Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.2.1:9.2.1 Betekenis van dit onderzoek vanuit de centrale boodschap van Packer
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.2.1
9.2.1 Betekenis van dit onderzoek vanuit de centrale boodschap van Packer
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200800:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het realiseren van rechtvaardigheid kan worden beschouwd als het centrale doel van het strafrecht. Daarbij kan rechtvaardigheid worden afgemeten aan het procesverloop en aan de (instrumentele) uitkomsten die het strafrecht kan hebben (Packer, 1964; 1968). Iets ruimer geformuleerd is rechtvaardigheid ook gedefinieerd als formeel, liggend in regels, juridische kaders en principes en als substantieel, tot uitdrukking komend in doelen en uitkomsten (vgl. De Groot-van Leeuwen, 1991: 195). Hiertoe behoren ook uitkomsten die buiten de juridische kaders vallen.
Packer inspireerde zijn theorie op het Amerikaanse accusatoire stelsel. Kenmerkend daarvoor, in vergelijking met het Nederlandse overwegend inquisitoire rechtssysteem, zijn de gelijke mogelijkheden voor de autoriteiten en de verdediging om ten overstaan van de rechter aan waarheidsvinding te doen. Maar ook in de Amerikaanse situatie is het nodig strafbare feiten op te sporen voordat daders berecht kunnen worden, en ook in een overwegend inquisitoir rechtssysteem als het Nederlandse, kán de strafrechter zelf uitgebreid onderzoek (laten) doen in strafzaken. Due process is kortom in beide systemen verschillend uitgewerkt, maar maakt van beide deel uit. Daarbij is de centrale boodschap van Packer dat in een gegeven rechtssysteem instrumentele eisen aan het strafrecht op gespannen voet staan met het werk van de rechter. Er zal daarom geprobeerd worden om de rol van de rechter in het strafproces te beperken, maar volgens Packer blijft de rechter van doorslaggevend belang voor het realiseren van de rechtsbeschermende functie van strafrecht. Vanuit dit theoretische startpunt voor dit onderzoek vragen de uitkomsten daarvan op drie manieren om beschouwing van mogelijke gevolgen.
Ten eerste is de geconstateerde onvrede onder politiemensen over het functioneren van het strafrecht belangrijk. Ook wanneer zij zich niet op het strafrecht kunnen beroepen, wordt van politiemensen leiderschap verwacht (vgl. Vinzant & Crothers, 1996). Daarnaast voelen ze zich vaak sterk betrokken bij de problemen in hun werkgebied en voelen ze zich moreel geroepen om burgers te beschermen en de orde te herstellen. Wanneer het strafrecht hen niet ondersteunt bij deze ervaren missie zijn zij daar teleurgesteld over en schiet het strafrecht in hun ogen tekort. Sykes (1986) heeft deze missie het realiseren van street justice genoemd. Street justice kan behalve op criminaliteit ook betrekking hebben op overlast, hetgeen vaak niet een strafrechtelijk onderwerp is. Ook kan er behoefte zijn het strafrecht in te roepen, terwijl dat formeel gezien onmogelijk is, bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan bewijs. In beide gevallen voelen politiemensen (vaak ook de sociale omgeving waarin zij opereren) geregeld wel de noodzaak oplossingen te bieden of onrecht te herstellen. Street justice en criminal justice, de formele strafrechtstoepassing, bestaan daarmee niet alleen naast elkaar, maar kunnen ook botsen.
Ten tweede verdient aandacht het uitgangspunt van Packer dat de rechter een centrale rol speelt bij het realiseren van de rechtsbeschermende functie van het straf(proces)recht. In zijn due process model kan de rechter zover gaan dat de instrumentele functie van strafrecht naar de achtergrond verdwijnt. In de opvattingen van rechters over hoe het strafrecht moet functioneren blijkt het spanningsveld tussen de instrumentele doelen en de rechtsbeschermende functie van strafrecht echter nog veel sterker aanwezig dan Packer leek te veronderstellen. Onder leden van de rechterlijke macht blijkt geen sprake van een eenduidige manier van denken over het strafrecht en daaraan onderliggende spanningen. Zoals eerder aangegeven bestaan onder officieren van justitie en rechters verschillende opvattingen over hoe voorlopige hechtenis en strafrechtelijk bewijs beoordeeld dienen te worden. Daarbij spelen bij magistraten verschillende denkstijlen een rol. Volgens De Groot-Van Leeuwen (1991: 195) botsen twee ‘denkstijlen’ met elkaar: contextueel denken en legalistisch denken. Een aantal centrale doelen en het verhaal dat de afzonderlijke casus vertelt, krijgt in de eerstgenoemde denkstijl voorrang op de regels. Erkend wordt dat ‘materiële en formele rechtvaardigheid veelal niet gelijktijdig kunnen worden gerealiseerd’, waardoor ‘materiële rechtvaardigheid’ voorrang krijgt (p. 182). In de legalistische denkstijl staan de regels centraal en wordt de afzonderlijke casus daarin ingepast.
Ten derde is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat het begrip crime control de opvattingen onder politiemensen, officieren van justitie en rechters niet kan omvatten. Het probleem is dat strafrechtelijke reacties in de Nederlandse situatie niet een eenduidig repressief karakter hebben, zoals Packer (met zijn modellen) leek te veronderstellen. Naast een harde (repressieve) aanpak speelt ook het doel van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ een grote rol in de met dit onderzoek beschreven opvattingen. Daarnaast is in de ogen van politiemensen, officieren van justitie en in mindere mate rechters, naast een instrumentele werking van strafrechtelijk optreden ook van belang dat voor burgers duidelijk is dat het plegen van strafbare feiten niet zonder strafrechtelijke consequenties mag blijven. Er moet een norm worden bevestigd, iets recht worden gezet en soms moet de vrede worden hersteld. Het gaat hier niet uitsluitend om een instrumentele crime control functie, maar eerder om een morele functie van het strafrechtsysteem. De vraag rijst wat deze als belangrijk ervaren normbevestigende of morele rol van het strafrecht betekent voor de instrumentele functie ervan?