Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.5:4.4.5 Taakstraffen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.5
4.4.5 Taakstraffen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200764:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Taakstraffen roepen wisselende reacties op bij de ondervraagde politiemensen. Vooral aan de hand van fictieve voorbeelden maken zij hun standpunt duidelijk. Hoewel de door hen genoemde voorbeelden vaak weinig concreet zijn, spreekt er onvrede uit over zowel de gepastheid van de taakstraf, als de hoogte daarvan. De meeste politiemensen onderschrijven in het algemeen het nut van taakstraffen. De bezwaren ertegen zijn onder meer dat het op de ervaren crimineel weinig indruk zou maken, waardoor een taakstraf onder omstandigheden als een lichte straf en een aanvaardbaar risico van crimineel gedrag zou worden beschouwd, en soms slechts bijdraagt aan de ‘criminele status’ van de delinquent.
‘Taakstraffen worden vaak door de verdachten zelf gezien als een lachertje. Doorgewinterde gasten die 120 uur dienstverlening moeten doen, dat maakt geen indruk. Die calculeren dat in, het geeft misschien status. Als je een baan en een gezin hebt, dan is 120 uur dienstverlening vervelend. Je moet je baas bellen. Als je de hele dag in de coffeeshop hangt, is dat wat anders.’
‘Ik vind [taakstraffen] wel goed. Vaak hebben ze nauwelijks een inkomen en de boete kunnen ze dan niet betalen, in termijnen vaak ook niet. Met de verhogingen er bovenop loopt dat dan ook weer vast. Een oplossing is dan een taakstraf, zonder weer in de problemen te komen omdat ze geen geld hebben. [Maar] niet één zaterdagje papierprikken terwijl je een mishandeling hebt gepleegd. Dat mag van mij wel een tijdje langer voortduren. Het principe is oké, maar wel serieus straffen.’
Meerdere politiemensen bepleiten dat er scherper moet worden gelet op de gepastheid van de taakstraf. Dat is in hun ogen afhankelijk van onder meer het delict, de persoon van de dader en de vraag of er sprake is van recidive.
‘[Taakstraffen] zijn voor bepaalde delicten wel goed, maar die moet je niet overal bij invoeren. In het geval dat iemand is doodgereden. Dood door schuld, zo iemand verdient straf maar je maakt niet iemand bewust dood. In zo’n geval is een taakstraf een geschiktere straf dan gevangenisstraf. Als de dader gedronken heeft, verdient hij dat wel. Voor drugshandel per definitie geen taakstraf. Voor een vernieling wel. Voor jeugd is een taakstraf ook wel op zijn plaats, maar ook dan is het afhankelijk van het delict vind ik. Ik denk dat je daar meer mee bereikt bij normale jongeren die voor het eerst in aanraking komen met justitie. Het heeft in ieder geval niet het [negatieve] effect van een gevangenisstraf, dat is nogal wat voor iemand van zeventien.’