Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.3.0
7.3.0 Introductie
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200784:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De ‘ritualist’ bij Merton verliest het zicht op de culturele doelen van zijn omgeving uit het oog, waardoor de hieraan gerelateerde activiteiten waaraan hij deelneemt (zoals het verrichten van betaald werk) voor hem een doel op zich worden (1938: 673).
Overigens noemen sommigen zichzelf graag crimefighter, anderen vinden die term te beladen en noemen dan ‘pionieren’ of bijvoorbeeld ‘lef’ belangrijk.
Packer geeft als één van de mogelijke bezwaren tegen het ‘rehabilitive ideal’: ‘We do not know how to rehabilitate offenders, at least within the limit of the resources that are now or might reasonably be expected to be devoted to the task. The more we learn about the roots of crime, the clearer it is that they are non-specific, that the social and psychic springs lie deep within the human condition. To create on a large scale the essentials of a society that produced no crime would be to remake society itself.’ (1968: 55)
Dit sluit aan bij de ‘contextualistische denkstijl’ die De Groot-Van Leeuwen aantrof onder magistraten (1991: 182). De ‘hulpverlener’ is bereid regels minder strikt te interpreteren als daarmee het beoogde instrument ingezet kan worden.
IJzermans (2011) stelt dat in de moderne juridische literatuur alleen aandacht wordt besteed aan het overtuigingsmiddel ‘logos’ als relevant bestanddeel van een juridisch betoog. Er is volgens haar nauwelijks wetenschappelijke belangstelling voor het gebruik van ‘ethos’ en ‘pathos’. Volgens haar kan dit gebrek aan belangstelling verklaard worden door de ‘ongemakkelijke verhouding die er bestaat tussen juristen en emoties’ (p. 273).
Overeenkomstig de ‘ambtenaar’ bij Van de Bunt (1985).
Op basis van dit onderzoek over opvattingen binnen de belangrijkste strafrechtelijke instituties kunnen geen uitspraken worden gedaan over de zorgvuldigheid waarmee strafrechtelijke procedures worden gevolgd. Ook de hoeveelheid tijd die daarvoor door de onderzochte strafrechtelijke instituties wordt genomen, is niet onderzocht. Het crime control model van Packer en efficiëntie als het kenmerkende onderdeel hiervan (vgl. Van de Bunt, 1985) kan daarmee door deze studie niet worden bevestigd, noch weersproken. De met het onderzoek beschreven opvattingen zeggen alleen iets over hoe tegen het functioneren van strafrechtelijke procedures wordt aangekeken en tevens iets over (straf)doelen die belangrijk worden gevonden. Om overzicht te creëren en ordening aan te brengen in het onderzoeksmateriaal, wordt onderstaand een hierop gebaseerde typologie gepresenteerd. Een beperkt aantal kenmerken van de onderzochte opvattingen wordt hierin uitgewerkt. De belangrijkste opvattingen zijn hierin duidelijk terug te herkennen, maar vanzelfsprekend is de werkelijkheid complexer en genuanceerder dan een ideaaltypisch model daarvan. In 7.3.1 wordt globaal aangegeven hoe de onderzochte groepen over de typen zijn verdeeld.
Vrijwel overeenkomstig Packer worden de begrippen instrumentaliteit en rechtsbescherming gebruikt om de belangrijkste opvattingen over het functioneren van het strafrecht in een schema onder te brengen. De ideaaltypische crime control en due process modellen worden hier echter niet opnieuw uitgewerkt. Het gaat in de onderzochte opvattingen meestal niet, zoals in deze modellen wel het geval is, over de juridische inrichting van het strafproces. De beschreven opvattingen gaan over het feitelijke functioneren van het strafrecht, maar blijken wel sterk gerelateerd aan de spanning tussen de rechtsbeschermende en de instrumentele functie van het straf(proces)recht. Bij rechtsbescherming gaat het – evenals bij Packer – om bescherming van de individuele verdachte via het hanteren van de onschuldpresumptie, juridische en processuele waarborgen en het vergroten van de betrouwbaarheid van de ‘feiten’: het strafrecht vormt in veel van de onderzochte opvattingen een ‘schild’ voor fundamentele vrijheden. Zoals eerder aangegeven (in 7.2.1) is in de onderzochte opvattingen de ‘schuldpresumptie’ zoals die in Packers crime control model naar voren komt, niet aan te treffen. Wel kan een verschil worden aangetroffen tussen rechtsbeschermende en meer instrumentele opvattingen over strafrecht, namelijk bij opvattingen over de interpretatie van bewijs en over toepassing van voorlopige hechtenis.
