Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/147
147 Managerial power in Nederland
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365344:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In de VS liggen de bezoldigingsniveaus een stuk hoger dan in Nederland. Daarnaast bestaat de bezoldiging van bestuurders in de VS uit een substantieel groter deel uit variabele beloning dan in Nederland. Murphy heeft overigens geprobeerd aan te tonen dat het niveau niets eens zo heel veel verschilt, zie Fernandes e.a. 2009.
De VS kent een one-tier board waardoor executives en non-executives samen in hetzelfde orgaan zitten. Door de nauwere samenwerking zou de managerial power gevoed worden. In Nederland kennen we het two-tier systeem waardoor er een grotere afstand bestaat tussen de commissarissen en de bestuurders.
Cornelisse, Duffhues & Kabir 2005, p. 393.
Cardinaels & Van de Wouw 2011, p. 342-351. Uit een eerder internationaal onderzoek van Cardinaels bleek al dat er een verband is tussen onverklaarbaar hoge vergoedingen voor commissarissen – gezien de omvang en prestaties van het bedrijf – en relatief riante bedragen voor de topman. Eenzelfde verband bleek ook in Nederland aanwezig te zijn.
Door aanhangers van de optimaal contracttheorie in Nederland wordt veelal verkondigd dat de managerial powertheorie niet van toepassing is op ons systeem en louter een Amerikaans of Anglo-Saxisch probleem is. Ter onderbouwing van deze stelling wordt aangedragen dat zowel het niveau als de structuur van de beloning in Nederland aanzienlijk verschilt van het niveau en de structuur in de VS.1 Tevens zijn er andere juridische omstandigheden aan te wijzen, zoals het one-tier model in de VS en het two-tier model in Nederland.2
Er is tot op heden weinig onderzoek verricht naar het belang van de managerial powertheorie voor de bezoldigingspraktijken in Nederland. De onderzoeken die naar deze theorie binnen de Nederlandse context zijn verricht, wijzen echter uit dat de managerial powertheorie ook voor Nederland van belang is. Uit het onderzoek van Cornelisse, Duffhues en Kabir komt naar voren dat de beloningspraktijk van topmanagers volgens hun regressieanalyse niet in overeenstemming is met de optimaal contracttheorie. De gevonden coëfficiënten waren in geen enkel geval significant waardoor geen robuuste ondersteuning voor de optimaal contracttheorie in Nederland kan worden aangenomen. De managerial powertheorie, daarentegen, was niet in strijd met de data.3
Ook Cardinaels en van de Wouw vinden in hun onderzoek aanwijzingen voor de aanwezigheid van het managerial powerprobleem bij Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen. Uit hun onderzoek blijkt dat bestuurders gemiddeld fors meer verdienen bij ondernemingen waar commissarissen onverklaarbaar hoge vergoedingen ontvangen. De resultaten van deze bedrijven blijven bovendien achter.4
Naast voornoemde onderzoeken lijkt het niet voor de hand te liggen dat commissarissen in Nederland wel immuun zijn voor de verschillende menselijke tekortkomingen die door Bebchuk en Fried worden aangedragen ter ondergraving van de optimaal contracttheorie. Daarnaast geldt ook in Nederland dat commissarissen geconfronteerd worden met een beperking in tijd en informatie. Het is dan ook niet aannemelijk dat de situatie (en de commissarissen) in Nederland dusdanig anders is (zijn), zodat er hier geen plaats zou zijn voor de managerial powertheorie.