Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.1.2
3.4.1.2 Het uitgangspunt van toewijzing
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955533:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook: o.m. Ohly, GRUR 2008, afl. 10, p. 797.
HvJ EG 14 december 2006, C-316/05, ECLI:EU:C:2006:789 (Nokia/Wärdell), rov. 29-30; HvJ EU 22 juni 2016, C-280/15, ECLI:EU:C:2016:467 (Nikolajeva/Multi Protect), rov. 33.
eBay Inc. v. Mercexchange, L.L.C., 547 U.S. 388 (2006).
Zie echter Hilty 2016, p. 242 (betogend dat de richtlijn zou moeten worden hervormd, al dan niet langs de lijnen die zijn uitgezet in het eBay-arrest).
Dit is niet anders wanneer men als vertrekpunt neemt dat een verbod geen vanzelfsprekendheid is. Zie ook de concurring opinion van Justice Roberts in eBay Inc. v Mercexchange, L.L.C., 547 U.S. 388, 395 (2006): “At the same time, there is a difference between exercising equitable discretion pursuant to the established four-factor test and writing on an entirely clean slate. “Discretion is not whim, and limiting discretion according to legal standards helps promote the basic principle of justice that like cases should be decided alike”. Martin v Franklin Capital Corp., 546 U. S., (2005) (slip op., at 6). When it comes to discerning and applying those standards, in this area as others, “a page of history is worth a volume of logic”. New York Trust Co. v Eisner, 256 U. S. 345, 349 (1921) (opinion for the Court by Holmes, J.)”.
Ook wel omschreven als weak discretion; zie García Pérez, IPQ 2016, afl. 1, p 89.
Shelfer v City of London Lighting Co Ltd [1895] 1 WLR 287.
Zie o.m. Coflexip SA & Anor v Stolt Comex Seaway MS Ltd & Ors [2000] EWCA Civ 242 [59]; Evalve v Edwards Lifesciences, [2020] EWHC 513 (Pat) [73] (“A general injunction to restrain future infringements is the normal remedy for the patentee”); Virgin Atlantic v Premium Aircraft [2009] EWCA Civ 1513, [24] (“it would have to be a very strong case for an injunction to be withheld”).
Navitaire Inc v EasyJet Airline Co Ltd (No. 2) [2005] EWHC 282 (Ch) [101].
HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [32].
Ook in de Verenigde Staten wordt een verbod op octrooi-inbreuk meestal toegewezen wanneer de rechthebbende concurreert met de inbreukmaker; zie Cotter & Golden 2019.
Leonard 2019, nr. 222 (die deze gedachte in verband brengt met het adagium dolo agit, qui petit, quod statim dedditurus est (iemand die iets eist dat hij onmiddellijk moet teruggeven, handelt kwaadaardig)).
De opvatting heeft in de rechtspraak dan ook geen navolging gekregen; zie o.m. Rb. Den Haag (vzr.) 14 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7610, IER 2012/10, m.nt. F.W.E. Eijsvogels (Samsung/Apple), rov. 4.2; LG Mannheim 2 mei 2011, 2 O 240/11 (Motorola/Microsoft); LG Mannheim 10 maart 2015, 2 O 103/14 (Pitch-Analysevorrichtungen); HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [11]. Aldus ook: Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 306; Boelens, IER 2022/13, afl. 2, nr. 22.
In gelijke zin: Rb. Den Haag (vzr.) 14 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7610, IER 2012/10, m.nt. F.W.E. Eijsvogels (Samsung/Apple), rov. 4.2 (“Dat belang is alleen al daarin gelegen dat een eventueel inbreukverbod Samsungs positie in onderhandelingen met Apple over inbreuken op rechten van Apple, waaraan Samsung zich volgens Apple schuldig zou maken, zou versterken”). Zie ook: Ghafele & Dennery, JIPLP 2018, afl. 8, p. 633-643.
Zie echter Hof Den Haag 17 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:711 (Sisvel/Xiaomi), rov. 4.16: “Het betoog van Sisvel dat het weigeren van het gevorderde verbod een ongelijk speelveld creëert omdat andere marktdeelnemers wel een licentie hebben afgenomen en licentievergoedingen afdragen, moet worden verworpen. De door Xiaomi gestelde zekerheid in combinatie met de mogelijkheid voor Sisvel om via een bodemprocedure een veroordeling tot schadevergoeding te krijgen, schept een voldoende gelijk speelveld”.
