Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.6:6.6 Tot slot
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.6
6.6 Tot slot
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200758:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In Packers model staat centraal de mogelijkheid voor de verdachte om zich te verdedigen tijdens het strafproces (zie ook hoofdstuk 2).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is beschreven hoe rechters de door politiemensen (en officieren van justitie) verwoorde opvattingen over het functioneren van het strafrecht beoordelen (zie onderzoeksdeelvraag 2). Rechters tonen zich meestal tevreden over het functioneren van het strafrecht. Wel geven ze regelmatig aan dat in hun ogen te veel tijd verloren gaat tussen het moment dat een strafbaar feit wordt gepleegd en de afhandeling van de strafzaak. De oorzaken hiervan lokaliseren ze hoofdzakelijk binnen politie en OM en soms ook binnen de rechtspraak zelf. Tegelijkertijd valt onder rechters, evenals onder officieren van justitie, de verscheidenheid in opvattingen op over voorlopige hechtenis, beoordeling van bewijs en straffen. Onderstaand worden deze verschillen kort samengevat.
Voorlopige hechtenis
De meeste rechters zijn het niet eens met de opvatting dat voorlopige hechtenis vaker toegepast zou moeten worden en minder vaak geschorst. Juridische kaders bieden hiervoor in hun ogen niet de ruimte en rechters zien dat ook als oorzaak van een verschil in beoordeling met officieren van justitie. Tegelijkertijd blijkt ook uit de interviews dat rechters, evenals officieren van justitie, onderling verschillend om willen gaan met de juridische kaders voor voorlopige hechtenis. Een deel van de rechters wenst een strikte interpretatie van de betrokken juridische kaders te hanteren. Enkele van de geïnterviewde rechters staan vanuit morele- en veiligheidsoverwegingen echter juist een ruime toepassing van voorlopige hechtenis voor en tevens een ruime interpretatie van deze kaders. Daarbij wordt voorlopige hechtenis soms als voorschot op de straf beschouwd. De betreffende rechters willen door middel van voorlopige hechtenis vooral voorkomen dat verdachten hun ‘straf’ ontlopen, doordat zittingsrechters in een later stadium vaak een te lage of geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opleggen.
Bewijs
Ook bij het thema bewijs is sprake van ervaren verschillen in beoordeling met een deel van de officieren van justitie. Zo komt het volgens rechters voor dat jurisprudentie niet goed wordt gehanteerd, waardoor onterecht een veroordeling wordt geëist. Ook verwijzen rechters naar in hun ogen te grote risico’s die kleven aan de manier waarop officieren van justitie soms zouden omgaan met sterke aanwijzingen en aannemelijke scenario’s. Tegelijkertijd blijken rechters hierover ook onderling verschillende opvattingen te hebben. Steeds speelt een verschil in interpretatie van het element overtuiging in het bewijsrecht daarbij een rol.
Een deel van de rechters meent dat terughoudend omgegaan moet worden met het in combinatie beoordelen van op zichzelf niet overtuigende bewijsmiddelen. Anderen menen juist dat hun collega-rechters hier te voorzichtig mee zijn, maar veel rechters zijn het er niet mee eens dat door verdachten aangedragen alternatieve scenario’s vaker als ongeloofwaardig van de hand gewezen moeten worden. Zo meent een rechter dat de ‘geloofwaardigheidstoets’ van een door de verdachte aangedragen alternatief scenario nogal eens is gebaseerd op een inschatting die een groot risico op fouten in zich draagt. Het verhaal van de verdachte vaker van de hand wijzen ligt in zijn ogen dan ook niet voor de hand.
Rechters lijken verschillend te denken over de mate waarin actief op zoek moet worden gegaan naar een gat in de bewijsvoering. Ook wordt door rechters verschillend gedacht over de rol die falsificatie moet spelen in strafzaken. Een deel van de rechters vindt dat het OM mogelijkheden tot het onderzoeken van alternatieve scenario’s zoveel mogelijk moet benutten, voor anderen is dit alleen in bijzondere gevallen aan de orde. Ook geven sommige rechters aan een onderbouwing van een door de verdachte aangedragen alternatief scenario te verlangen, terwijl in de ogen van andere rechters deze eis soms niet op zijn plaats is; bijvoorbeeld wanneer een zaak te lang is blijven liggen en van de verdachte niet meer kan worden verwacht aan te geven hoe zijn alternatieve scenario onderzocht kan worden.
