Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/338
338 De dubbele vertegenwoordigingsbevoegdheid bij de (arbeids)overeenkomst
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364158:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Binnen een orgaan hoeft uiteraard geen exclusiviteit te gelden. Denk aan de raad van bestuur waarbinnen ook iedere bestuurder afzonderlijk onvoorwaardelijk en onbeperkt vertegenwoordigingsbevoegd is. Ten aanzien van bepaalde (interne) bevoegdheden kan het wel voorkomen dat die bij meer organen berusten. Denk daarbij aan de bevoegdheid tot het oproepen van een algemene vergadering. De wet geeft voor deze veelal interne aangelegenheden in de regel expliciete vereisten waardoor de rechtszekerheid wordt gewaarborgd.
De vertegenwoordigingsbevoegdheid van een orgaan kan bijvoorbeeld afhangen van een voorafgaande goedkeuring van een ander orgaan. Dit zorgt ervoor dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het ene orgaan niet autonoom is, maar hieruit volgt niet dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij beide organen ligt.
Verburg 2015, p. 27.
In de statuten zal veelal een bepaling te vinden zijn in de zin van: “De bezoldiging en de overige (arbeids)voorwaarden worden door de raad van commissarissen vastgesteld.”
Rechtbank Zutphen 10 december 2008 (RO/2009/22, (NTI/Vernhout). Hof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1981, JOR 2013/331 m.nt. Bulten (NTI/Vernhout). Zie tevens HR 15 september 1995, NJ 1996/139 m.nt. Ma (Kuijpers/Kuijpers) waarin werd geoordeeld dat een bezoldigingsbesluit, genomen door het onbevoegde orgaan, nietig is.
Bennaars 2015, p. 174, noot 59. Zie overigens ook Bennaars & Vestering 2010, p. 20. Rechtbank Zutphen 10 december 2008, RO/2009/22, (NTI/Vernhout). Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, JOR 2013/331 m.nt. Bulten (NTI/Vernhout). Zie tevens HR 15 september 1995, NJ 1996/139 m.nt. Ma (Kuijpers/Kuijpers) waarin werd geoordeeld dat een bezoldigingsbesluit genomen door het onbevoegde orgaan nietig is.
Bennaars 2015, p. 174, noot 59. Uit deze opmerkingen blijkt dat Bennaars dus niet de mening aanhangt dat het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging vast te stellen tevens bevoegd is de bezoldiging in een arbeidsovereenkomst aan te gaan, maar dat deze bevoegdheid bij het bestuur ligt. Zie overigens voor eenzelfde soort redenering het eerder aangehaalde arrest van het Hof Amsterdam 12 augustus 2008, JOR 2008/264 m.nt. Leijten (Tiscali). Zie randnummer 337.
Zie r.o. 4.10. R.o. 4.13 bevestigt deze lezing. Daarin is opgenomen: “voor zover de grief tot uitgangspunt neemt dat de onderhavige vorderingen voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, faalt zij, nu de desbetreffende contractuele afspraken nietig zijn op de onder 4.10 vermelde gronden [cursivering, ECHJL].
Wat de vraag betreft of ook twee organen bevoegd kunnen zijn ten aanzien van hetzelfde onderwerp zou ik voorop willen stellen dat binnen het vennootschapsrecht juist bij bevoegdhedenverdelingen tussen organen in beginsel sprake is van exclusiviteit.1 Een orgaan kan weliswaar niet autonoom vertegenwoordigingsbevoegdheid zijn, maar dat laat onverlet dat deze vertegenwoordigingsbevoegdheid in dergelijke gevallen wel exclusief bij een orgaan ligt.2 Het systeem van de wet laat naar mijn mening niet toe dat een bepaalde wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid tegelijkertijd ligt bij twee verschillende organen. Immers, opgenomen is dat het bestuur vertegenwoordigingsbevoegd is, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Vloeit uit de wet voort dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij een ander orgaan ligt, dan komt deze vertegenwoordigingsbevoegdheid exclusief toe aan dat orgaan en niet aan het bestuur. Bij het benoemen van een bestuurder – en in het verlengde daarvan het aangaan van de (arbeids)overeenkomst – ligt de vertegenwoordigingsbevoegdheid dus in beginsel alleen bij de algemene vergadering en niet ook bij het bestuur.
