Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.4.3:6.3.4.3 Wijze waarop de herziening plaatsvindt
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.4.3
6.3.4.3 Wijze waarop de herziening plaatsvindt
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494246:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 35 (MvT).
Juncto art. 13 lid 2 Uitvoeringsbeschikking OB 1968.
Vgl. het door mij in paragraaf 5.3.4.2 opgetekende stroomschema, bezien vanuit het Unierecht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 29 lid 8 Wet OB 1968 bepaalt nadrukkelijk op welke wijze de herziening moet plaatsvinden. Ik citeer uit bedoelde bepaling:
“(...) ontstaat voor hem op dat tijdstip [het moment van de ‘betaling alsnog’] opnieuw recht op aftrek van de ter zake alsnog voldane belasting als ware het belasting bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing, waarbij voor de toepassing van artikel 15, vierde lid, eerste volzin, de aftrek plaatsvindt overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting ter zake van de levering daarvan in rekening is gebracht. Een eventuele herziening van de aftrek ter zake van de belastingtijdvakken tussen het tijdstip waarop het recht op aftrek aanvankelijk en het tijdstip waarop dat opnieuw ontstond, geschiedt in het tijdvak waarin het recht op aftrek opnieuw ontstaat. De toepassing van de tweede en derde volzin geschiedt overeenkomstig de in de desbetreffende tijdvakken geldende wettelijke bepalingen.”
Dit is een hele mond vol, waardoor de wetssystematiek vrij complex oogt. De wetgever volstaat in de toelichting op art. 29 lid 8 Wet OB 1968 bovendien summier met de opmerking dat ingeval goederen of diensten in gebruik zijn genomen ná het tijdstip waarop de btw aanvankelijk in rekening is gebracht (en de aftrek is bepaald overeenkomstig de bestemming), de aftrek geschiedt ‘overeenkomstig het gebruik van de goederen en diensten vanaf het moment van de eerste ingebruikneming ervan met inachtneming van de wettelijke herzieningsbepalingen. Bij het opnieuw in aftrek brengen van deze belasting wordt voor de verstreken belastingtijdvakken steeds uitgegaan van de wettelijke regeling zoals die gold voor de tijdvakken waarover de belasting opnieuw in aftrek wordt gebracht.’1 Met deze toelichting in het achterhoofd, lees ik de bepaling zo dat de opnieuw voor aftrek in aanmerking komende btw steeds gelijk is aan de oorspronkelijk toegepaste aftrek, met dien verstande dat met eventuele herziening(en) op de voet van art. 15 lid 4 en 6 Wet OB 1968 (zo deze zouden hebben plaatsgehad als wel zou zijn betaald) rekening wordt gehouden. Vragenderwijs: wat zou over de jaren heen (tot aan het moment van niet-betaling) de aftrek zijn geweest als art. 29 Wet OB 1968 geen toepassing had gevonden? Dat bedrag vormt dan de nieuwe aftrek en komt voor teruggaaf in aanmerking.
Een voorbeeld:
Voorbeeld 6.12
Ondernemer A laat in 2017 met het oog op btw-belaste verhuur een pand bouwen. Het pand wordt op 1 juli 2017 opgeleverd en door de huurder in gebruik genomen. De huur is belast met btw. Met ingang van 1 januari 2018 vindt er echter al een huurwisseling plaats. Met de nieuwe huurder kan niet worden geopteerd voor een btw-belaste verhuur, zodat die verhuur is vrijgesteld. De slottermijn voor de bouw van het pand (hoog 1.200.000), met vervaldatum 31 juli 2017, laat A vanwege een geschil met de aannemer aanvankelijk onbetaald. Pas op 1 januari 2020 doet ondernemer A de gewenste betaling.
Naar mijn idee houdt de systematiek het volgende in, waarbij eerst moet worden bezien wat de aftrek zou zijn geweest zonder toepassing van art. 29 Wet OB 1968:
Zonder toepassing van art. 29 Wet OB 1968 loopt de aftrek in voornoemd voorbeeld als volgt. Op het moment dat A de factuur van de aannemer ontvangt komt de aan hem in rekening gebrachte btw (200.000 bij een btw-tarief van 20%)) volledig voor aftrek in aanmerking. Deze aftrek wordt aan het eind van 2017 op grond van art. 15 lid 4 Wet OB 19682 definitief. Vanwege de wijziging in het gebruik met ingang van 1 januari 2018 is hij echter gehouden om over de jaren 2018 en 2019 (en ieder volgend jaar zolang de btw-vrijgestelde huur voortduurt, doch uiterlijk t/m 2026) 1/10 (20.000) van de in aftrek gebrachte btw te herzien en terug te betalen aan de Belastingdienst (art. 15 lid 6 Wet OB 19683). Op 1 januari 2020 is de aftrek (onder de streep) derhalve gelijk aan 160.000.
Met toepassing van art. 29 Wet OB 1968 zou de aftrek naar mijn idee als volgt moeten lopen. Net als hiervoor komt de btw (200.000) bij ontvangst van de factuur in 2017 volledig voor aftrek in aanmerking. Echter: vanwege het verstrijken van de éénjaarstermijn wordt ondernemer A op 1 augustus 2018 de afgetrokken btw (200.000) geheel aan de Belastingdienst verschuldigd.4 Op het moment dat A op 1 januari 2020 de betaling doet, komt in lijn met de wettelijke systematiek 160.000 opnieuw voor aftrek in aanmerking.
Art. 29 Wet OB 1968 heeft daarmee geen effect op het (materiële) recht op aftrek. Dit komt mij juist voor.
Ik meen overigens dat de wetgever ook had kunnen volstaan met een iets compactere beschrijving van de systematiek. Het uitschrijven van de aftrek- en herzieningssystematiek maakt het nu wel erg abstract.