Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/1.4:1.4 Het plan van behandeling
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/1.4
1.4 Het plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS598842:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 2 bevat een schets van de Nederlandse uitkoopregelingen, alsook van de wettelijke uitkoopregelingen in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Ik bespreek de buitenlandse regelingen per onderwerp meer specifiek in de volgende hoofdstukken. De rechtsvergelijking is onder meer interessant met betrekking tot de waarborgen voor de minderheid en de wijze van prijsbepaling in deze buitenlandse stelsels. Daarnaast is de vergelijking van waarde voor de uitleg van de verplichtingen uit de dertiende EG-richtlijn.
In hoofdstuk 3 sta ik uitgebreid stil bij de totstandkomingsgeschiedenis van de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a BW en de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW.
De uitkoopregeling staat naar haar aard op gespannen voet met het eigendomsrecht van de minderheidsaandeelhouders. In hoofdstuk 4 onderzoek ik de rechtvaardiging die aan de gedwongen van de aandelen ten grondslag ligt. Van belang daarbij is eveneens of de uitkoopregeling verenigbaar is met het onteigeningsverbod van art. 14 Grondwet en het recht op een ongestoord genot van eigendom van art. 1 Eerste Protocol van het EVRM.
Het toepassingsbereik van beide uitkoopregelingen staat centraal in hoofdstuk 5. De bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW kent een beperkter toepassingsbereik dan de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW. De eerstgenoemde regeling is alleen van toepassing binnen drie maanden na een openbaar bod op een beursgenoteerde vennootschap. De algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a BW kent deze beperking niet.
Hoofdstuk 6 gaat over het kapitaal- en stemrechtvereiste voor de toepassing van de uitkoopregeling. Een uitkoper dient ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in de vennootschap te verschaffen. Voor de gedwongen overdracht van de aandelen in een BV geldt bovendien dat hij ook ten minste 95% van het stemrecht moet kunnen uitoefenen. De bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW kent vergelijkbare drempels, alleen gelden zij per soort aandeel afzonderlijk. De uitkoper kan slechts een vordering instellen ten aanzien van de soort waarvoor hij aan het kapitaal- en stemrechtvereiste voldoet. Voorts zijn bewilligde certificaten en certificaathouders voor toepassing van de bijzondere uitkoopregeling in art. 2:359c BW gelijk gesteld met aandelen en aandeelhouders. Ik onderzoek de gevolgen van deze gelijkstelling voor onder meer de berekening van de uitkoopdrempels.
De uitkoper moet zijn vordering instellen tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders. Wie dit zijn, is voorwerp van onderzoek in hoofdstuk 7.Ik besteed in het bijzonder aandacht aan de positie van de houders van de aandelen die zijn opgenomen in een (buitenlands) giraal effectensysteem en aan de houders van de voor de aandelen uitgegeven buitenlandse instrumenten, zoals depositary receipts. Daarnaast kunnen door verschillende oorzaken mutaties ontstaan aan de zijde van de gedaagden. Ik onderzoek de gevolgen hiervan, bijvoorbeeld of de uitkoper de ‘nieuwe aandeelhouders’ alsnog in de procedure moet betrekken.
In hoofdstuk 8 bespreek ik de afwijzingsgronden van de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a lid 4 BW. De OK moet een vordering tot uitkoop afwijzen indien een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht, een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden of een eiser jegens gedaagde afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen. Deze gronden gelden niet voor de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW.
De waardering van de over te dragen aandelen en het vaststellen van de uitkoopprijs komen aan bod in hoofdstuk 9. Na een bespreking van de uitgangspunten voor de prijsbepaling, geef ik een overzicht van de methodes die de OK hanteert voor de waardering van de aandelen in de uitkoopprocedure. Verder is voor de uitkoopprijs de peildatum van belang. Dit onderwerp staat centraal in het slot van dit hoofdstuk.
Hoofdstuk 10 ziet op de toewijzing van de vordering en de tenuitvoerlegging van het bevel tot overdracht. De uitkoopregeling kent met de consignatie een ‘eigen’ regeling voor het ten uitvoer leggen van de gedwongen overdracht. Ik besteed onder meer aandacht aan de wijze van consigneren en de gevolgen hiervan voor de beperkte rechten of beslagen die eventueel op de uit te kopen aandelen rusten. Verder komen de mogelijkheden aan bod om tegen een toewijzend uitkooparrest op te komen.
De algemene opvatting in zowel de praktijk als de literatuur is dat een uitkoopprocedure veelal te lang duurt. Hoofdstuk 11 bevat een onderzoek naar de gemiddelde duur van de procedure op basis van empirische gegevens over de periode 2008-2013. Voor een goed begrip van dit empirisch onderzoek, schets ik eerst de algemene lijnen waarlangs een gemiddelde uitkoopprocedure verloopt en besteed onder meer aandacht aan de wijze van dagvaarden en de regels uit het rolreglement die het procesverloop grotendeels bepalen.
Elk hoofdstuk is afgesloten met een conclusie. Hoofdstuk 12 behelst naast een samenvatting van deze conclusies ook mijn aanbevelingen.
Het onderzoek is afgesloten op 1 juli 2014. Nadien verschenen literatuur en jurisprudentie heb ik zoveel mogelijk verwerkt.