RvdW 2023/770:Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk doen van onjuiste aangiften ingevolge Wet BPM door B.V. (vennootschap waarvan verdachte eigenaar is) die zich bezighoudt met invoer van personenauto’s, meermalen gepleegd (art. 69 lid 2 AWR). 1. Grondslagverlating, nu tll. inhoudt dat B.V. waaraan verdachte feitelijk leiding gaf, ‘aangiften’ BPM onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl bewezenverklaring inhoudt dat B.V. de ‘bij aangiften behorende meldingen’ BPM onjuist of onvolledig heeft gedaan? 2. Bewijsklacht m.b.t. vier in bewezenverklaring bedoelde auto’s. Kan uit schriftelijke bescheiden met autogegevens van importeur en catalogusgegevens, waarnaar hof in de op Promiswerkwijze samengevatte bewijsmiddelen heeft verwezen, worden afgeleid dat op de bij aangiften behorende meldingen een ‘te laag bedrag aan accessoires’ is ingevuld? 3. Bewijsklacht m.b.t. een aantal specifiek in bewezenverklaring genoemde auto’s. Kan uit bewijsvoering volgen dat zowel sprake is geweest van onjuiste meldingen als van onjuiste aangiften? 4. Bewijsklacht m.b.t. aangiften voor BPM die zijn gedaan m.b.t. zes in bewezenverklaring genoemde auto’s. 5. Bewijsklacht m.b.t. aangiften voor BPM die zijn gedaan m.b.t. twee in bewezenverklaring genoemde auto’s. Ad 1. Hof heeft tll. aldus verstaan dat daarin aan verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door zijn vennootschap opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften BPM, door in de aan die aangiften ten grondslag gelegde meldingen, op basis waarvan zijn vennootschap de door haar te betalen bedragen aan BPM vaststelde, onjuiste of onvolledige gegevens in te vullen dan wel te doen invullen. Die uitleg is met bewoordingen van tll. niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Uitgaande van die uitleg en gelet op toepasselijke regelgeving, heeft hof de grondslag van tll. niet verlaten door bewezen te verklaren dat B.V. de aangiften voor BPM opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan door onvolledige of onjuiste gegevens op te nemen ‘op de bij aangiften behorende meldingen’. Ad 2. Hof heeft onjuistheid dan wel onvolledigheid wel uit die bescheiden kunnen afleiden in samenhang met wat de bewijsvoering overigens inhoudt, waaronder bekennende verklaringen van verdachte en met die verklaringen overeenstemmende verklaringen van medewerker bij BPM-kantoor van belastingdienst. Ad 3. Klacht faalt gelet op wat hof heeft vastgesteld over werkwijze van verdachte om meldingen ongewijzigd als basis/grondslag te gebruiken voor aangiften. Daarbij merkt HR op dat hof m.b.t. de ene auto niet onbegrijpelijk uit Promiswerkwijze samengevatte b.m. heeft kunnen afleiden dat aangifte is ingediend en dat m.b.t. die auto en andere auto in bewezenverklaring naar b.m. is verwezen waaruit hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft kunnen afleiden dat melding is gedaan. Ad 4. Gelet op de door hof in bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, geeft ’s hofs oordeel dat door B.V. opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften zijn gedaan, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Dat desbetreffende meldingen aanvankelijk waren goedgekeurd door een of meer ambtenaren van belastingdienst doet daar niet aan af. Ad 5. Niet nodig om deze klacht te bespreken, omdat klacht, ook als die gegrond zou zijn, niet tot cassatie kan leiden. Als bedoelde onderdelen uit bewezenverklaring zouden vervallen, worden immers aard en ernst van wat verder is bewezenverklaard niet aangetast, terwijl ook kwalificatie van bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. Volgt verwerping. CAG: anders.