J.M. Boelens, annotatie bij: Rb. Den Haag (vzr.) 9 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6079, IER 2023/6 (Ericsson/Apple), pt. 13.
Aldus ook: Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 306. Zie ook Plagge 2022 p. 192-193 (“Allein aus dem Merkmal ‘NPE’ lässt sich weder ein moralischer Vorwurf noch ein dysfunktionales Handeln konstruieren”).
Wel worden aanvullende eisen gesteld aan entiteiten die niet zelf rechthebbende zijn; zie HvJ EU 7 augustus 2018, C-521/17, ECLI:EU:C:2018:639 (SNB-REACT), rov. 27-39.
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:C:2021:492 (Mircom), rov. 77.
eBay Inc. v. Mercexchange, L.L.C., 547 U.S. 388, 391 (2006) (“But traditional equitable principles do not permit such broad classifications. For example, some patent holders, such as university researchers or self-made inventors, might reasonably prefer to license their patents, rather than undertake efforts to secure the financing necessary to bring their works to market themselves. Such patent holders may be able to satisfy the traditional four-factor test, and we see no basis for categorically denying them the opportunity to do so”). Zie ook Cont’l Paper Bag Co. v. E. Paper Bag Co. 210 U.S. 405, 427-430 (1908).
Robert Bosch LLC v. Pylon Mfg. Corp., 659 F.3d 1142, 1149 (Fed. Cir. 2011) (“We take this opportunity to put the question to rest and confirm that eBay jettisoned the presumption of irreparable harm as it applies to determining the appropriateness of injunctive relief”). Zie voor vergelijkbare overwegingen m.b.t. (resp.) merken- en auteursrechtelijke geschillen: Herb Reed Enterprises, LLC v. Florida Entertainment Management, Inc., 736 F.3d 1239 (9th Cir. 2013); Perfect 10, Inc. v. Amazon.com, Inc., 508 F.3d 1146 (9th Cir. 2007). Sinds 2020 geldt in het merkenrecht een weerlegbaar vermoeden van onherstelbare schade; zie Section 34(a) Lanham Act.
Seaman, Iowa Law Rev. 2016, afl. 5, p. 1949-2018; Cotter & Golden 2019.
Shelfer v City of London Electric Lighting Co [1895] 1 Ch 287; Navitaire Inc v EasyJet Airline Co Ltd (No. 2) [2005] EWHC 282 (Ch) [101; 113]; HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [10].
Helmers, Love & McDonagh, Fordham Intell. Prop. Media & Ent. L.J. 2014, afl. 2, p. 516 (“We find that U.K. NPEs, like their American counterparts, are extremely unsuccessful in their patent assertion efforts. NPEs fail to prove infringement and have their patents invalidated – “revoked” in U.K. patent parlance – much more often than their product-producing counterparts. Moreover, companies accused of infringement in the U.K. choose to litigate their cases to judgment, rather than settle, at relatively high rates”).
Zie Ohly, GRUR 2008, afl. 10, p. 791; Lemley & Melamed, Colum. L. Rev. 2013, afl. 8, p. 2117-2190. Zie ook Leistner & Pless 2022, p. 43 (“As they are less exposed to counterclaims on the side of the defendant, patent enforcement by NPEs is prone to a higher risk of abuse which can erect obstacles for innovation leading to market failure”).
Par. 2.4.2.1. sub (i).
Zie Morton & Shapiro 2016, p. 89-133; Lemley & Shapiro, Tex. L. Rev. 2007, p. 1991-2049; Shapiro 2001, p. 121 en 126.
Het is zelfs twijfelachtig of daadwerkelijk vaker misbruik voorkomt in ‘NPE-zaken’; zie Galetovic & Haber, J. Compet. Law Econ. 2017, afl. 1, p. 1-44; Rirsch, Seton Hall L. Rev 2012, afl. 2, p. 457-499.
Aldus ook: Leistner & Pless 2022, p. 44.
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe); HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet). Zie ook Leonard 2019.
Daarnaast kan het mededingingsrecht een rol spelen wanneer een NPE handelt in strijd met FRAND-verplichtingen; zie par. 3.4.1.3.