Ondanks het uitgangspunt dat een bepaald orgaan in beginsel exclusief bevoegd is ten aanzien van één onderwerp kan het wel voorkomen dat twee organen bevoegd zijn een bepaalde overeenkomst te ondertekenen wanneer in deze overeenkomst meer dan één onderwerp aan bod komt. Bij het aangaan van de arbeids- of opdrachtovereenkomst is het orgaan dat bevoegd is te benoemen dus in beginsel bevoegd deze te ondertekenen voor wat betreft de aanstelling, opzegtermijn en andere onderwerpen, niet zijnde bezoldigingsbepalingen. Het orgaan dat bevoegd is de bezoldiging vast te stellen is mijns inziens exclusief bevoegd de vennootschap te binden aan beloningsafspraken. Wanneer de bevoegdheid tot het aangaan van een (arbeids)overeenkomst dus bij een ander orgaan ligt dan het orgaan dat bevoegd is tot het vaststellen van de bezoldiging, zal dat laatste orgaan dus, om de vennootschap rechtsgeldig aan deze bezoldigingsbepalingen te binden, mede de (arbeids)overeenkomst moeten ondertekenen. De besluitvorming en het maken van contractuele afspraken dienen in dat geval goed op elkaar afgestemd te worden.3 Uiteraard staat altijd de mogelijkheid open om, indien de bevoegdheid om de overeenkomst aan te gaan en de bevoegdheid de bezoldiging vast te stellen bij verschillende organen ligt, het ene orgaan bij volmacht voor de andere te laten tekenen. In de praktijk wordt in de statuten veelal de zinsnede opgenomen dat de bezoldiging en de overige (arbeids)voorwaarden worden vastgesteld door de raad van commissarissen. Bij beursgenoteerde vennootschappen zal in de regel de raad van commissarissen op grond van de statuten zowel bevoegd zijn de bezoldiging als de overige voorwaarden (en daarmee dus de gehele overeenkomst van opdracht) met de bestuurder aan te gaan.4
Vorenstaande is mijns inziens terecht als uitgangspunt genomen in een uitspraak van de rechtbank Zutphen en het hof Arnhem-Leeuwarden in het NTI/Vernhout-arrest.5
Bestuurder Vernhout vordert in deze zaak betaling op grond van de arbeidsovereenkomst die door het bestuur gesloten is. Het hof stelt dat in de statuten van NTI het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden worden vastgesteld door de algemene vergadering. Daarnaast staat volgens het hof ook artikel 2:245 BW aan de desbetreffende vorderingen van bestuurder Vernhout in de weg, nu het daarbij gaat om elementen van de arbeidsovereenkomst die als bezoldiging in de zin van deze bepaling moeten worden aangemerkt. Vaststaat dat met de arbeidsovereenkomst van Vernhout niet is voldaan aan het vereiste dat de bezoldigingsbepalingen zijn aangegaan door de algemene vergadering. Het hof laat daarmee het oordeel van de rechtbank in stand dat de vennootschap niet aan de bezoldigingsafspraken, opgenomen in de arbeidsovereenkomst, gebonden is.
In de literatuur is – mijns inziens ten onrechte – kritiek geuit op bovenstaande uitspraak. Zo stelt Bennaars dat de rechtbank Zutphen en het hof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte hebben geoordeeld dat “de nietigheid van het bezoldigingsbesluit gelijk staat aan de nietigheid van het besluit de arbeidsovereenkomst aan te gaan”.6 Zij wijst erop dat in de statuten is opgenomen dat ook in het geval van een tegenstrijdig belang de bestuurders conform de regels van de statuten bevoegd zijn de vennootschap te vertegenwoordigen. Die statutaire regeling houdt in dat twee bestuurders gezamenlijk of de bestuurder met de titel ‘algemeen bestuurder’ alleen, bevoegd zijn de vennootschap te binden. Of deze beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur is ingeschreven in het handelsregister blijkt niet uit de uitspraak. Aangezien de arbeidsovereenkomst is ondertekend door één medebestuurder, niet zijnde een ‘algemeen bestuurder’, is de vennootschap volgens haar dus niet rechtsgeldig vertegenwoordigd bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Dit kan de wederpartij volgens haar tegenwerpen (mits de vertegenwoordigingsbeperking in het handelsregister is opgenomen). Volgens haar is dat een andere, wel juiste, grondslag om te concluderen dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is gesloten, in plaats van te concluderen tot nietigheid omdat er geen aandeelhoudersbesluit is over het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden.7
Mijns inziens hebben de rechtbank en het hof het wel bij het rechte eind. Het bestuur is immers vertegenwoordigingsonbevoegd ex art. 2:130 lid 1 BW omdat de bevoegdheid om de vennootschap aan een bezoldiging te binden (zowel statutair als op basis van de wet) bij de algemene vergadering ligt. Het wel of niet wegschrijven van de tegenstrijdigbelangregeling is dan ook niet van belang. Daarbij dient te worden opgemerkt dat uit de overwegingen van het hof niet volgt dat “de nietigheid van het bezoldigingsbesluit gelijk staat aan de nietigheid van het besluit de arbeidsovereenkomst aan te gaan”. Het hof stelt slechts dat de op de (schriftelijke) arbeidsovereenkomst gebaseerde vorderingen niet toewijsbaar zijn omdat de beloningsbepalingen zijn aangegaan door het onbevoegde orgaan. De vennootschap kan dus een beroep doen op de nietigheid van deze bepalingen. Dat de gehele arbeidsovereenkomst nietig is, wordt door het hof niet gesteld.8 Wel laat het hof het vonnis van de rechtbank in stand, waarin de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat de gehele arbeidsovereenkomst nietig was. Zelf lijkt het hof de reikwijdte te beperken tot de contractuele bezoldigingsbepalingen in de arbeidsovereenkomst.