Onder politiemensen, officieren van justitie en rechters komen verschillende opvattingen voor over de houding die bij bewijsbeoordeling wenselijk is. De opvatting dat het element overtuiging in het bewijsrecht aanspoort de bewijsconstructie (uiterst) kritisch te onderzoeken en te beoordelen sluit aan bij de rechtsbeschermende functie van strafrecht. Ook bijvoorbeeld de opvatting dat het zwijgrecht een absolute betekenis heeft bij de bewijsbeoordeling, sluit hierbij aan. De opvatting dat overtuiging kan worden gezien als een oordeelsruimte op basis van common sense en dat rechters vaker zonder meer van een waarschijnlijk scenario kunnen uitgaan, sluit daarentegen meer aan bij de instrumentele functie van strafrecht. Echter niet alleen bij opvattingen over hoe strafrechtelijk met bewijs moet worden omgegaan, maar ook bij opvattingen over de toepassing van voorlopige hechtenis blijkt het spanningsveld tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming een rol te spelen. Onder politiemensen, officieren van justitie en rechters komen verschillende opvattingen voor over de striktheid waarmee de juridische kaders voor voorlopige hechtenis beoordeeld dienen te worden. Daarbij strekt de instrumentaliteit van voorlopige hechtenis in de beschreven opvattingen verder dan de juridische gronden. Zo geldt voorlopige hechtenis in alle onderzochte groepen ook als voorschot op de straf en spelen morele en praktische overwegingen bij de toepassing daarvan een rol.
Een belangrijk element in de opvattingen van politiemensen, officieren en rechters over de strafrechtspleging is dat de instrumentele doelen ervan verschillend worden benadrukt. De met dit onderzoek beschreven opvattingen zijn gericht op een ‘harde aanpak’ van criminelen of op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Een deel van de strafrechtelijke functionarissen in dit onderzoek is het vertrouwen in speciale preventie kwijt(geraakt) en wil graag andere strafdoelen benadrukt zien, om instrumentele redenen maar ook of in plaats daarvan omdat strafrecht in hun ogen een expressief morele of normbevestigende functie moet vervullen. Anderen willen op basis van mogelijke negatieve neveneffecten of vanwege onzekerheid over de effecten van straffen op recidive, risico’s op averechts werkende sancties vermijden en terughoudend omgaan met straffen.
Gekozen is in onderstaande typologie van opvattingen over strafrecht geen gebruik te maken van het onderscheid tussen ‘formele rechtvaardigheid’ en ‘materiële rechtvaardigheid’ (De Groot-van Leeuwen, 1991: 181 e.v.). Bij ‘formele rechtvaardigheid’ gaat het uitsluitend om een strikte toepassing van alle relevante juridische kaders, terwijl in de beschreven opvattingen de rechtsbeschermende functie van strafrecht in een bredere dan alleen deze klassieke betekenis naar voren komt. Een voorbeeld daarvan is de opvatting dat het bewijsrecht aanspoort tot kritische reflectie op de bewijsconstructie. Hierbij sluiten de begrippen instrumentaliteit en rechtsbescherming beter aan. Overigens ook in Kagan’s theorie over verschillende manieren om regels te handhaven komt een mogelijk relevant spanningsveld naar voren. Daarin wordt een legalistische tegenover een oplossingsgerichte of zelfs vermijdende handhavingsstijl geplaatst (1989: 93). Echter, hiermee komt niet alleen het beslissen op basis van regels centraal te staan – waar deze studie is gericht op opvattingen over het functioneren van het strafrecht – opnieuw sluiten deze begrippen onvoldoende aan bij de beschreven opvattingen in dit onderzoek.
