Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.3.1
4.3.1 De aard en functies van het recht op inlichtingen
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971936:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.2.1.1 hiervoor.
Zie Kamerstukken II 1969/70, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 18.
HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI I), r.o. 4.6.
Zie Van den Hoek 1998, p. 8; en Glasz, Beckman & Bos 1994, p. 8 e.v. Vgl. Beckman (oratie) 2007, p. 5 en 7.
Zie par. 4.3.2.1 hierna.
Ook deze functie wordt al langer erkend, zie Handboek 1962, p. 362-363 (tevens aangehaald in par. 4.2.1.1 hiervoor).
Zie par. 3.3 hiervoor.
HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI I), r.o. 4.6.
Ook vóór codificatie werd dit aangenomen, zie par. 4.2.1.1 hiervoor.
Zie Kamerstukken II 2008/2009, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 16.
Zie Breukink 2020, p. 154; en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6 onder b.
Zie Breukink 2020, p. 154.
Zie Kamerstukken II 2008/2009, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 15.
Daarmee week de wetgever af van het standpunt in de literatuur van na codificatie, waarin leek te zijn aangenomen dat de algemene vergadering wel bij besluit – of beter: beslissing – kon ingrijpen in de uitoefening van het recht op inlichtingen door haar individuele leden. Zie hierover Plompen 1975, p. 280, met verwijzingen aldaar. Zie ook Van der Grinten, die vóór codificatie eenzelfde standpunt innam (Handboek 1968, p. 327-328), maar daar na codificatie op terugkwam (Handboek (suppl.) 1971, p. 92: “Het is moeilijk aanvaardbaar, dat de meerderheid van de algemene vergadering zou kunnen beslissen, dat bestuur en raad van commissarissen geen inlichtingen behoeven te geven over aangelegenheden die redelijkerwijs ter kennis van aandeelhouders kunnen worden gebracht.”).
Het recht op inlichtingen wordt van oudsher in verband gebracht met de verplichting van de vennootschapsleiding om verantwoording af te leggen aan de algemene vergadering.1 De wetgever heeft de wettelijke verankering van het recht op inlichtingen ook gekoppeld aan deze verantwoordingsfunctie.2 In ASMI sprak de Hoge Raad in dit verband over “een recht van de AvA als orgaan van de vennootschap, verleend met het oog op vennootschappelijke rekening en verantwoording”.3 De vennootschapsleiding legt ter vergadering verantwoording af door informatie te verstrekken over, en te antwoorden op vragen over, het gevoerde beleid,4 althans – tot op zekere hoogte – het te voeren beleid.5
Het recht op inlichtingen speelt ook een rol bij het waarborgen van de zeggenschapsfunctie van het informatierecht. Het recht op inlichtingen kan immers bijdragen aan weloverwogen en geïnformeerde uitoefening van de bevoegdheden van de algemene vergadering.6 Dit vereist dat de algemene vergadering voldoende toegang heeft tot financiële en operationele informatie van de vennootschap.7 Door ter vergadering vragen te stellen, kunnen aandeelhouders eventuele onduidelijkheden verhelderd krijgen, hun begrip van een agendapunt toetsen en nadere inlichtingen krijgen. De verstrekte inlichtingen stellen aandeelhouders in staat om hun standpunt ten aanzien van een agendapunt nader te bepalen (en zo nodig bij te stellen), daarover ter vergadering van gedachten te wisselen met de aanwezigen en – waar toepasselijk – deze informatie te betrekken bij de stemming.
Uit het voorgaande volgt dat, net als de informatieverstrekking in de voorfase van de besluitvorming, ook het recht op inlichtingen bijdraagt aan het functioneren van de algemene vergadering. Dit kan verklaren waarom het recht op inlichtingen is toegekend aan de algemene vergadering als orgaan. De Hoge Raad heeft dit recht geduid als “een recht van de AvA als orgaan”8 en het woord ‘haar’ in artikel 2:107/217 lid 2 BW (alsmede diens voorganger, artikel 43 lid 2 WvK) verwijst naar de algemene vergadering als orgaan bedoeld in het eerste lid van de betreffende bepalingen.9
Niettemin lijkt de wetgever aan te nemen dat het recht op inlichtingen slechts ter vergadering kan worden uitgeoefend.10 Dit sluit aan bij de praktijk, waarin dit recht wordt uitgeoefend door individuele aandeelhouders die ter vergadering vragen stellen. Vragen die voorafgaand aan de algemene vergadering worden ingediend, zullen in beginsel ter vergadering worden beantwoord. Overigens wordt artikel 2:107/217 lid 2 BW ook wel zo uitgelegd, dat zij ziet op informatieverzoeken vanuit – en niet van of door – de algemene vergadering.11 Ook andere vergadergerechtigden dan de aandeelhouders kunnen ter vergadering vragen stellen aan de vennootschapsleiding.12
Daar komt bij dat de algemene vergadering als orgaan geen invloed lijkt te kunnen uitoefenen op de wijze waarop ‘haar’ recht op inlichtingen wordt uitgeoefend. De wetgever heeft bevestigd dat de algemene vergadering een individuele aandeelhouder het recht op inlichtingen niet kan ontzeggen noch dit recht kan beperken, bijvoorbeeld door middel van een motie met de strekking dat een vraag niet beantwoord hoeft te worden.13,14 Dit komt mij wenselijk voor, mede vanuit de gedachte van minderheidsbescherming. Hiermee wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat iedere aandeelhouder over de benodigde inlichtingen beschikt om geïnformeerd deel te nemen aan de vergadering.
Het recht op inlichtingen heeft kortom zowel een verantwoordingsfunctie als een zeggenschapsfunctie. In de vervulling van deze beide functies lopen de belangen van de aandeelhouders en de vennootschap in principe parallel. De wettelijke regeling sluit daarop aan. Met de invoering van het wettelijke recht op inlichtingen is de eerste stap van de toepasselijke belangenafweging voor informatieverstrekking reeds door de wetgever uitgewerkt. De resterende begrenzing van het recht op inlichtingen is gelegen in het belang van de vennootschap, zoals ook volgt uit het wettelijke zwaarwichtig belang-criterium. Deze hoge drempel is gerechtvaardigd in het licht van de hiervoor genoemde parallelle belangen.