Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/298
298 Directors’ remuneration
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS366604:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Hutton v. West Cork Railway Co. (1883) 23 ChD 654, 672.
Re George Newman & Co., 1895, 1 Ch. 674, 686. Aan deze redenering liggen ten grondslag de ‘fiduciary duties’ van de bestuurders.
Re Richmond Gate Property Co Ltd (1965) 1 WLR 335; Guinness Plc v Saunders (1990) 2 AC 663.
Dit volgt onder meer uit Re George Newman & Co., 1895, 1 Ch. 674, 686.
Zie in dit geval art. 23 lid 2 van de model articles of association (2013) waarin is opgenomen: “Directors are entitled to such remuneration as the directors determine–(a) for their services to the company as directors, and (b) for any other service which they undertake for the company”. De modelstatuten van een public company zijn (te raadplegen op https://www.gov.uk/guidance/model-articles-of-association-for-limited-companies (laatst bezocht op 5 augustus 2017)).
Opgemerkt zij dat een director zijn functie als lid van de board in beginsel onbezoldigd vervult, tenzij expliciet enige vorm van bezoldiging is overeengekomen. Deze regel volgt uit Hutton v. West Cork Railway Co. en doet nog steeds opgeld:
“A director is not a servant. He is a person who is doing business for the company, but not upon ordinary terms. It is not implied from the mere fact that he is a director, that he is to have a right to be paid for it.”1
De ratio achter dit uitgangspunt is nader uiteengezet in Re George Newman & Co.
“Directors have no right to be paid for their services, and cannot pay themselves or each other, or make presents to themselves out of the company’s assets, unless authorized to do so by the instrument which regulates the company or by the shareholders at a properly convened meeting.”2
Vorenstaande zorgt ervoor dat de rechter in het Verenigd Koninkrijk terughoudend is bij het ingrijpen in de bezoldiging van directors. Is in de statuten van de vennootschap uiteengezet hoe de bezoldiging van directors dient te worden vastgesteld, dan zal een rechter bij het ontbreken van een bezoldiging niet zelf een bedrag vaststellen. De rechter kent in de regel dus ook geen ‘quantum meruit’ of een ‘equitable allowance’ aan directors toe.3
In de praktijk wordt bij beursgenoteerde vennootschappen zonder uitzondering een vergoeding voor de directors overeengekomen. Het uitgangspunt is dat daarvoor de goedkeuring nodig is van de AVA, tenzij hierover in de statuten een bepaling is opgenomen.4 Sinds lange tijd is het gebruikelijk dat in de statuten is bepaald dat de bevoegdheid voor het vaststellen van de bezoldiging van directors bij de board zelf ligt.5 Wordt over de bezoldiging van een director besloten, dan is het de desbetreffende director wel verboden mee te stemmen over zijn eigen bezoldiging.