Het blijkt in het strafrecht niet vanzelfsprekend wat ‘materieel rechtvaardig’ of wat een ‘goede oplossing’ is. Daarom worden in onderstaand model onder het begrip ‘instrumentaliteit’ twee opvattingen onderscheiden. Dat het strafrecht voornamelijk op een ‘harde aanpak’ gericht zou moeten zijn is de ene opvatting. Daartegenover staat de opvatting dat in de strafrechtspleging ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ zoveel mogelijk uitgangspunt moet zijn. Politiemensen, officieren van justitie en rechters die vooral op rechtsbescherming gericht zijn in hun opvattingen over strafrecht zijn daarbij soms sterk gericht op het beschermen van vrijheden, maar ook klassieke gebondenheid aan regels en gebruiken is kenmerkend voor een deel van de onderzochte opvattingen. Op basis hiervan ontstaat een typologie van de belangrijkste opvattingen die in het onderzoek naar voren komen:
Schema: Vier belangrijkste opvattingen over strafrecht onder politiemensen, officieren van justitie en rechters
Voordat nader wordt ingegaan op de hierboven genoemde ‘typen’, wordt allereerst aangegeven hoe deze typologie moet worden beschouwd in relatie tot de klassieke typologie die Merton (1938) presenteerde om anomie te verklaren. Ook in zijn typologie op basis van verschillende reacties op de posities die individuen kunnen innemen in de sociale structuur, komt het type van de ‘ritualist’ voor. Het gaat in bovenstaande typologie echter niet om anomie, noch om de reactie op een bepaalde positie in een sociale structuur, maar om opvattingen over hoe het strafrecht functioneert. De hoofdvraag bij het beschrijven van deze opvattingen is of de dominante functie van strafrecht moet zijn het individu te beschermen tegen de staat, of om op te treden tegen criminaliteit. De ‘ritualist’ in deze typologie wordt in zijn opvattingen over toepassing van strafrechtelijke regels niet substantieel beïnvloed door morele of instrumentele overwegingen; toepassing van de regels en opleggen van bijbehorende sancties zijn in zijn denkwereld een doel op zichzelf geworden.1
Decrimefighter onderkent de waarborgfunctie van het strafrecht wel, maar beschouwt die het liefst als een te omzeilen hindernis (vgl. Packer, 1964). Hij is er echter niet op uit de verdachte zijn rechten te ontnemen, maar meent dat het strafrecht alleen kan werken als functionarissen in het strafrechtsysteem bij de interpretatie van het recht nadrukkelijk rekening houden met instrumentele overwegingen.2 Relativistische beschouwingen over bewijsbeoordeling in het strafrecht stroken in zijn ogen niet met de taak van de rechter om op basis van zijn overtuiging het bewijs te beoordelen. De maatschappij heeft er recht op tegen criminelen te worden beschermd en daarbij past dat rechters bewijs beoordelen op basis van common sense.
Het element overtuiging in het bewijsrecht verwijst voor de ‘crimefighter’ vooral naar de mogelijkheid onzekerheid toe te laten. De ‘crimefighter’ meent dat bij de bewijsbeoordeling in plaats van kritische reflectie, een probabilistische denkwijze centraal moet staan. Hij is van mening dat naast direct bewijs ook aanwijzingen in het strafdossier een belangrijke rol behoren te spelen, evenals eerdere veroordelingen, politie-informatie of het feit dat een verdachte zwijgt of liegt. Er is geen sprake van een presumptie van schuld, de ‘crimefighter’ vindt het echter wel van groot belang dat ‘lef wordt getoond’ bij de beoordeling van bewijs, in die zin dat een risico op fouten geaccepteerd behoort te worden. Anders kan het strafrecht in zijn ogen niet goed functioneren.
Opvattingen van de ‘crimefighter’ over voorlopige hechtenis en straffen zijn niet uitsluitend punitief te noemen, eerder is sprake van punitief pragmatisme. Strafrechtelijk optreden bedoeld als expressieve normbevestiging vindt de ‘crimefighter’ op zichzelf al nuttig, maar ook omdat volgens hem in de praktijk vaak geen geloofwaardige alternatieven voor punitief optreden voorhanden zijn.3 Zijn vertrouwen in mogelijkheden het gedrag van delinquenten positief te beïnvloeden is de ‘crimefighter’ kwijt. Persoonlijke omstandigheden behoeven daardoor volgens hem in de regel weinig aandacht. Voor mogelijk negatieve neveneffecten van strafrechtelijk optreden heeft hij ook slechts beperkt aandacht. Zo zegt een wijkagent:
‘Ik denk dat sommigen [jeugdige delinquenten] verloren zijn. Ik heb in het overleg gezeten over de top tien overlast gevende jongeren van [mijn werkgebied]. Daar zaten we bij elkaar met jongerenwerk, uitkeringsinstanties, coaches, opbouwwerk en we hebben zoveel uren besteed. En het resultaat? Nul.’