Voor sommige rechters is de betekenis van het zwijgrecht vrij absoluut, terwijl voor anderen geldt dat onder bepaalde omstandigheden van zo’n absolute betekenis geen sprake kan zijn. Wanneer een verdachte pas gaandeweg het strafproces met een verklaring komt, wordt deze door sommige rechters niet betrouwbaar geacht.
Straffen
In het algemeen zijn rechters tevreden met de in Nederland opgelegde straffen. Daarbij zijn ze soms wel gefrustreerd over gevallen van hardnekkige recidive, maar een groot deel van hen meent dat hoger straffen geen oplossing is. De straftoemeting in een individueel geval beschouwen rechters als maatwerk en tegelijkertijd willen zij rekening houden met de straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd.
Rechters lijken overwegend op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ georiënteerd te zijn. Enkele rechters zeggen echter hun vertrouwen in de goede voornemens van delinquenten deels verloren te hebben. Hetzelfde geldt voor hun vertrouwen in het effect van zorg en hulpverlening. De betreffende rechters zien gevangenisstraf dan ook eerder als een passende ‘oplossing’. Over de ISD-maatregel wordt door rechters verschillend gedacht. Voor de één staan de mogelijkheden om de delinquent te behandelen voorop, terwijl voor de ander met name het opsluitingseffect hiervan belangrijk is.
Verschillende opvattingen over straffen onder rechters komen ook naar voren als zij het hebben over straffen voor minderjarige delinquenten. Een deel van de commune rechters (onder wie oud-kinderrechters) meent dat jeugddetentie te weinig en te kort wordt opgelegd. In hun ogen wordt aan sommige jongeren onvoldoende duidelijk gemaakt dat hun gedrag onacceptabel is voor de samenleving en dat misdaad niet loont. Daarbij lijken deze rechters regelmatig uit te gaan van criminaliteit als het gevolg van een bewuste keuze, terwijl jeugddelinquenten door de geïnterviewde kinderrechters niet als berekenende daders worden beschouwd.
Over taakstraffen zijn de geïnterviewde rechters eensgezind. Zij zien het als een belangrijke strafmodaliteit. Wel vinden zij dat soms te soepel wordt omgegaan met ongeoorloofd verzuim door taakgestraften. Rechters menen verder dat een taakstraf door delinquenten als zwaarder wordt ervaren dan vaak wordt verondersteld. Daarbij vinden zij het van belang dat oplegging van taakstraf negatieve neveneffecten van gevangenisstraf voorkomt.
Due process, crime control en strafdoelen in opvattingen van rechters
Voor veel rechters speelt bescherming van de verdachte door middel van het strafrecht een grote rol in vergelijking met het belang van criminaliteitsbestrijding. Meerdere elementen van het due process model zijn herkenbaar in de opvattingen van veel rechters over de beoordeling van bewijs. Gemeend wordt dat hiermee uiterst zorgvuldig moet worden omgegaan. Ook benadrukt een deel van de rechters dat het strafproces de verdachte de mogelijkheid moet bieden zich te verdedigen ten overstaan van de rechter: zij willen (vrijwel) geen beperkingen stellen aan mogelijkheden voor verdachten om een alternatief scenario in te brengen, zolang het strafproces loopt.
In de ogen van een deel van de rechters houdt hun werk een actieve rol in die in het due process model van Packer niet naar voren komt.1 Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de overtuiging van rechters dat zij zelf actief moeten zoeken naar een mogelijk gat in de bewijsvoering. Daarbij hoeft het niet per se te gaan om een ‘redelijk alternatief scenario’ dat naar voren komt uit het strafdossier of daarbij kan worden aangeknoopt (vgl. Van Koppen, 2011: 52). Ook vinden sommige rechters dat zij zelf theoretische scenario’s kunnen betrekken in hun oordeel, zolang die niet apert onjuist gebleken zijn. Het element overtuiging in het bewijsrecht wordt in deze opvatting uitgelegd als een aansporing tot een actieve, kritische houding van de rechter bij de beoordeling van bewijs. Niet alleen de verdachte of zijn advocaat, maar ook de rechter zelf moet kritiek leveren op het aangeleverde bewijs en de conclusies die daaruit worden getrokken. Zo menen sommige rechters bij het interpreteren van bewijs zeer terughoudend te moeten zijn wanneer de aanwezige bewijsmiddelen in hun ogen slechts kwalificeren als sterke aanwijzingen. Ook telt in deze opvatting de zwakke bewijskracht van het ene individuele bewijsmiddel niet of nauwelijks op bij de bewijskracht van een ander bewijsmiddel.
