Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.6.1:4.6.1 Seponeren door het OM
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.6.1
4.6.1 Seponeren door het OM
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200790:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onvrede van politiemensen over het strafrechtelijk vervolg op hun werkzaamheden heeft onder meer betrekking op gevallen waarin het OM heeft besloten tot sepot. Vooral bij gevallen van veelvoorkomende criminaliteit komt het voor dat zij geen zicht hebben op het vervolg van een zaak en dus ook niet op de motivering van een eventueel sepot. Soms weet men de motivering wel, maar heeft men daar weinig begrip voor. Gebrek aan juridische kennis kan hierbij een rol spelen. Zo blijken politiemensen soms geen onderscheid te maken tussen politiesepot en sepot door het OM. In dit voorbeeld lijken gebrek aan zicht en onbegrip over overwegingen die bij juridische beslissingen een rol kunnen spelen, elkaar te versterken:
‘Dit is een sepotzaak, die veel frustratie heeft opgeleverd. Een verdachte loopt ’s nachts met een alarmpistool op zak en die is geseponeerd omdat het kennelijk niet verboden is om met een gelijkend wapen op straat te lopen. De verklaring van het OM is, het is niet verboden en dan doen ze die meneer een schikkingsvoorstel, een transactie. Dan zou je denken, dan komt er een dagvaarding. Maar dan wordt het een sepot en dat verbaast ons in hoge mate. In Nederland zijn we fel op wapens, met fouilleeracties en dergelijke en dan treffen wij iemand aan op straat met een wapen en dan krijg je dit. Dat een alarmpistool kennelijk mag, gaat er bij ons niet in. Wij weten niet hoe het zit. Wij kunnen niet begrijpen dat men akkoord gaat met een wapen dat voor afdreiging geschikt is. Als die gast zo’n wapen tegen je voorhoofd zet, dan geef je echt wel je portemonnee af.’
In een aantal gevallen is de politieman of -vrouw het niet eens met de afwegingen die het OM brachten tot de sepotbeslissing. Men vindt dat het OM te hoge eisen stelt, bijvoorbeeld aan het bewijs, of te wantrouwend staat tegenover de verklaring van een politiemedewerker. De onvrede van de vaak vooral op directe actie gerichte politiemedewerkers is soms zo groot dat zij de neiging kunnen vertonen de juridische eisen die het OM hanteert, als overdreven te beschouwen en enigszins belachelijk te maken. Een wijkagent:
‘Stel: ik zag dat de verdachte iets gestolen had, in zijn zak had gestopt en naar buiten liep. Dan wil het OM weten met welke hand en allemaal andere kleine details. Ik schrijf meestal wel wat op maar eigenlijk moet volstaan kunnen worden met de zin: ik zag dat hij iets stal. In mijn ogen is dat voldoende.’
Een bureauchef opsporing:
‘Waar je een aantal jaren terug nog voor elkaar kreeg dat informatie van een wijkagent gebruikt kon worden, is dat nu niet meer zo. Als die zegt: “Ik ben op straat door diverse mensen aangesproken die mij hebben verteld dat Pietje dik in de gestolen auto’s zit”, dan zegt het OM tegenwoordig: “Leuk dat je dat weet, maar we willen wel alle namen hebben van de mensen die jij gesproken hebt.” De wijkagent kent die mensen en dat is natuurlijk ook zo. Een CIE kan met beschermde getuigen werken. (...) Wij willen daar wat meer ruimte in krijgen, want we willen die informatie gebruiken.’
Overigens wordt door politiemensen ook verondersteld dat het OM door tijdsdruk vaak tot sepot zou besluiten. Ze menen ook dat bij het OM soms de tijd ontbreekt om bijvoorbeeld aanvullende informatie te vragen bij de betreffende politiemedewerker.