Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.5.2
5.2.4.5.2 Eerste fase
1
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971955:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een bewerking van mijn annotatie onder JOR 2022/173.
Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I)
Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.7.
Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.6.
Zie Hof Amsterdam (OK) 15 oktober 2021, ARO 2021/180 (Veldman Beheer), r.o. 4.13.
Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.12. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 4 december 2018, ARO 2019/41 (Korsten Holding), r.o. 3.9, waar wordt verwezen naar een bijzondere zorgplicht, die noopt tot informatieverstrekking buiten vergadering “binnen redelijke grenzen”.
Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.12.
Zie HR 14 april 2023, RvdW 2023/450 (Steenfabriek).
Zie de conclusie van A-G Assink bij HR 14 april 2023, RvdW 2023/450 (Steenfabriek), par. 4.18 t/m 4.28.
Het ontstane geschil binnen de familievennootschap heeft uiteindelijk ertoe geleid dat de broers bij enquêteverzoek van 9 september 2021 een concernenquête aanhangig maakten tegen BBBZ en Steenfabriek waarin bovengenoemde verwijten zijn geuit. In haar beschikking van 3 februari 2022 volgde de Ondernemingskamer de broers en concludeerde zij dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij BBBZ en Steenfabriek.2 De Ondernemingskamer beval een onderzoek en benoemde bij wijze van onmiddellijke voorziening een tijdelijk commissaris, mr. Bijkerk, die Snelders verving als voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek en BBBZ en daarmee ook qualitate qua bestuurder werd van de STAK.
Ter zake van het informatierecht van de broers en de STAK overwoog de Ondernemingskamer als volgt:
“Onder bovenvermelde omstandigheden brengt de zorgvuldigheidsverplichting van BBBZ c.s., in het bijzonder van Atse Blei en Snelders, jegens de certificaathouders allereerst mee dat laatstgenoemden ruimhartig van informatie worden voorzien over de gang van zaken bij Steenfabriek c.s. (…). De inhoud van die informatieverplichting betreft niet alleen zaken met betrekking tot Steenfabriek c.s. die de certificaathouders rechtstreeks aangaan (zoals het dividendbeleid en de grondslagen daarvoor) maar strekt zich ook uit tot belangrijke zaken die de (financiële positie van) Steenfabriek c.s. betreffen (zoals het beleggingsbeleid en de impact van investeringen of van de gestegen gasprijzen). Gelet op de vennootschappelijke structuur die hierboven is geschetst dient dat in ieder geval te gebeuren binnen STAK, door het juist, tijdig en volledig informeren van [de onafhankelijk bestuurder van de STAK] door de andere bestuursleden, maar is het daartoe niet beperkt.”3
De omstandigheden die de Ondernemingskamer in haar overweging heeft meegenomen, houden verband met de governance van de groep en zien onder meer op het karakter van Steenfabriek als familiebedrijf en de concentratie van zeggenschap bij Atse Blei en Snelders, onder meer als gevolg van enkele dubbelrollen binnen de groep.4
Uit deze overweging volgt dat het informatierecht buiten vergadering toekomt aan zowel de vergadergerechtigde certificaathouders als de STAK, als aandeelhouder. Hoewel certificaathouders in beginsel geen zeggenschapsrechten hebben in de vennootschap, kunnen zij wel belang hebben bij informatie van de vennootschap. Waar het ziet op informatieverstrekking in verband met de algemene vergadering, is dit belang erin gelegen dat zij in staat dienen te zijn om een standpunt te bepalen ten aanzien van agendapunten en op geïnformeerde wijze deel te nemen aan de beraadslaging ter zake. Ook stelt dit hen in staat met de STAK in overleg te treden over de wijze van uitoefening van het stemrecht. Buiten vergadering kunnen certificaathouders – net zozeer als aandeelhouders – er belang bij hebben om in staat te worden gesteld hun positie te bepalen en hun (vermogensrechtelijke) belangen te kunnen beschermen indien deze (dreigen te) worden geschaad. Overigens kwam de Ondernemingskamer reeds eerder tot een vergelijkbaar informatierecht voor certificaathouders in Veldman Beheer,5 maar in die beschikking leek zij niet uitdrukkelijk te zijn ingegaan op de positie van de STAK.
Interessant is ook dat de Ondernemingskamer het informatierecht niet koppelde aan een concrete situatie of gebeurtenis, en daardoor lijkt uit te gaan van een doorlopend informatierecht. Dit kan wellicht worden verklaard vanuit de overeenkomsten tussen Steenfabriek en Brouwer Bloembollen. Beide beschikkingen zagen op familiebedrijven, waarbij de kapitaalverschaffers zonder vertegenwoordiging in het bestuur nauw waren betrokken en voorheen ook deel uitmaakten van de vennootschapsleiding. Ook de familieverhouding tussen betrokkenen zal hier een rol hebben gespeeld. Dit is een wezenlijk andere situatie dan in Allure, waar de 50%-aandeelhouder die niet in het bestuur was vertegenwoordigd ook geen wezenlijke band had met, of betrokkenheid had bij, de vennootschap anders dan in hoedanigheid van financier.
De Ondernemingskamer wijdde ook enkele belangwekkende overwegingen aan de reikwijdte en inhoud van dit informatierecht. Het informatierecht “vindt zijn begrenzing daar waar geen redelijk belang bestaat voor de certificaathouders om de informatie te verkrijgen, of waar een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet”.6 Deze ‘dubbele begrenzing’ sluit aan bij de belangenafweging die ik in hoofdstuk 2 omschreef. De strekking van het informatierecht hangt af van alle omstandigheden van het geval:
“In dat verband overweegt de Ondernemingskamer dat de vraag tot welk detailniveau, en met welke mate van onderbouwing, informatie moet worden verstrekt zich niet in zijn algemeenheid laat beantwoorden; dat hangt steeds af van het onderwerp waarover inlichtingen worden gevraagd. Wel brengen de onder 3.6 vermelde omstandigheden mee dat de informatieverstrekking aan de certificaathouders in zijn algemeenheid gedetailleerder en controleerbaarder dient plaats te vinden dan BBBZ c.s. hebben gedaan. Juist daar waar de persoonlijke verhoudingen door achterdocht worden geregeerd is een ruimhartige, feitelijke en verifieerbare informatieverschaffing cruciaal.”7
Hierin toont zich ook de pragmatische benadering van de Ondernemingskamer. Feitelijke en verifieerbare informatieverstrekking kan in bepaalde gevallen het onderlinge wantrouwen wegnemen en zo in potentie bijdragen aan de normalisering van onderlinge verhoudingen.
BBBZ en de vennootschap zijn tegen (onder meer) deze beschikking van de Ondernemingskamer in cassatie gegaan, en hebben hun cassatiemiddelen mede gericht tegen bovenstaande overwegingen over het informatierecht buiten vergadering. Dat cassatieberoep is verworpen op grond van artikel 81 RO.8 A-G Assink concludeerde onder meer dat de klachten die zagen op het informatierecht buiten vergadering niet slaagden.9 Daarmee lijkt de door de Ondernemingskamer gekozen lijn impliciet te zijn bevestigd.