NJ 2023/361
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Oordeel OK dat enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan (art. 2:350 lid 2 BW); misbruik van procesrecht; maatstaf.
HR 04-11-2022, ECLI:NL:HR:2022:1580, m.nt. G. van Solinge
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
4 november 2022
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, K. Teuben
- Zaaknummer
21/03086
- Conclusie
A-G mr. B.F. Assink
- Noot
G. van Solinge
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS935813:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2022:1580, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 04‑11‑2022
ECLI:NL:PHR:2022:347, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑04‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑07‑2021
- Wetingang
Art. 2:350 BW
Essentie
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Oordeel OK dat enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan (art. 2:350 lid 2 BW); misbruik van procesrecht; maatstaf.
Samenvatting
Art. 2:350 lid 2 BW bepaalt dat de rechtspersoon tegen de verzoeker een eis kan instellen bij de ondernemingskamer tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek tot enquête lijdt, indien de ondernemingskamer dat verzoek afwijst en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met art. 2:350 lid 2 BW is beoogd misbruik van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.