het bestreden oordeel van het hof dat geen sprake is van pseudodienstverlening in de kern te steunen op het oordeel dat slechts sprake is van passief optreden waarbij geen daadwerkelijk dienst is verleend aan de verdachte(n) en ook nimmer een voornemen tot het verlenen van een dienst heeft bestaan. Uit de vaststellingen van het hof ten aanzien van het verloop van het traject en de inhoud van het door hem als bewijsmiddel 24 gebruikte proces-verbaal van bevindingen volgt evenwel anders.
5.
Beide betrokken WOD'ers worden in de, ter verslaglegging van het WOD-traject opgestelde processen-verbaal, steevast aangeduid als ‘pseudodienstverleners’, de begeleider van het Team Heimelijke Ondersteuning, dhr. [begeleider], beschrijft de inzet als ‘pseudokoopactie’, het hof zelf heeft — bij toewijzing van onderzoekswensen in dit kader — consequent de termen ‘pseudodienstverlener’ en ‘pseudodienstverleningstraject’ gebruikt, AG Paridaens heeft het in haar conclusie voor het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [medeverdachte] over de inzet van een ‘pseudodienstverlener’1. en — last but not least — nota bene in de tenlastelegging worden WOD'ers 170622 en 170623 als pseudodienstverleners aangeduid.
6.
Dat de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren — waaronder de opsteller van de tenlastelegging — de inzet unisono duiden als pseudodienstverleningstraject, mag dan wel niet bepalend zijn voor de juridische kwalificatie van de inzet maar lijkt toch — minst genomen — een sterke aanwijzing te zijn dat — anders dan het hof in zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht — wel degelijk sprake is geweest van een pseudodienstverleningstraject:
‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck’.
7.
Ter nadere beschouwing zij eerst het volgende opgemerkt. Artikel 126i Sv is ingevoerd bij Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden), Stb. 1999, 245. De Memorie van Toelichting bij deze wet houdt ten aanzien van art. 126i Sv onder meer in:
‘In de artikelen 126i en 126q wordt voorgesteld de pseudo-koop of -dienstverlening wettelijk te regelen. Deze bevoegdheid wordt in artikel 126i omschreven als het van de verdachte afnemen van goederen of het aan de verdachte verlenen van diensten, in het belang van het onderzoek. In artikel 126q wordt zij omschreven als het in het belang van het onderzoek afnemen van goederen van, dan wel verlenen van diensten aan een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden blijkt dat hij is betrokken bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.’
(Kamerstukken II, 1996–1997, 25 403, nr. 3, blz. 33)
En voorts:
‘In het eerste lid wordt de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening beperkt tot het geval van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid. Zoals in het algemeen deel reeds is opgemerkt, is alleen al vanwege het in beginsel eenmalige karakter van de uitoefening deze bevoegdheid, deze een stuk minder ingrijpend dan infiltratie. De pseudo-koper of -dienstverlener dringt niet zoals de infiltrant de groep of criminele organisatie binnen, maar opereert buiten een groep of organisatie. De risico's hiervan zijn dan ook veel beperkter dan die van infiltratie. Derhalve wordt voorgesteld deze bevoegdheid mogelijk te maken in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is.
Onder pseudo-koop zoals in dit artikel geregeld, valt niet alleen datgene dat daaronder in de opsporingspraktijk meestal wordt verstaan, namelijk de situatie waarin de opsporingsambtenaar slechts voorwendt goederen te willen afnemen, met de bedoeling in te grijpen op het moment van of kort na het uitvoeren van de transactie.’
(Kamerstukken II, 1996–1997, 25 403, nr. 3, blz. 76)
8.
Mede tegen de achtergrond van deze wetsgeschiedenis overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 30 september 2003, NJ 2004, 84 m.nt. Y. Buruma als volgt:
‘Hoewel in de tekst van art. 126i, eerste lid, Sv sprake is van de afname van goederen (en het verlenen van diensten) moet op grond van vorenweergegeven wetsgeschiedenis worden aangenomen dat het niet tot een concrete aflevering van goederen aan en afname daarvan door de opsporingsambtenaar behoeft te zijn gekomen. Onder pseudokoop in de zin van die bepaling moet dus ook worden verstaan de situatie waarin de opsporingsambtenaar voorwendt goederen te willen afnemen en tot afspraken komt met de verdachte strekkende tot aankoop en aflevering van goederen, zulks met de bedoeling in te grijpen op het moment dat de verdachte tot aflevering overgaat.’