Het hiervoor besprokene rechtvaardigt in mijn ogen de conclusie dat de rechter, ook onder het systeem van de Handhavingsrichtlijn, in beginsel gehouden is om een gevorderd verbod toe te wijzen als geldigheid van het recht en de inbreuk erop vaststaan.1 Een bijkomend voordeel van deze benadering is dat de richtlijn daarmee in de pas zou lopen met de regimes die gelden voor de unitair geregelde rechten. Zo bepaalt art. 130 lid 1 UMVo dat de bevoegde rechtbank een verbod uitvaardigt als zij van oordeel is dat de verweerder inbreuk op een Uniemerk heeft gemaakt of dreigt te maken, tenzij er speciale redenen zijn om de betrokken inbreuk niet te verbieden. Uit de rechtspraak volgt bovendien dat het begrip ‘speciale redenen’ restrictief moet worden uitgelegd, wat betekent de rechter een verbod slechts in uitzonderlijke gevallen kan afwijzen.2 Dit vertrekpunt contrasteert met de dominante benadering in de Verenigde Staten, waar sinds het arrest eBay/MercExchange geldt dat bij een vastgestelde inbreuk toewijzing van een verbod niet langer de regel vormt.3 Gelet op de hiervoor gemaakte analyse behoeft het geen nadere uitleg dat het Unierecht voor een dergelijke aanpak geen ruimte laat.4
(i) Het uitgangspunt van toewijzing en de discretionaire bevoegdheid van de rechter
Het hanteren van een uitgangspunt van toewijzing lijkt op het eerste gezicht moeilijk verenigbaar met het idee van een discretionaire bevoegdheid. Van een incompatibiliteit of tegenstelling is echter geen sprake. Een discretionaire bevoegdheid is immers zelden onbegrensd.5 De aard van het betrokken recht, het relevante wettelijke kader en de in rechtspraak ontwikkelde uitgangspunten kunnen beperkingen meebrengen voor de uitoefening van deze bevoegdheid. Deze restricties kunnen tot gevolg hebben dat in de praktijk slechts een (zeer) beperkte beoordelingsvrijheid resteert.6 Dit blijkt wanneer men kijkt naar het Verenigd Koninkrijk, waar de rechter van oudsher een ruime mate van vrijheid geniet ten aanzien van de toewijzing en vormgeving van het verbod.7 De rechtspraak heeft zich in de loop der jaren zo ontwikkeld dat de rechter het verbod in beginsel toewijst als hij vaststelt dat de gedaagde inbreuk heeft gemaakt op een intellectueel-eigendomsrecht.8 De gevolgen voor de rechterlijke vrijheid worden geïllustreerd door het volgende citaat van Pumfrey J in Navitaire v Easyjet:
“Accordingly, the grant or refusal of a final injunction is not merely a matter of the balance of convenience. Justice requires that the court observe the principles enunciated in Shelfer’s case and remembers that if the effect of the grant of an injunction is not oppressive the defendant cannot buy his way out of it, even if the price, objectively ascertained, would be modest. My understanding of the word ‘oppressive’ in this context is that the effect of the grant of the injunction would be grossly disproportionate to the right protected. The word ‘grossly’ avoids any suggestion that all that has to be done is to strike a balance of convenience.”9
Het hierboven weergegeven uitgangspunt is ook na de introductie van de Handhavingsrichtlijn nog onverkort van kracht.10
(ii) Exclusiviteitsbelangen en licentiebelangen
Het uitgangspunt van toewijzing impliceert dat de rechthebbende in beginsel een zwaarwegend belang heeft bij het verkrijgen van een verbod. Dit geldt in versterkte mate wanneer de rechthebbende het betrokken voortbrengsel zelf exploiteert. Het verbod strekt dan immers tot handhaving van exclusiviteit en bescherming van de marktpositie van de rechthebbende ten opzichte van concurrenten.11 Deze nadruk op exploitatiebelangen roept de vraag op of de principiële licentiebereidheid van de rechthebbende gevolgen heeft voor diens aanspraak op een verbod. Betoogd kan worden dat het instellen van een verbodsvordering op gespannen voet staat met de kennelijke bedoeling van de eiser om tegen een