Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.5.3
5.2.4.5.3 Tweede fase
1
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971877:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een bewerking van mijn annotatie onder JOR 2024/89.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II).
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.4 t/m 4.24.
Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.5.
Zie ook het citaat van Bijkerk uit par. 7.1.4 van het onderzoeksverslag, kenbaar uit Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.19: “Er is heel veel moeite gestoken in het voorzien van informatie aan de kant van de broers, misschien soms wel te veel, en de moeite en de tijd die binnen de onderneming gestoken wordt in het verstrekken van die gevraagde informatie en het beantwoorden van de gestelde vragen is niet proportioneel. Niet proportioneel in verband met de positie als aandeelhouder van de aandeelhouder, zelfs niet ten opzichte van houders van bijna 80% van het kapitaal van een familiebedrijf. Ik snap heus dat zij een groot belang hebben bij het reilen en zeilen van de fabriek, maar het reilen en zeilen van de fabriek lijkt soms ondergeschikt te zijn aan het moeten verstrekken van zeer gedetailleerde (financiële) informatie. Dat is niet in het belang van de onderneming.”
Zie het citaat uit par. 7.1.4 van het onderzoeksverslag, kenbaar uit Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.19.
Zie het citaat uit par. 7.1.5 van het onderzoeksverslag, kenbaar uit Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.19.
Zie het citaat uit par. 3.4.1 van het onderzoeksverslag, kenbaar uit Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.18.
Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.6, derde gedachtestreepje, waaruit blijkt dat de bestuurder A van de STAK (zijnde Van Haaren) in wezen als doorgeefluik zou dienen bij de informatieverstrekking aan de broers: “De bijzondere rol van de bestuurder A heeft in de praktijk onder meer gestalte gekregen door de afspraak dat de bestuurder A namens de certificaathouders om informatie zou vragen met betrekking tot Steenfabriek c.s. en deze informatie aan de certificaathouders zou doorgeven, (…).”
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.46.
Zie uitgebreid par. 7.3 hierna.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.9, waarin onder meer is overwogen dat “ten aanzien van de frequentie waarmee vragen worden gesteld en de gedetailleerdheid van die vragen uiteraard de redelijkheid en billijkheid in acht moeten worden genomen”.
Vgl. het citaat van Bijkerk uit par. 3.4.1 van het onderzoeksverslag, kenbaar uit Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.18, waarin Bijkerk aangeeft dat zij het vermoeden had dat de Ondernemingskamer “niet een dergelijk detailniveau voor ogen had en meer oog op hoofdlijnen had”.
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.6.
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.6: “Anderzijds hebben Pieter c.s. de door vader in het leven geroepen beperkte zeggenschaps- en informatierechten te respecteren en hebben zij geen beslissings- of instemmingsbevoegdheden met betrekking tot APM en kunnen zij ook geen aanspraak maken op verstrekking van daarbij behorende of daarvoor benodigde informatie, bijvoorbeeld ter zake van de plannen omtrent de ontvlechting en het verloop van de onderhandelingen over de Spoorzone.”
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 juli 2023, ARO 2023/107 (Landgoed den Alderinck II), r.o. 3.12.
Geheel nieuw is die gedachte overigens niet. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Baars Holding), r.o. 3.5: “Gelet op de hiervoor omschreven rechtspositie van de certificaathouders is de wijze waarop zij door Baars Beheer en Baars Holding niettemin bij de onderneming zijn betrokken naar het oordeel van de Ondernemingskamer eerder ruimhartig te noemen.”
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.42.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.47.
Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.6, derde gedachtestreepje.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.13 en 4.46.
De broers zagen in het onderzoeksverslag aanleiding om de Ondernemingskamer op 27 februari 2023 te verzoeken (i) wanbeleid vast te stellen bij BBBZ en Steenfabriek; alsmede (ii) een aantal eindvoorzieningen te treffen. Aan dit verzoek lagen in wezen dezelfde verwijten ten grondslag als die zij in de eerste fase van de enquêteprocedure reeds hadden geuit. De Ondernemingskamer heeft dit verzoek bij beschikking van 25 oktober 2023 integraal afgewezen omdat de gemaakte verwijten geen wanbeleidsoordeel rechtvaardigden.2
Ter zake van de informatieverstrekking aan de broers overwoog de Ondernemingskamer, kort samengevat, als volgt.3 In navolging van de eerstefasebeschikking, oordeelde de Ondernemingskamer dat de informatieverstrekking aan de broers ondermaats was in de periode vanaf de benoeming van Van Haaren tot aan de benoeming van Bijkerk als onafhankelijk commissaris. De reden daarvoor was echter gelegen in de verstoorde verhoudingen, waarvoor alle betrokkenen verantwoordelijkheid droegen. De broers waren echter niet erin geslaagd aan te tonen dat ook in de periode vóór de benoeming van Van Haaren reeds onvoldoende informatie was verstrekt. Vanaf de benoeming van Bijkerk was de informatieverstrekking voorts verbeterd. In navolging van Bijkerk en de onderzoeker, kwam de Ondernemingskamer tot de conclusie dat de broers in deze periode voldoende zijn geïnformeerd.