9.
Anders dan bij pseudokoop gaat het bij pseudodienstverlening niet om de aflevering van goederen. Dat geldt temeer indien — zoals in onderhavig geval — de dienstverlening plaatsvindt in de context van de voorbereiding van een (groot) drugstransport.
10.
De inzet van de beide opsporingsambtenaren van het team Werken Onder Dekmantel is, zo is bij pleidooi aangevoerd, gelegen in de door de in Nederland gestationeerde Amerikaanse liaison officer verkregen informatie waaruit volgt dat de gebruiker van een Nederlands telefoonnummer ([telefoonnummer 2]) lid was van een Nederlandse organisatie die zich bezighield met de handel in cocaïne. De organisatie was op zoek naar een nieuwe leverancier van cocaïne en was bereid om de kredietwaardigheid voor het kopen van grote hoeveelheden cocaïne aan te tonen.
11.
Uit de door het hof vastgestelde gang van zaken blijkt ten aanzien van de WOD-inzet voorts het volgende. Naar aanleiding van de door de liaison officer dat het WOD'er het initiatief heeft genomen tot het leggen van contact met de gebruiker van voornoemd telefoonnummer met het doel voor te wenden dat hij (grote) hoeveelheden cocaïne kon regelen en dus kon voorzien in de verondersteld bestaande behoefte van de Nederlandse organisatie.
12.
Dit telefonisch contact — gevoerd met de medeverdachte [medeverdachte] — heeft geleid tot een tweetal (langdurige) ontmoetingen, op vrijdag 23 juni 2017 19:30u – 21:05u en woensdag 28 juni 2017, 14:35u – 17:20u — in de woning van verzoeker waarbij o.a. de wijze waarop door verdachte(n) — middels de WOD'er — hun kredietwaardigheid konden aantonen aan de Zuid-Amerikaanse drugsleverancier, is besproken.
13.
In het bijzonder wordt daarbij nog de aandacht gevestigd op de inhoud van het als bewijsmiddel 24 gebruikte proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de politie Landelijke Eenheid, Team Heimelijke Ondersteuning, met nr. 17029.1000 (p. 28–31 van het procesdossier met nummer LERAE17004, zaaksdossier 26Midway), inhoudende de bevindingen van verbalisanten.
‘[…] Hij vervolgde met het feit dat er maandag werd aangetoond dat zij voor de 250 kilo die binnen zou komen kredietwaardig waren. ‘[medeverdachte]’ zei dat maandag het geld er zou zijn en wij samen gingen tellen, de geldtelmachine was aanwezig en na mijn goedkeuren zou het tot de overdracht gaan komen. We kwamen overeen dat ik maandag 26 juni de twee mannen opnieuw zou ontmoeten voor het tonen van een hoeveelheid geld. […]’
(Curs en onderstreping: EvR)
14.
Op woensdag 28 juni 2017 is telefonisch contact opgenomen door de WOD-er met [medeverdachte] met de mededeling dat — wanneer om 20:15 uur het geld niet getoond kon worden — hij zou vertrekken.
15.
Enkele minuten na beëindiging van dit gesprek — en wel om 20:20 uur — is verzoeker aangehouden op verdenking van — kort gezegd — witwassen en overtreding van de Opiumwet. Enkele uren daarna is ook [medeverdachte] aangehouden op basis van dezelfde verdenking.
16.
Het hof is (in de zaak met parketnummer 09/818275-17) tot een bewezenverklaring gekomen van het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid cocaïne welke voorbereidingshandelingen onder meer hebben bestaan uit het hebben van contact met ‘een tussenpersoon te weten 170623’ en het organiseren van een ontmoeting met 170623 ‘met het doel geld te tonen’.
17.