De ‘crimefighter’ verwacht dat het strafrecht een nuttige bijdrage levert aan criminaliteitsbestrijding. Expressieve normering door middel van strafrechtstoepassing speelt volgens de ‘crimefighter’ een cruciale rol in de maatschappij, hierbij past een harde strafrechtelijke aanpak van criminelen. Zo verwachten politiemensen in deze vorm steun te ontvangen vanuit het strafrecht bij het oplossen van problemen in de wijk. Een rechter ziet een vergelijkbare rol voor het strafrecht:
‘Door sommige minderjarigen wordt verklaard: “Je kunt me toch niks maken”. Ik denk dat het in sommige groepen klopt: strafrecht stelt nog onvoldoende grenzen. Daar is ook wel aan gesleuteld de afgelopen jaren, in die zin dat de strafmaxima zijn opgerekt door de politiek.’
Interpretatie van bewijs en bewijsrecht, en tevens van juridische kaders voor voorlopige hechtenis, dienen volgens de ‘crimefighter’ bij bovenstaande instrumentele doelen aan te sluiten. In zijn opvattingen over beoordeling van bewijs en toepassing van voorlopige hechtenis staat niet de onschuldpresumptie centraal. In zijn opvatting is a priori vertrouwen nodig in politie en OM: alleen zo kan volgens de ‘crimefighter’ voldoende worden opgetreden tegen criminaliteit en kan het gezag van politie en strafrecht worden bevestigd in de ogen van het brede publiek en van criminelen in het bijzonder.
De ‘crimefighter’ wil niet dat er standaard hoge straffen worden opgelegd, maar wenst over het algemeen een meer punitieve benadering in de strafrechtspleging, in de hoop de maatschappelijke normen daarmee duidelijk te bevestigen, potentiële criminelen af te schrikken en eigenrichting door burgers te voorkomen. Daarbij beschouwt de ‘crimefighter’ zichzelf als een vertegenwoordiger van de samenleving die uit dien hoofde niet wenst dat criminelen gemakkelijk wegkomen met hun gedrag: nadat een strafbaar feit aan het licht is gekomen moet in de eerste plaatst de maatschappelijke orde worden hersteld. In de volgende citaten komen deze verschillende elementen van de ‘crimefighter’ naar voren:
‘Ik ben wel een officier die graag wil. Ik wil er zoveel mogelijk uithalen, zolang ik dat juridisch kan uitleggen. Ik ga niet levenslang eisen als het een zaak is die niet meer dan 20 jaar verdient. Maar ik weet wel wat de klachten zijn. We hebben natuurlijk ook wel last van beslissingen van rechters. Ik zit eigenlijk wel op de lijn van de politie. De politie klaagt ook wel bij mij over andere officieren: “Jouw collega neemt onverwachte beslissingen waar wij niet achter staan, vanuit een ivoren toren.”’
‘De nuances worden [onderling] verschillend gelegd, zeker in grote zaken. Ik leg in mijn requisitoiren meer de aandacht op de ernst van het feit en de impact voor de slachtoffers en wat minder op de omstandigheden van de verdachte. De belangen die ik vertegenwoordig zijn primair de belangen van de samenleving en die van de slachtoffers. In de tweede plaats neem ik de belangen van de verdachte in overweging. Ernst van het feit, schending van de norm en vertegenwoordiging van het slachtoffer. Je bent een vertegenwoordiger van het algemeen belang. De basis van je vervolging is dat er een norm geschonden is. Dan kun je op een lijstje gaan kijken en uitgaan van wat op basis van ervaring de rechtbank gaat opleggen (...) of je gaat als OM het accent wat verder van de verdachte wegleggen [en een hogere straf eisen].’
Behalve gericht zijn op de impact van strafbare feiten en retributie, dient de strafrechtspleging volgens de ‘crimefighter’ ook sterke betrokkenheid te tonen bij eventuele slachtoffers en de door criminaliteit ervaren overlast (in bijvoorbeeld een buurt of wijk) – en minder bij de verdachte. Doelen voor de langere termijn stelt de ‘crimefighter’ niet, opkomen voor slachtoffers en luisteren naar de vox populi maken wel expliciet onderdeel uit van zijn taakopvatting. Voor zover straffen voor de ‘crimefighter’ instrumenteel zijn bij het tegengaan of beheersen van criminaliteit, gaat het hem vooral om incapacitatie. De ‘crimefighter’ vindt het daarnaast belangrijk dat het strafrecht steeds opnieuw een afschrikkende en normerende werking heeft met de strafrechtelijke reacties op strafbare feiten en zet zich op basis daarvan af tegen opgelegde straffen die in zijn ogen nog regelmatig te laag zijn.