Belangwekkend is met name de volgende nuancering die de Ondernemingskamer maakte op haar eerdere overwegingen inzake het informatierecht van de certificaathouders:
“Bij de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder een plicht tot ruimhartige informatieverstrekking komt niet alleen betekenis toe aan het gegeven dat het hier gaat om een besloten familievennootschap. Ook de hoedanigheid van Blei c.s. als informatiegerechtigden is van belang: zij zijn certificaathouders en geen aandeelhouders. Voorts moet de vraag of een redelijk belang bestaat bij de informatie, worden beantwoord tegen de achtergrond dat het hier gaat om certificaathouders.”4
In deze overweging ligt de kern van deze beschikking. Bezien in de bredere context van de zaak, is duidelijk dat de Ondernemingskamer heeft willen waken voor een uitdijing van het informatierecht, onder meer door een te brede uitleg van het begrip ‘ruimhartig’ en het aannemen van een te lage drempel voor het vereiste redelijke belang.
De casus bleek daar ook aanleiding toe te geven. Binnen de vennootschap werd disproportioneel veel tijd en energie gestoken in het verstrekken van de door de broers of Van Haaren verlangde informatie.5 De informatieverzoeken zijn door Bijkerk aangeduid als “niet proportioneel” en “niet in het belang van de onderneming”, waarbij zij opmerkte: “het reilen en zeilen van de fabriek lijkt soms ondergeschikt te zijn aan het moeten verstrekken van zeer gedetailleerde (financiële) informatie”.6 Zij vervolgde: “De gedetailleerdheid van de vragen en het soort vragen die gesteld worden, die geven mij de indruk dat [Van Haaren] onvoldoende het verschil tussen die rollen voor ogen heeft: bestuurder van de STAK, commissaris of zelfs financieel bestuurder.”7 Van Haaren meende op zijn beurt dat de STAK proactief zou moeten worden geïnformeerd “over alles ten aanzien van de Steenfabriek waarvan het STAK-bestuur geen weet heeft en van belang kan zijn voor de Steenfabriek”, hetgeen onder meer zou meebrengen dat de vennootschap “alles wat speelt binnen de fabriek [zou] moeten melden, en op alle vragen uitgebreid antwoord [zou moeten] geven”.8 In het verlengde hiervan zouden de certificaathouders dezelfde toegang tot informatie krijgen.9 Daarbij kwam dat uit het onderzoek was gebleken dat de broers zich mede ten doel hadden gesteld om per saldo – als grootste kapitaalverschaffers – de facto weer de zeggenschap te krijgen over de onderneming en dat Van Haaren ook dat doel voor ogen had.10 De informatieverzoeken zullen mede tegen die achtergrond moeten worden bezien.
Voor de vraag of een kapitaalverschaffer recht heeft op informatie, is relevant het antwoord op de vraag of hij een redelijk belang heeft bij die informatie. Terecht hangt die vraag af van de hoedanigheid van de kapitaalverschaffer; van belang is immers of de aandeelhouder in die hoedanigheid, indachtig de rechten die daaraan zijn verbonden en zijn rol en positie binnen de vennootschap, voldoende belang heeft bij de informatie om een uitzondering op het geheimhoudingsrecht van de vennootschap te rechtvaardigen.11 De invulling van het begrip ‘ruimhartig’ hangt daarmee samen. Ik meen dat van de term ‘ruimhartig’ een signaalfunctie uitgaat: voor zover de vennootschap gehouden is informatie te verstrekken, kan zij zich niet te lichtvaardig van die taak kwijten. De vennootschap is gehouden alle informatie te verstrekken die – redelijkerwijs12 – nodig is om de informatiegerechtigde in staat te stellen tot een informed judgment te komen over het betreffende onderwerp. Bij die overweging kan bijvoorbeeld relevant zijn of de informatiegerechtigde een weloverwogen beslissing over dat onderwerp dient te nemen of ‘slechts’ op de hoogte dient te worden gesteld van een gegeven ontwikkeling. Waartoe ruimhartige informatieverstrekking noopt, houdt aldus ook verband met de hoedanigheid van de informatiegerechtigde. ‘Ruimhartig’ betekent in ieder geval niet hetzelfde als ‘uitputtend’ of ‘onbegrensd’.13