Uit het voorgaande volgt — anders dan het hof heeft vastgesteld — wel degelijk een actieve rol van de betrokken WOD-ers. Het is het Team Werken Onder Dekmantel geweest dat het initiatief heeft genomen tot het maken van een afspraak en daarbij voor te wenden dat kon worden voorzien in de leverantie van grote hoeveelheden cocaïne mits de kredietwaardigheid kon worden aangetoond en zo kon worden voldaan aan de (veronderstelde) vraag van de Nederlandse organisatie. Daarbij heeft de WOD'er — onder meer blijkens de gevolgde bewezenverklaring — opgetreden als tussenpersoon waarbij hij bepaalde of het al dan niet tot de door verdachten gewenste transactie zou komen. Van een enkele passieve aanwezigheid tijdens de gesprekken is dus geenszins sprake geweest.
18.
Ook 's hofs oordeel dat geen sprake is geweest van een aan de verdachte verleende of te verlenen dienst(en) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk. De WOD'er speelde een sleutelrol in de voorbereiding van de door verdachten gewenste drugstransactie waarbij zij — middels de WOD'er — hun kredietwaardigheid aan de leverancier konden aantonen en het — na enkel en alleen na goedkeuring van de WOD'er — tot daadwerkelijke overdracht zou komen.
19.
Slechts enkele minuten nadat uit telefonisch contact tussen de WOD'er en [medeverdachte] bleek dat de kredietwaardigheid niet kon worden aangetoond, is tot aanhouding van appellant overgegaan.
20.
Het voorgaande brengt met zich mee, in het licht van de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis omtrent artikel 126i Sv, dat wel degelijk sprake is geweest van pseudodienstverlening zonder dat een daartoe strekkend bevel op grond van artikel 126i Sv is afgegeven, zodat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
21.
Een aanvullend argument kan voorts nog gevonden worden in het volgende. Zoals gezegd heeft het hof bewezenverklaard dat WOD'er 170623 als tussenpersoon heeft gefungeerd in de voorbereiding van de invoer van cocaïne. Daarmee zou hij minst genomen als medeplichtige bij de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen kunnen worden aangemerkt. Het oordeel van het hof dat de inzet van WOD'er 1700623 geen bevel als bedoeld in artikel 126i Sv behoefde, maakt dat hem geen succesvol beroep op artikel 43 Sr toekomt. 's Hofs oordeel lijkt daarmee de onvoorziene — en naar mag worden aangenomen ongewenste — consequentie te hebben dat de betreffende opsporingsambtenaar strafbaar is. In dit licht is 's hofs oordeel des te onbegrijpelijker.
Het arrest lijdt daarom aan nietigheid.
Deelklacht II:
22.
Het oordeel van het hof dat de algemene politietaak zoals neergelegd in artikel 3 Politiewet een toereikende grondslag vormt voor de gepleegde inzet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. In het bijzonder is 's hofs oordeel dat de gepleegde inzet slechts een ‘beperkte inbreuk’ op de persoonlijke levenssfeer van appellant heeft gemaakt onbegrijpelijk.
23.
In het verlengde van het oordeel van het hof dat de besproken WOD-inzet niet onder het bereik van artikel 126i Sv valt, heeft het hof vastgesteld dat een specifieke wettelijke grondslag voor de inzet ontbreekt, en heeft het hof vervolgens onderzocht of de (generieke) opsporingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3 van de Politiewet 2012 voldoende wettelijke basis bood voor de inzet van de WOD'er. Deze vraag is door het hof ten onrechte bevestigend beantwoord.
24.
Blijkens HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0199 (rov. 2.6) geldt voor een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing dat opsporingsautoriteiten alleen bevoegd zijn haar in te zetten indien zij geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van burgers en de levering van goederen niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.
25.
In de rechtspraak van de Hoge Raad heeft de vraag of die bepalingen een voldoende grondslag vormen voor een inbreuk op het door art. 8, eerste lid, EVRM beschermde recht zich vooral voorgedaan bij observaties.2. Ook andere opsporingsmethoden kunnen, zo blijkt uit de rechtspraak, op art. 3 Politiewet 2012, in combinatie met art. 141 en 142 Sv, worden gegrond, zoals het gebruik van een warmtebeeldkijker3., het tonen van beelden van een verdachte op internet4., het verzenden van een ‘stille sms’5. en de inzet van een IMSI-catcher.6. Indien de desbetreffende opsporingsmethode een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt, is in het licht van het tweede lid van art. 8 EVRM evenwel een meer kenbare en voorzienbare wettelijke grondslag vereist.7.
26.