De gematigde is in bijna alles het tegenovergestelde van de ‘crimefighter’. Wel maken beide onderdeel uit van hetzelfde strafrechtsysteem en soms ook van dezelfde organisatie. Daarom is de ‘gematigde’ ook geen ‘abolitionist’: hij werkt in het strafrecht en wijst het principe van straffen niet van de hand, maar is wel lastig te overtuigen van het nut daarvan en ziet vooral een centrale rol voor de rechtsbeschermende functie van strafrecht. Als een beslissing genomen moet worden ziet hij vaak een risico op fouten. Daardoor is het voor de ‘gematigde’ erg lastig om keuzes te maken. Daarbij staat voor hem niet het directe effect van beslissingen voorop, maar dat hij later geen spijt wil krijgen van de gemaakte keuze.
Bij de voorzichtigheid van de ‘gematigde’ past een onafhankelijke en sceptische houding. Hoe anderen over hem denken laat hem onverschillig: hij vindt dat beslissingen ‘rationeel’ moeten zijn en wil zich niet laten meeslepen door verwachtingen die anderen mogelijk van hem hebben. Hij is zich ervan bewust dat hij op anderen soms een overdreven principiële indruk maakt: ‘Het is mijn geweten!’, zegt een rechter daarover (zie hoofdstuk 6). Alleen in direct bewijs en een strikte interpretatie van regels vindt hij houvast. Bij twijfel is het motto van de ‘gematigde’: ‘In dubio pro reo’ (in geval van twijfel, is het voordeel voor de verdachte).
Is ‘gematigde’ niet eigenlijk een ander woord voor ‘magistraat’? Het antwoord op deze vraag is: nee. De stereotype magistraat (een officier van justitie of een rechter) stelt zich evenals de ‘gematigde’ onafhankelijk en onpartijdig op (vgl. Van de Bunt, 1985; Lindeman, 2017), maar veronderstelt deze autonome sfeer dat hij vindt dat aan een strikte interpretatie van regels en een voorzichtige interpretatie van bewijs moet worden vastgehouden, of juist het tegenovergestelde? In opvattingen van de ‘gematigde’ over bewijsbeoordeling en toepassing van voorlopige hechtenis staat de onschuldpresumptie centraal (overeenkomstig het due process model). Volgens hem komt het er in de strafrechtspraktijk op aan bij het vaststellen van feiten en het hanteren van juridische kaders risico’s te vermijden en mogelijk falen van de strafrechtelijke instituties nadrukkelijk voor mogelijk te houden. Een strikte interpretatie van juridische kaders roept bij de ‘gematigde’ geen vragen op over mogelijk negatieve effecten daarvan voor de veiligheid van de samenleving. Hierin vindt hij juist houvast. Straf- en strafprocesrecht hebben voor de ‘gematigde’ in de eerste plaats een rechtsbeschermende functie. Er is bij de ‘gematigde’ geen sprake van een presumptie van schuld, integendeel. De ‘gematigde’ vindt dat uiterst kritische vragen moeten worden gesteld. Waar anderen er (na een langdurig strafproces) toe overgaan de mogelijkheid van een alternatief scenario uit te sluiten, ziet de ‘gematigde’ nog altijd een gat in de bewijsvoering, soms op basis van een door hem zelf gevonden alternatief voor het ‘schuldige scenario’ in het strafdossier.
De ‘gematigde’ hanteert een beperkte, liberale taakopvatting voor het strafrecht. In de woorden van Packer komt zijn denkwijze over straffen hier op neer: ‘If punishment is imposed for any purpose other than to make the offender a better man or to protect society against him, it is socialized vengeance and should be rejected by any society that calls itself civilized.’ (Packer, 1968: 59) Maar de ‘gematigde’ is ook kritisch over utilistische claims van bijvoorbeeld afschrikking en rehabilitatie (zoals bij de ISD-maatregel). Hij ziet vaak te weinig reden om die te onderschrijven en volgens hem zijn niet te verwachten straffen, maar vooral andere (maatschappelijke en politieke) factoren van invloed op crimineel gedrag.
