Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/404
404 Verschlechterung der Lage der Gesellschaft
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372665:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Seibert 2010, p. 964.
Meyer 2012, p. 272.
Het minimale aandelenkapitaal van de AG bedraagt op dit moment =C 50.000.
Stenzel 2012, p. 252/253.
BT-Drucks. 16/12278, p. 6. Meyer gaat op basis van de tekst ervan uit dat het gaat om een cumulatie van omstandigheden, waartoe de onderneming wordt gedwongen. Meyer 2012, p. 272.
Seibert 2010, p. 965.
Stenzel 2012, p. 253. Een ontslagronde met het oog op een kostenbesparing voor het verbeteren van de duurzaamheid van de onderneming rechtvaardigt dus geen aanpassing van de bezoldiging. Zie ook Meyer 2012, p. 272/273. Het bestuur moet nu eenmaal impopulaire maatregelen kunnen nemen die in het belang van de onderneming zijn zonder daardoor direct geconfronteerd te worden met een aanpassing van de bezoldiging.
“Vereinzelte Entlassungen, vorübergehende Ensparmaânahmen oder ein unerheblicher Gewinnrückgang bedeuten dagegen noch keine ‘Verslechterung der Gesellschaft’”. Meyer 2012, p. 274. De verslechtering dient overigens ook relatief te zijn, dus ten opzichte van het moment waarop de bezoldiging werd overeengekomen. Meyer 2012, p. 275.
Meyer 2012, p. 273.
BT-Drucks. 16/12278, p. 5.
Door de wetgever is expliciet afscheid genomen van de eis dat er sprake zou moeten zijn van een ‘wezenlijke’ verslechtering van de toestand van de vennootschap. Op grond van de wetstekst lijkt dan ook snel te zijn voldaan aan het eerste vereiste, overigens ten onrechte. Het uitgangspunt blijft dat de bezoldigingsafspraken nagekomen dienen te worden door de vennootschap. Het pacta sunt servanda-beginsel wordt dus niet door iedere negatieve ontwikkeling van de toestand van de vennootschap doorbroken.1 Maar wanneer dan wel?
De vereisten van het oude § 87(2) AktG 1965 brachten mee dat aanpassing pas gerechtvaardigd was wanneer de vennootschap insolvent raakt of wordt geconfronteerd met een ‘unmittelbare Krise’.2 Van een onmiddellijke crisis is bijvoorbeeld sprake wanneer de waarde van de activa lager is dan het minimumkapitaal3 of wanneer de vennootschap krediet van een derde niet meer onder gewone marktomstandigheden kan aantrekken. Er is ook sprake van een onmiddellijke crisis wanneer het zeldzame geval zich voordoet dat het nakomen van de bezoldigingsafspraken ertoe leidt dat de belangen van de werknemers onmiddellijk in gevaar komen, bijvoorbeeld indien de bestuurdersbezoldiging de liquiditeit van de vennootschap ernstig vermindert.4
Volgens de wetgeschiedenis brengt het nieuwe § 87(2) AktG met zich, dat aan de eerste eis voor aanpassing ook kan zijn voldaan wanneer de vennootschap haar toevlucht moet nemen tot ontslagen of loonkortingen én geen winst meer kan uitkeren.5 Andere factoren die worden genoemd als indicatoren voor een verslechtering van de toestand van de vennootschap zijn het ontvangen van staatssteun, een verzoek tot werktijdverkorting, een (aanzienlijke) daling van de aandelenkoers en een (aanzienlijke) daling van de operationele winst.6 Ook bij deze omstandigheden geldt dat het moet gaan om een uitzonderingssituatie waardoor het bestuur wordt gedwongen over te gaan tot bezuinigings- en/of herstructureringsmaatregelen, waarbij eveneens geldt dat bij voortduren van de negatieve ontwikkeling van de toestand van de vennootschap niet is uit te sluiten dat de vennootschap in een onmiddellijke crisissituatie terechtkomt.7 Van een verslechtering van de situatie van de vennootschap is dus niet zomaar sprake.8 Het schrappen van het woord ‘wezenlijk’ heeft aldus tot gevolg dat de vennootschap niet meer direct in haar voortbestaan bedreigd hoeft te worden, maar laat onverlet dat de vennootschap zich in echte financiële moeilijkheden moet bevinden voordat aan de eerste eis van § 87 (2) AktG is voldaan.9
Overigens bevat de parlementaire geschiedenis een tegenstrijdigheid als het gaat om de vraag of een verslechtering nu wezenlijk moet zijn of niet. Weliswaar is expliciet bepaald dat het woord ‘wesentlichen’ wordt geschrapt uit de wetstekst. In het algemene deel is echter opgenomen: “Der Aufsichtsrat ist verantwortlich für die angemessene Festsetzung der Vergütung. Diese Verantwortung soll nicht verwässert, sondern verdeutlicht werden. Deshalb werden dem Aufsichtsrat schärfere Kriterien der Angemessenheit vorgegeben. Dem Aufsichtsrat muss aber auch klar sein, dass er persönlich haftet, wenn er eine unangemessene Vergütung festsetzt. Er kann diese wichtige Aufgabe nicht mehr zur endgültigen Behandlung in einen Ausschuss verlagern und es werden ihm wirksame Instrumente an die Hand gegeben, eine Vergütung nachträglich herabzusetzen, wenn die Verhältnisse der Gesellschaft sich wesentlich verschlechtert haben [cursief ECHJL].”10