Helaas heeft de Ondernemingskamer verder niet geconcretiseerd op welke wijze de hoedanigheid van de broers (als certificaathouders) of van de STAK (als aandeelhouder) relevant is voor hun respectieve informatierechten. Twee eerdere uitspraken zijn in dat verband belangwekkend. In haar beschikking inzake APM overwoog de Ondernemingskamer dat de certificaathouders zonder vergaderrechten “met inachtneming van de door vader bewust gekozen beperkingen van zeggenschaps- en informatierechten” in beginsel ruimhartig dienden te worden geïnformeerd.14 Dit bracht onder meer mee dat zij, bij gebrek aan beslissings- of instemmingsrechten ten aanzien van de vennootschap, geen aanspraak konden maken op daarbij behorende of daarvoor benodigde informatie.15 Deze overweging doet denken aan de beschikking inzake Landgoed den Alderinck II, waarin de Ondernemingskamer overwoog dat relevante vragen van de certificaathouders “binnen redelijke, bij hun positie als certificaathouders passende, grenzen ruimhartig zullen worden beantwoord”.16
Hoe verhoudt het voorgaande zich tot Steenfabriek? Net als Steenfabriek, betroffen ook APM en Landgoed den Alderinck II geschillen binnen familievennootschappen waarin certificaathouders uitvoerige en gedetailleerde informatie verlangden. Deze beschikkingen impliceren dat certificaathouders in het algemeen een minder verstrekkend informatierecht zullen hebben dan aandeelhouders, als gevolg van de meer beperkte rechten die zijn verbonden aan de certificaten.17 De rechtvaardiging daarvoor lijkt te worden gezocht in de beperktere rechten die zijn verbonden aan de certificaten.
In Steenfabriek hadden de broers bij de certificering van hun aandelen in 2008 weloverwogen afstand gedaan van de zeggenschapsrechten die zij voorheen als aandeelhouders genoten.18 Aanleiding daarvoor was een jarenlange voorgeschiedenis van geschillen binnen de familie Blei.19 Er was derhalve bewust gekozen de zeggenschap te scheiden van het economisch belang. Dit impliceert dat de broers met name belang zouden hebben bij informatie die raakt aan de economische rechten verbonden aan hun certificaten, en niet zozeer bij operationele informatie. Daar staat echter tegenover dat ook lijkt te zijn beoogd dat de broers zouden worden betrokken bij bepaalde besluitvorming binnen de algemene vergadering. Aan hun certificaten was een vergaderrecht verbonden en binnen de organisatie van de groep was de afspraak gemaakt dat de broers hun opvattingen met de bestuurder A van de STAK zouden bespreken opdat die zouden worden meegewogen in de besluitvorming.20 Om die rol op geïnformeerde wijze te vervullen, hadden zij in wezen alsnog dezelfde informatie nodig als die zij in hoedanigheid van aandeelhouder zouden hebben ontvangen.
De vuistregel dat certificaathouders in beginsel minder ruime toegang tot informatie dienen te krijgen dan aandeelhouders, komt mij billijk voor. De rol en positie van de certificaathouders kunnen in voorkomende gevallen alsnog een ruimer informatierecht rechtvaardigen. Dat lijkt ook het geval te zijn geweest in Steenfabriek, waarin voor de broers een rol was weggelegd in het besluitvormingsproces. Het voorgaande laat onverlet dat de broers hun positie als certificaathouders hadden te respecteren. Het lijkt echter met name hun eigen handelen te zijn geweest dat voor problemen heeft gezorgd. Niet alleen volgt uit de uitspraak dat hun informatieverzoeken een onevenredig beslag legden op de vennootschapsleiding, tijdens het onderzoek is ook aan het licht gekomen dat de broers erop uit waren om per saldo de zeggenschap over de onderneming te krijgen.21 Dit paste niet bij de door partijen beoogde rol en positie van de broers en zou bovendien de bestuursautonomie doorkruisen.
Hoewel de Ondernemingskamer niet op haar eerstefasebeschikking is teruggekomen, werpen deze omstandigheden mijns inziens een nieuw licht op de zaak. De onderneming diende te worden beschermd tegen een te ruim informatierecht van de broers. Achteraf bezien, had dit ook reeds in de eerste fase van de procedure een terughoudender oordeel van de Ondernemingskamer kunnen rechtvaardigen. In de tweedefasebeschikking meen ik tussen de regels te lezen dat de Ondernemingskamer die opvatting deelt. Steenfabriek illustreert het risico van een te ruim informatierecht.