vergoeding toestemming te verlenen voor het betreffende gebruik.12 Dit argument mist in mijn ogen echter overtuigingskracht. Allereerst is het aan de rechthebbende om te bepalen onder welke omstandigheden en met wie hij een licentieovereenkomst wil afsluiten. Daarnaast is zijn onderhandelingspositie in belangrijke mate afhankelijk van de presumptie dat, bij het uitblijven van overeenstemming, een verbod zal volgen.13 De mogelijkheid van een verbod draagt dus op diverse manieren bij aan het verkrijgen van een billijke compensatie voor het gebruik van het beschermingsobject.14 Tot slot hebben ook licentiehouders er belang bij dat de rechthebbende daadwerkelijk optreedt tegen concurrenten die zonder licentie gebruikmaken van een beschermd voortbrengsel.15 Aan licentiezaken zitten dus ook vaak (verholen) exclusiviteitsaspecten.16
(iii) Handhaving door NPE’s
De omstandigheid dat de eiser het door hem ingeroepen recht niet in de praktijk brengt, doet niet af aan zijn aanspraak op een verbod.17Art. 4 Handhavingsrichtlijn bepaalt met zoveel woorden dat ook anderen dan de rechthebbende een beroep kunnen doen op de maatregelen, rechtsmiddelen en procedures waarin de richtlijn voorziet en bovendien vereist de bepaling niet dat de rechthebbende het recht daadwerkelijk exploiteert.18 Daarnaast overwoog het Hof van Justitie in Mircom dat partijen die zich beperken tot het handhaven van een recht niet minder gunstig mogen worden behandeld dan andere categorieën rechthebbenden. Een dergelijk onderscheid zou volgens het Hof namelijk de economische aantrekkelijkheid van uitbesteding schaden en (daarmee) indruisen tegen het hoge beschermingsniveau dat de richtlijn beoogt.19
Deze benadering komt op het eerste gezicht overeen met de wijze waarop in de Verenigde Staten wordt omgegaan met NPE’s. Het Hooggerechtshof overwoog in eBay/MercExchange namelijk dat de licentiebereidheid van de octrooihouder en zijn gebrek aan commerciële activiteit niet bij voorbaat in de weg staan aan een verbod.20 Tegelijkertijd blijkt uit hetzelfde arrest dat niet langer mag worden vermoed dat de eiser onherstelbare schade lijdt als een verbod achterwege blijft, maar dat de eiser het bestaan van zulke schade daadwerkelijk moet aantonen.21 Deze bewijsopdracht blijkt voor de meeste NPE’s een onoverkomelijke horde.22 De Amerikaanse benadering contrasteert ook op dit punt met die in het Verenigd Koninkrijk, waar de inbreukmaker moet aantonen dat onherstelbare schade ontbreekt.23 Hoewel het ook in dat rechtsstelsel geen vanzelfsprekendheid is dat de rechter het door de NPE gevorderde verbod toewijst, lijkt de oorzaak daarvan in andere factoren te liggen dan het bewijs van onherstelbare schade.24
Dat ook NPE’s bij een vastgestelde inbreuk op een geldig recht in beginsel gerechtigd zijn tot een verbod, neemt niet weg dat zij het exclusieve recht op oneigenlijke of onaanvaardbare wijze kunnen uitoefenen.25 Zo is het aanschrijven van inbreukmakers om een financiële compensatie te verkrijgen een aantrekkelijk bedrijfsmodel gebleken voor trollen.26 Daarnaast bestaat in sectoren die worden gekenmerkt door complexe producten en gedecentraliseerde, interoperabele systemen een risico dat octrooihouders de dreiging van een verbod inzetten als drukmiddel om exorbitante licentievergoedingen te bedingen.27 Zulke praktijken komen echter niet uitsluitend voor in zaken waarin de eiser een NPE is.28 Een algemeen risico op misbruik kan bovendien niet rechtvaardigen dat aan het handhavingsbelang van een NPE op voorhand minder gewicht wordt toegekend dan dat van andere categorieën eisers.29 De rechter zal van geval tot geval moeten beoordelen of een onbeperkt en onvoorwaardelijk verbod op zijn plaats is. Hij kan daartoe zijn toevlucht zoeken in het misbruikleerstuk,30 maar ook het evenredigheidsbeginsel kan bescherming bieden tegen onredelijke of anderszins schadelijke handhavingspraktijken.31