De ‘gematigde’ vindt dat bij de straftoemeting het risico op een mogelijk averechtse werking van de op te leggen sanctie vermeden moet worden: niets doen is soms beter dan de toekomst van de verdachte te frustreren door strafrechtelijk optreden. Hoewel mogelijke slachtoffers en sommige anderen verwachtingen kunnen hebben van de straf, acht hij de toekomst van de verdachte van het grootste belang. Voor veel verdachten geldt dat hun omstandigheden hebben bijgedragen aan hun criminele gedrag en daarnaast is iedereen erbij gebaat als op de lange termijn de veiligheid wordt gediend met de op te leggen straf. Deze straf te bepalen is in beginsel het werk van specialisten, omdat specialistische kennis over de verdachte en niet over de (ervaren) ernst van de gepleegde feiten volgens hem bepalend zou moeten zijn voor de straf. Hij stelt daarom de rapportages van bijvoorbeeld de reclassering meer op prijs dan de ‘crimefighter’.
De ‘gematigde’ meent dat ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ normaalgesproken als uitgangspunt voor strafrechtelijk optreden dient te gelden. Op basis hiervan moet de strafrechtspleging als dat nodig is prudent zijn en bereid tegen de ‘publieke opinie’ in te gaan en impopulaire beslissingen kunnen nemen. Wanneer de ‘gematigde’ niet overtuigd raakt dat de straf bijdraagt aan de toekomst van de verdachte, vindt hij dat daarmee terughoudend moet worden omgegaan. Een voorbeeld van een ‘gematigde’ is een rechter die opmerkt:
‘Misschien dat ik in de ogen van officieren van justitie en politiemensen onnozel ben. Ja, het zij zo, het is mijn geweten. Als ze [een andere uitkomst willen], dan moet men met een duidelijker verhaal komen, een duidelijke sanctie en mij erbij verzekeren dat het gaat helpen. Ja oké, dan heb je me. Dan ga ik mee.’
De hulpverlener vindt evenals de ‘crimefighter’ dat juridische kaders ruim geïnterpreteerd mogen worden. Net zomin als hij nog absoluut vertrouwen hecht aan de houdbaarheid daarvan, gezien de problemen waarvoor het strafrecht gesteld staat, is hij overtuigd van de interne consistentie van het recht. Hij gaat daarom bewust op zijn eigen oordeel af en is gemakkelijk door anderen te overtuigen, soms ook door de verdachte. In zijn ogen is er in het strafrecht niet één waarheid: (hogere) rechters kunnen zowel juridische kaders als feiten gemakkelijk anders beoordelen, daar zijn ze voor. ‘Ik ben heel slecht met jurisprudentie’, aldus een geïnterviewde rechter. De ‘hulpverlener’ vindt niet zoals de ‘gematigde’ onafhankelijkheid belangrijk om tot ‘rationele’ keuzes te kunnen komen, maar beschouwt nabijheid als een voorwaarde voor goede oordeelsvorming. Hij vindt dat de interpretatie van juridische kaders, van bewijs en de straftoemeting zoveel mogelijk moeten aansluiten bij wat ‘er aan de hand is’ en passend is in het individuele geval.4
Hoewel de ‘hulpverlener’ evenals de ‘gematigde’ ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ vooropstelt, is dat voor hem geen automatisme. Van alle vier omschreven ‘typen’ voelt de ‘hulpverlener’ zich het meest betrokken bij de individuele zaak. Zo zou een rechter die pleit voor meer ‘onmiddellijkheid’ in het strafproces heel goed een ‘hulpverlener’ kunnen zijn: ‘Ik ben voorstander van meer onmiddellijkheidsbeginsel (...) Rechters die op afstand moeten oordelen proberen zich enorm te verplaatsen in de positie van die ander, zoals die beschreven wordt. Maar dat is vreselijk moeilijk.’
