Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3:6.3.3 Omvang van de herzieningsverplichting
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3
6.3.3 Omvang van de herzieningsverplichting
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495732:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Finkensieper 1983, p. 812.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de insolventiepraktijk is het sinds jaar en dag een uitdaging om de omvang van de ‘correctie vooraftrek’ te bepalen.1 Reden hiervan is dat de hoogte van de herzieningsverplichting afhankelijk is van de uiteindelijke betaling die de ondernemer aan zijn crediteuren doet. Daar waar een faillissement eindigt met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (art. 193 lid 1 Fw), gaan aan het vaststellen van de schuld ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968 veelal gecompliceerde berekeningen vooraf. Immers: uit de slotuitdelingslijst zal zowel de uitkering aan de concurrent crediteuren moeten blijken als de uitkering aan de Belastingdienst, terwijl dit laatste bedrag juist afhankelijk is van het eerste bedrag. Ook wanneer een faillissement een einde vindt doordat de schuldenaar met zijn crediteuren een akkoord heeft bereikt (art. 161 Fw) kan art. 29 lid 7 Wet OB 1968 aanleiding geven tot complicaties. In dit onderdeel ga ik nader in op bedoelde problematiek.
Als noot vooraf merk ik op dat ik omwille van de overzichtelijkheid het effect van de éénjaarstermijn en de terugbetalingsverplichting van art. 29 lid 8 Wet OB 1968 in deze paragraaf – tenzij anders vermeld – buiten beschouwing laat. Ik neem derhalve enkel de vorderingen, ten aanzien waarvan op het moment van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst of het aangaan van een akkoord de éénjaarstermijn nog niet is verstreken, tot uitgangspunt en volsta met de opmerking dat hetgeen in deze paragraaf wordt overwogen als uitgangspunt omgekeerd evenredig is aan het vaststellen van de omvang van het herziene recht op teruggaaf ex art. 29 lid 8 Wet OB 1968, indien en voor zover de éénjaarstermijn op bedoeld moment reeds is verstreken.
In paragraaf 6.3.3.1 besteed ik aandacht aan de perikelen rondom het crediteurenakkoord. Hierbij komt niet enkel het zogenoemde faillissementsakkoord aan de orde, maar passeert ook het zogenaamde onderhands akkoord de revue. Paragraaf 6.3.3.2 staat vervolgens in het teken van de berekening van het uitkeringspercentage voor de concurrente crediteuren met het oog op de vaststelling van de slotuitdelingslijst. Ik ga daarbij ook in mogelijk alternatieve methodes om de omvang van de herzieningsverplichting vast te stellen. De verhouding tot het Unierecht en het rechtskarakter staat centraal in paragraaf 6.3.3.3 en 6.3.3.4. Ik kom tot een afronding in paragraaf 6.3.3.5.
6.3.3.1 Crediteurenakkoord6.3.3.2 Verbindend worden van de slotuitdelingslijst6.3.3.3 Verhouding tot het Unierecht6.3.3.4 Verhouding tot het rechtskarakter6.3.3.5 Slotsom