Het hof heeft — met toepassing van deze maatstaf — in zijn beoordeling in het bijzonder aandacht besteed aan de vraag of in aanzienlijke mate inbreuk is gemaakt op verzoekers in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbieding van het privéleven, familie- en gezinsleven. Het hof komt tot het oordeel dat het WOD-traject — gelet op de duur, intensiteit en frequentie — slechts een beperkte inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker en de inzet daarom kon worden gegrond op artikel 3 van de Politiewet. Dat oordeel getuigt in het licht van het navolgende van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
27.
In het kader van het WOD-traject heeft WOD'er 170623 zich — middels het aannemen van de valse hoedanigheid — tot tweemaal toe de toegang verschaft tot de woning van verzoeker. De woning waar niet alleen verzoeker maar tevens — de voorafgaand aan de eerste afspraak gedane navraag zijn partner en minderjarige dochter (geboren [geboortedatum] 2012) — stonden ingeschreven. Beiden waren — blijkens het door het hof als bewijsmiddel 24 opgenomen proces-verbaal van bevindingen — aanwezig tijdens de ontmoeting in de woning op 23 juni 2017.
28.
Tot tweemaal toe is in de woning, aan de keukentafel langdurig — in totaal ruim 4 uur — gesproken waarbij, anders dan het hof heeft vastgesteld — uit de verslaglegging van beide gesprekken niet volgt dat de inhoud (voornamelijk) zakelijk van aard is geweest. Zo is in de verslaglegging vermeld dat er tijdens de ontmoeting van 23 juni 2018 een sociaal gesprek volgde en op een gegeven moment het gesprek zakelijk van aard werd waarna een kort sociaal gesprek volgde. Uiteraard is in de verslaglegging gefocust op de zakelijke aspecten van de ontmoetingen maar daaruit kan — mede indachtig de duur van de gesprekken — niet worden afgeleid dat de gesprekken (voornamelijk) zakelijk van aard waren. Het gegeven dat tijdens de eerste ontmoeting de tequila rijkelijk vloeide is daarvoor indicatief.
29.
Het zich tot tweemaal toe onder valse voorwendselen langdurig toegang verschaffen tot iemands woning wetende dat diegene daar met zijn gezin verblijft om vervolgens langdurig, tenminste eenmaal in aanwezigheid van zijn of haar partner en een minderjarige dochter, gesprekken te voeren die (mede) zien op niet zaaksrelevante onderwerpen, levert een meer dan beperkte inbreuk op het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbieding van het privéleven, familie- en gezinsleven en vereist daarom een specifieke wettelijke grondslag.
30.
's Hofs, kennelijk als relativering beoogde, overweging dat verzoeker vaker zakelijke ontmoetingen in zijn woning faciliteerde, doet aan het voorgaande niet af maar maakt dat oordeel slechts des te onbegrijpelijker. Artikel 8, tweede lid EVRM beoogt immers bescherming te bieden tegen inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het in artikel 8 , eerste lid EVRM genoemde recht. De door het hof vastgestelde omstandigheid dat verzoeker zijn woning vaker openstelde voor ontmoetingen met en tussen derden doet aan de ernst van de inbreuk dus niets af.
31.
Onder de gegeven omstandigheden getuigt 's hofs oordeel dat de WOD-inzet slechts een beperkte inbreuk heeft gemaakt op verzoekers persoonlijke levenssfeer en dat deze gegrond kon worden op artikel 3 van de Politiewet en daarmee geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Het arrest lijdt daarom aan nietigheid.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. E. van Reydt, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 6 september 2024
Emile van Reydt
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑09‑2024
Conclusie van 7 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:338.
Zie onder meer HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1332, NJ 2000/104, m.nt. Schalken, HR 25 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1679, NJ 2000/279, HR 5 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2023, NJ 2001/518 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7804, NJ 2002/301. Zie ook HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254, HR 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2229, NJ 2001/207 en HR 10 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0970, NJ 2001/424, waarin slechts art. 141 en 142 Sv als grondslag werden genoemd.
Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF5603, NJ 2009/225, m.nt. Borgers.
Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:41, NJ 2014/188, m.nt. Schalken.
Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563, NJ 2015/114.
Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1562, NJ 2015/115, m.nt. Van Kempen.
Zie bijvoorbeeld HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254, rov. 3.5.