Voor de ‘hulpverlener’ staat voorop dat het strafrecht praktische oplossingen vindt die rechtvaardig aanvoelen en aansluiten bij zijn gevoel van betrokkenheid bij dader of slachtoffer, of allebei. De ‘hulpverlener’ vindt dat een functionaris in het strafrechtsysteem zich zo min mogelijk op ‘afstand’ moet laten plaatsen door juridische begrippen of door toch veelal met juristen geassocieerd5 ‘rationele’ activiteiten (Elias, 1982), omdat zo afbreuk wordt gedaan aan emotionele betrokkenheid, mogelijkheden om op basis van ‘vakmanschap’ intuïtief te beslissen (vgl. Skolnick, 1966) of aan ‘betrokken oordeelsvorming’ te doen (IJzermans, 2011: 206 e.v.). Juridische precisie kenmerkt dan ook niet de opvatting van de ‘hulpverlener’ over hoe het strafrecht zou moeten functioneren, zoals bij de ‘gematigde’ het geval is. Een rechter:
‘Je moet creatief zoeken naar oplossingen voor een probleem. Als dat niet helemaal binnen de letter van de wet kan, dan maar wat schuiven om wel een oplossing te bieden. (...) Daar loop je af en toe wel tegenaan, dat je denkt ben ik nou rechter of maatschappelijk werker? (...) Zoals de politie naar de rechtbank kijkt, zo kijken wij soms ook naar wat het gerechtshof doet. Als wij uitspraken terugkrijgen, dan denk ik af en toe ook weleens: zijn ze gek geworden daar? Ook wel weer te begrijpen, sommige wetgeving is ongelooflijk ingewikkeld en niet te hanteren. (...) Bewijswaardering is ontzettend lastig, bijvoorbeeld in zedenzaken. We hebben een heel simpel bewijsrecht. Je hebt meer dan één bewijsmiddel nodig, maar het andere middel kan een detail betreffen. Het belangrijkste is, heb je de overtuiging. Bij die overtuiging reageren rechters verschillend. Je brengt allemaal je eigen achtergrond en denkwijze mee.’
De ritualist laat in tegenstelling tot de voorgaande typen geen sterke opvattingen blijken over rechtvaardigheid in het strafrecht in het algemeen, noch over wat er in individuele zaken zou moeten gebeuren, zoals vooral bij de ‘hulpverlener’ het geval is. Van dit eigenzinnige type verschilt de ‘ritualist’ waarschijnlijk het meest. Als enige van de vier onderscheiden typen spelen voor de ‘ritualist’ achterliggende doelen nauwelijks een rol van betekenis: hij is niet doelgericht, maar eerder regelgericht en past zijn opvattingen aan op die van zijn omgeving. De ‘ritualist’ zal zelf geen ideeën ontwikkelen over het benutten van regels voor een bepaalde doelstelling, zoals de ‘crimefighter’ en de ‘hulpverlener’ graag doen. Wel is de ‘ritualist’ duidelijk in zijn opvatting dat het strafrecht dient te functioneren conform juridische kaders: hiermee neemt hij in tegenstelling tot de ‘crimefighter’ en de ‘hulpverlener’ bij voorkeur geen risico, vandaar is het type van de ‘ritualist’ onder de kop ‘strafrecht als schild’ geplaatst. Toch hanteert de ‘ritualist’ (op dit moment) geen liberale taakopvatting voor het strafrecht zoals dat wel geldt voor de ‘gematigde’.
Evenals de ‘gematigde’ gaat de ‘ritualist’ uit van abstracties als juridische kaders, richtlijnen en vergelijkbare zaken. Daarbij hecht hij waarde aan rechtszekerheid en rechtsgelijkheid6. Zijn opvattingen baseert hij op bestaande werkwijzen en redeneringen, die hij zich net als richtlijnen, oriëntatiepunten en gebruikelijke straffen heeft eigengemaakt. Echter, aangezien voor de ‘ritualist’ leidend is wat anderen vinden, hoe anderen regels interpreteren en wat normaalgesproken wordt opgelegd, lijkt hij zich na verloop van tijd aan zowel de ‘crimefighter’ als de ‘gematigde’ aan te kunnen passen: de dominante opvatting in zijn werkomgeving is een goede voorspeller van zijn eigen opvattingen. Hierin verschilt de ‘ritualist’ van een klassieke bureaucraat, wiens opvattingen niet verder zouden strekken dan de vastgelegde voorschriften. Een voorbeeld van een ‘ritualist’ is een kinderrechter die het volgende opmerkt:
‘Op het moment dat je die zaak behandelt als rechter heeft jouw persoonlijke voorkeur of gedachte niet zoveel invloed. Dan ben je gewoon je werk aan het doen. Ook al vind je dat zulk werk weinig zin heeft, dat zij dan zo. Dan doe je wat collega’s ook ongeveer doen. Dat is dan waarin je het systeem accepteert zoals het is. Het is voor mij niet zo fundamenteel dat ik er niet mee kan leven, ik vind het alleen wel heel inadequaat. Tegelijkertijd heb ik geen makkelijke andere oplossingen.’
