Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/355
355 De ‘onderzoeksplicht’ van de professionele bestuurder
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367856:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:16 lid 2 BW; Zie tevens onder andere Hof Den Bosch 26 augustus 2008, JOR 2009/63.
Zie ook Bulten 2014, p. 109/110; Verburg 2015, p. 75.
Zie in dezelfde zin Bulten 2014, p. 109/110; Verburg 2015, p. 75; Meijer-Wagenaar 2006, p. 679; Van Slooten & Zaal 2008, p. 300; Bennaars & Vestering 2010, p. 19.
Daar kan mijns inziens aan worden toegevoegd dat de bestuurder op de hoogte is van het (bestaan van een) bezoldigingsbeleid en zodoende ook kan beoordelen of het bezoldigingsbesluit – althans de vastgestelde bezoldiging – in strijd is met het bezoldigingsbeleid dan wel hiervan afwijkt.
Van Slooten & Zaal 2008, p. 300.
Bennaars & Vestering 2010, p. 19.
Bennaars & Vestering 2010, p. 19/20.
Dat art. 2:16 lid 2 BW van toepassing is, wil niet zeggen dat de bestuurder wordt beschermd. Daarvoor is nodig dat aangenomen kan worden dat de bestuurder het gebrek kende noch behoorde te kennen. Is hiervan geen sprake dan vervalt de bescherming die art. 2:16 lid 2 BW biedt en is de vennootschap niet gebonden.1
Honorering van een beroep op bescherming ex art. 2:16 lid 2 BW door de bestuurder zal mijns inziens niet snel voorkomen. Van een bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap mag een aanzienlijke mate van professionaliteit worden verwacht.2 Hij wordt of is al lid van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde, waardoor mag worden aangenomen dat de bestuurder in die hoedanigheid beschikt over kennis en begrip van de verdeling van vennootschapsrechtelijke bevoegdheden. Daar komt bij dat de bestuurder zich in de regel tijdens de bezoldigingsonderhandelingen zal laten bijstaan door diverse adviseurs. Op een bestuurder rust dan ook een zwaardere onderzoeksplicht dan op een willekeurige derde.3
Deze onderzoeksplicht houdt volgens Bulten onder meer in dat de bestuurder zich ervan moet vergewissen dat een bezoldigingsbesluit aan de contractuele beloningsafspraken ten grondslag ligt. Een gebrek in de besluitvorming mag hem worden tegengeworpen.4
Van Slooten en Zaal brengen een onderscheid aan tussen een interne en een externe kandidaat. Wanneer een interne kandidaat tot bestuurder wordt benoemd dan mag van hem verwacht worden dat hij onder meer bekend is met het bezoldigingsbeleid of het ontbreken daarvan. Een externe kandidaat daarentegen zou zich volgens hen wel op de beschermende werking van art. 2:16 lid 2 BW kunnen beroepen, al mag van hem gezien de bijzondere functie die hij aanvaardt wel enig onderzoek verwacht worden. Een beroep van een externe kandidaat op de bescherming van art. 2:16 BW zal mijns inziens bij beursgenoteerde vennootschappen dan ook niet snel slagen.5
Ook Bennaars en Vestering brengen een kleine nuance aan. Van een professionele bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap mag volgens hen inderdaad kennis van de bevoegdheidsverdeling worden verwacht. Hetzelfde geldt voor zittende bestuurders. Is er echter sprake van een bedrijfsleider in een middelgroot bedrijf die gevraagd wordt het bestuurderschap ‘erbij te doen’ of van een bestuurder van een (kleinere) besloten (dochter)vennootschap dan kan dat volgens Bennaars en Vestering anders liggen.6 De bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap lijkt dan ook in beginsel niet te kunnen rekenen op de bescherming van art. 2:16 lid 2 BW.7
Er zijn omstandigheden denkbaar in welk geval het risico meer bij de rechtspersoon komt te liggen. Zo oordeelde de kantonrechter in ABN Amro/Schmittmann dat Schmittmann erop mocht vertrouwen dat ABN Amro en Fortis zorg zouden dragen voor het juridisch juist vastleggen van gemaakte afspraken. Eventuele onjuistheden daarbij zouden Schmittmann niet tegengeworpen kunnen worden. Ook in De Jong/ABN Amro lijkt de kantonrechter te stellen dat De Jong gewoon af mocht gaan op uitingen van de voorzitter van de raad van bestuur. De bestuurder hoeft vanwege de overnameperikelen door het consortium de onbevoegdheid niet te kennen zodat het besluit gewoon werking heeft. Bennaars en Vestering schrijven dan ook dat het enigszins begrijpelijk is dat, gelet op de turbulente opsplitsingsfase waarin ABN Amro zich destijds bevond, de kantonrechter tot het oordeel kan komen dat de bestuurders niet weten of hebben moeten weten welke orgaan precies bevoegd is hun arbeidsvoorwaarden vast te stellen, dan wel afdwingbare toezeggingen te doen.8