Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.3.1.3:6.3.1.3 Volledigheid
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.3.1.3
6.3.1.3 Volledigheid
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Merckelbach e.a. 2003, p. 215.
Candel, Merckelbach & Wessel 2010, p. 484.
Candel, Merckelbach & Wessel 2010, p. 484.
Evans & Fisher 2011, p. 506-507.
Dit mechanisme wordt aangeduid met de term discrepancy detection (Candel, Merckelbach & Wessel 2010, p. 484).
Merckelbach e.a. 2003, p. 484-485.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De laatste dimensie is de volledigheid. Volledigheid heeft betrekking op de mate waarin in de verklaring alle centrale en perifere details zijn vervat.1 Dit wordt ook wel aangeduid als de gedetailleerdheid. Indien details ontbreken die wel zijn waargenomen en opgeslagen, is sprake van een omissiefout. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een verklaring moet onderscheid worden gemaakt tussen perifere en centrale details. Het ontbreken van centrale details doet meer afbreuk aan de geloofwaardigheid van een verklaring dan wanneer perifere details ontbreken. Het probleem is echter dat wat voor een getuige perifeer is, voor het strafproces heel essentieel kan zijn. Juist bij traumatische gebeurtenissen kan het voorkomen dat de getuige alleen de bedreigende details waarneemt en onthoudt.2 In dit verband wordt gewezen op het weapon focus-effect dat in het vorige hoofdstuk is besproken. Het feit dat een getuige op onderdelen aantoonbaar accuraat heeft verklaard is geen garantie voor volledigheid.3
Het ontbreken van details kan het gevolg zijn van een beperkte waarneming, maar ook van geheugenprocessen. Naarmate een gebeurtenis verder in het verleden ligt, gaan meer details in de herinnering verloren. Echter, zoals uit het vorige hoofdstuk duidelijk werd, hoeft dit niet altijd te leiden tot een verslechtering van geheugenprestaties. In dit verband is onderzoek verricht door Evans en Fisher die laten zien dat details in de loop van de tijd verdwijnen, maar dat dit niet ten koste hoeft te gaan van de accuratesse. Wel neemt de precisie waarmee getuigen een gebeurtenis beschrijven af. Met andere woorden, het verstrijken van de tijd gaat ten koste van de kwantiteit, maar niet noodzakelijkerwijs van de kwaliteit. Voorwaarde is wel dat getuigen niet worden uitgenodigd om onzekere informatie naar voren te brengen en uitdrukkelijk de mogelijkheid worden geboden om aan te geven wanneer zij het antwoord op een bepaalde vraag niet (meer) weten.4
Het probleem is daarin gelegen dat personen die geen scherpe herinnering (meer) hebben aan een gebeurtenis wel vatbaarder zijn voor commissies. Wanneer getuigen scherpe herinneringen hebben zijn zij beter in staat om discrepanties te ontdekken, dan wanneer zij worden geconfronteerd met informatie uit andere bronnen.5 Mensen die twijfelen aan hun eigen geheugen zijn – zo zagen we in het vorige hoofdstuk – gevoeliger voor suggestie. Hoewel accuratesse en volledigheid dus niet met elkaar hoeven te corresponderen, geldt in zijn algemeenheid wel dat karige en onvolledige verklaringen een indicatie vormen dat er mogelijk iets schort aan de accuratesse van de verklaring.6