Als enige van de vier beschreven typen is er bij de ‘ritualist’ geen sprake van street-level leadership (vgl. Vinzant & Crothers, 1996: 471-472). Hij houdt er niet van in ruime mate zijn discretionaire bevoegdheid te benutten. De ‘ritualist’ is gezien zijn denkwijze vermoedelijk ook in het werk geen leider of regisseur die succesvol opereert in situaties waarin het aankomt op inventief gebruikmaken van discretionaire ruimte, en zal moeite hebben juridisch, moreel en sociaal de weg te wijzen.
Tot besluit is het van belang enkele kanttekeningen te maken bij de beschrijving van de typen. Een model is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Zo kan worden opgemerkt dat in bovenstaande typologie geen plaats is voor de opvatting dat in het strafrecht rechtsbescherming van de individuele verdachte centraal moet staan, maar dat wanneer hieraan wordt voldaan en een verdachte schuldig wordt bevonden een harde strafrechtelijke aanpak normaalgesproken op zijn plaats is: een hoge, op vergelding en afschrikking gerichte straf. Deze opvatting komt binnen de onderzochte groepen slechts een enkele keer naar voren en is daarom niet in de typologie opgenomen.
Ook is van belang nogmaals te benadrukken dat de instrumentele en rechtsbeschermende functie van strafrecht in bovenstaande typologie niet ‘zonder elkaar’ kunnen. Net zoals volgens Packer de due process en crime control modellen in werkelijkheid altijd in combinatie voorkomen (zie hoofdstuk 2), sluiten ook in de beschreven typen de instrumentele functie en de rechtsbeschermende functie van strafrecht elkaar niet uit. In de onderzochte opvattingen wordt de ene functie meer benadrukt dan de andere, maar ook een ‘crimefighter’ hecht tot op zekere hoogte belang aan strafrechtelijke regels en procedures. Evenzo begrijpt zelfs de meest sceptische ‘gematigde’ dat strafrecht zonder enige instrumentele functie niet kan bestaan.
Hieronder wordt in aanvulling op de typologie in schema 1, samengevat wat kenmerkend is voor de onderscheiden typen:
Crimefighter
wil een ruime interpretatie van juridische kaders
vindt dat bij bewijsbeoordeling een risico op fouten geaccepteerd moet worden
vindt dat vertrouwen nodig is in politie en OM
heeft beperkt vertrouwen in ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ en is voor een ‘harde aanpak’
vindt vooral ‘expressieve normering’ en incapacitatie belangrijk
zeer betrokken bij slachtoffers en buurten die overlast ervaren van criminaliteit
is niet bezig met lange termijn doelen; wel met vertegenwoordiging van de vox populi
Gematigde
wil een strikte interpretatie van regels
hanteert een beperkte, liberale taakopvatting voor het strafrecht
vindt dat ‘rationele’ beslissingen genomen moeten worden
hanteert een onafhankelijke, sceptische houding
ziet een belangrijke rol voor direct bewijs bij de bewijsbeoordeling
in dubio pro reo (onschuldpresumptie)
niet strafrecht, maar vooral andere factoren zijn volgens hem van invloed op crimineel gedrag
Hulpverlener
wil ruime interpretatie van regels
wil dat de strafrechtspleging praktische oplossingen vindt in het individuele geval
nabijheid en intuïtief beslissen zijn voorwaarden voor goede oordeelsvorming
relativeert juridische begrippen en ‘rationele’ activiteiten ten gunste van betrokkenheid
‘positieve gedragsbeïnvloeding’ is uitgangspunt, maar geen automatisme
Ritualist
heeft geen sterke opvattingen over rechtvaardigheid
hanteert geen achterliggende doelstellingen, is regelgericht i.p.v. doelgericht
past opvattingen en redeneringen aan op die van zijn omgeving
gaat uit van bestaande werkwijzen, juridische kaders en richtlijnen
rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; vindt uitkomsten in vergelijkbare zaken belangrijk