Tegenover de hierboven weergegeven opvattingen over bewijsbeoordeling staat niet simpelweg de doelstelling om zo effectief mogelijk de criminaliteit te bestrijden, zoals in het crime control model van Packer. Een absoluut streven naar een efficiënte veroordeling van ‘probably guilty’ kan onder rechters niet worden aangetroffen. Het strafproces of delen daarvan worden door hen evenmin afgedaan als onnodig. Zo is er bijvoorbeeld geen enkele rechter gekant tegen het onderzoeken van aangedragen alternatieve scenario’s. Rechters die een deel van hun collega-rechters te voorzichtig vinden bij de beoordeling van bewijs, hebben een andere opvatting over de rol van de rechter tijdens het strafproces en over het element overtuiging in het bewijsrecht. Tegenover ‘actieve’ rechters, die als vanzelfsprekend kritisch staan ten opzichte van de interpretatie van bewijs door politie en OM, staan meer afwachtende rechters die zichzelf bij voorkeur als ‘neutrale beslisser’ beschouwen. Alleen als een verdachte in de ogen van deze rechters onvoldoende of niet wordt verdedigd door een advocaat, zien zij reden van de gebruikelijke taakopvatting af te wijken.
Het element overtuiging in het bewijsrecht wordt verschillend geïnterpreteerd en door een deel van de rechters vooral beschouwd als een oordeelsruimte op basis van common sense en minder als een aansporing tot kritische reflectie. Verschillen tussen rechters op dit punt worden bijvoorbeeld zichtbaar wanneer een door een verdachte aangedragen alternatief scenario praktisch gezien lastig of niet te onderzoeken is. De rechters die een minder kritische beoordeling voorstaan vinden eerder dat zonder meer uitgegaan kan worden van de feiten die het OM presenteert. Niet simpelweg een schuldpresumptie of een streven naar routinisering en uniformiteit (zoals in het crime control model) ligt hieraan ten grondslag, maar de opvatting dat plausibele scenario’s en common sense een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van bewijs.
Een deel van de rechters is van opvatting dat voorlopige hechtenis ruimer toegepast moet worden en wenst uit te gaan van een hierbij passende soepele interpretatie van juridische kaders. Opnieuw is niet het streven om het crime control model te realiseren, ook is een ‘uitgekleed’ of geminimaliseerd strafproces niet het doel. Wel ervaren rechters omstandigheden die hen aanzetten tot een weinig strikte interpretatie van juridische kaders. Hierbij gaat het om de verminderde kans dat in een later stadium een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zal worden in gevallen waarin de verdachte (al enige tijd) niet (meer) in voorlopige hechtenis zit. Daarnaast gaat het in deze opvatting niet alleen om instrumentele doelen, zoals in Packers crime control model. Ook morele argumenten spelen een rol.
Belangrijk is te constateren dat Packers modellen beide binnen het recht vallen, maar dat sommige rechters menen dat onder omstandigheden jurisprudentie over voorlopige hechtenis en bewijsbeoordeling niet gevolgd hoeft te worden. Net als officieren van justitie blijken rechters onderling verschillend op regels georiënteerd te zijn; ‘precies’ of juist ‘rekkelijk’ (vgl. De Groot-van Leeuwen, 1991: 178-179).
In de opvattingen die rechters over straffen hebben, is strafrechtelijk optreden niet, zoals in Packers modellen simpelweg een kwestie van repressief optreden in de strijd tegen criminaliteit en overlast. Behalve op een ‘harde aanpak’ zijn rechters ook georiënteerd op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, hetgeen zowel strafrechtelijke repressie kan inhouden als het bieden van ruimte aan de verdachte om zijn toekomst (verder) op te bouwen of voor preventieve activiteiten (vgl. De Keijser, 2000). In de opvattingen van rechters over straffen aan minderjarige delinquenten komt het spanningsveld tussen ‘hard aanpakken’ en ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ ook naar voren. Opnieuw staan niet crime control en due process tegenover elkaar, maar de opvatting dat strafrechtelijk optreden gericht moet zijn op het oplossen van problemen enerzijds (‘positieve gedragsbeïnvloeding’) en de opvatting dat minderjarige delinquenten meer door het strafrecht genormeerd en afgeschrikt zouden moeten worden anderzijds (‘harde aanpak’).