De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/356:356 Art. 2:16 BW of de regels omtrent volmacht?
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/356
356 Art. 2:16 BW of de regels omtrent volmacht?
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365376:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ook in het tweede geval kan mijns inziens het ondertekenen van de overeenkomst door alle leden van het aangewezen orgaan gezien worden als een besluit (buiten vergadering).
Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2017, nr. 98.
Zie randnummer 350 over het verlenen van een volmacht bij het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de bescherming van art. 2:16 lid 2 BW kunnen ook de (gewone) regels omtrent volmacht een rol spelen. De bezoldiging kan op verschillende manieren worden vastgesteld: (i) door het nemen van een direct extern werkend besluit, (ii) door ondertekening van een (bezoldigings)overeenkomst door alle leden van het bevoegde orgaan en (iii) door het nemen van een bezoldigingsbesluit en het tegelijkertijd verlenen van een volmacht aan een gevolmachtigde, waarna deze gevolmachtigde bezoldigingsafspraken met de bestuurder aangaat. Mijns inziens is in alle drie gevallen sprake van vaststelling bij besluit.1 Bij de eerste twee situaties is er sprake van een samenval van het moment van vaststellen en de vertegenwoordigingshandeling. In de derde situatie is er sprake van twee vertegenwoordigingshandelingen: het verlenen van de volmacht en het aangaan van de overeenkomst. De eerste vertegenwoordigingshandeling zal in de regel samenvallen met het vaststellingsbesluit, de tweede vertegenwoordigingshandeling niet.
Vorenstaande is van belang voor de vraag of art. 2:16 BW in stelling wordt gebracht of dat op basis van de gewone regels van volmacht gekeken moet worden of de nietigheid van de vertegenwoordigingshandeling aan de bestuurder kan worden tegengeworpen.2 Behelst het besluit een vertegenwoordigingshandeling en is het besluit genomen door het onbevoegde orgaan dan kan de nietigheid ex art. 2:14 BW, behoudens art. 2:16 lid 2 BW, de bestuurder worden voorgehouden. Wordt bij besluit door het bevoegde orgaan een volmacht gegeven aan een persoon die zelf niet vertegenwoordigingsbevoegd is, zoals in variant drie het geval is, dan kan art. 2:16 lid 2 BW zowel voor de gevolmachtigde als voor de wederpartij van belang zijn.3 Immers, het besluit om de niet-vertegenwoordigingsbevoegde persoon een volmacht te verlenen, kan worden aangemerkt als een direct extern werkend besluit. Blijkt dat besluit achteraf nietig of wordt het vernietigd, dan wordt de persoon, indien hij te goeder trouw is, beschermd door art. 2:16 lid 2 BW. De gevolmachtigde kan de vennootschap in dat geval binden aan een bezoldiging jegens de wederpartij, binnen de grenzen van de verleende volmacht.4 Deze tweede vertegenwoordigingshandeling – het door de (pseudo)gevolmachtigde aangaan van de bezoldigingsafspraken in de overeenkomst – wordt weer beheerst door de (gewone) regels omtrent volmacht. Blijkt het direct extern werkend besluit tot het verlenen van volmacht nietig en is de bescherming van art. 2:16 lid 2 BW niet van toepassing, dan zal aan de hand van de regels van volmacht bepaald moeten worden of de pseudogevolmachtigde de vennootschap heeft gebonden aan de bezoldigingsafspraken jegens de bestuurder.5