Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.2.2
8.2.2 Betrokkenheid als gemeenschappelijk element
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200783:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Merk op dat ‘betekenisvol’ of ‘contextgedreven’ werken, zoals officieren van justitie dat formuleren, zowel op een ‘harde aanpak’, als op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ gericht kan zijn.
Zie voor de rol die emoties spelen in rechterlijke oordeelsvorming het proefschrift van IJzermans (2011).
Zo recidiveren delinquenten significant minder na een taakstraf dan na een (korte) gevangenisstraf (Wermink e.a., 2010). First offenders die een voorwaardelijke straf krijgen opgelegd lopen een hogere kans opnieuw te worden veroordeeld dan first offenders die een korte gevangenisstraf krijgen opgelegd; recidivisten die worden veroordeeld tot gevangenisstraf recidiveren meer (Aarten e.a., 2014).
In voorgaande werd enkele keren de term ‘perspectief’ gebruikt. Het gaat hier niet om verschillende opvattingen over rechtvaardigheid of specifieker over met het strafrecht verbonden spanningen, maar om de manier waarop politiemensen, officieren van justitie en rechters in hun dagelijkse werk met de werkelijkheid in aanraking komen. Perspectieven die de onderzochte functionarissen op het strafrecht ontwikkelen liggen niet helemaal vast, dit kwam al eerder naar voren. Zo kunnen rechters door meer onderzoek ter zitting te doen, voor een gedeelte het ‘opsporingsperspectief’ krijgen. Daarnaast worden interpretaties, opvattingen en informatie van politiemensen op meerdere manieren met officieren van justitie en rechters uitgewisseld. Perspectieven van verschillende functionarissen kunnen zo gemeenschappelijke kenmerken (gaan) vertonen. Hierin ligt deels de verklaring voor overeenkomsten in opvattingen over de strafrechtspleging binnen de drie onderzochte groepen.
In essentie is het onderscheid tussen de drie onderzochte strafrechtelijke instituties dat uitvoering van taken aan politie en OM zijn opgedragen en dat rechters vaak eindverantwoordelijk zijn voor strafrechtelijke beslissingen. Het door Packer geschetste spanningsveld tussen instrumentele en procedurele eisen in het strafrecht is hier ook op geïnspireerd: de waarborgfunctie van strafrecht is in zijn due process model (1964) sterk afhankelijk van de betrokkenheid van rechters (zie hoofdstuk 2). Het genoemde onderscheid in verantwoordelijkheden kan verschillen in opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters verklaren. Echter, de beroepsgroepen worden deels op dezelfde manieren geconfronteerd met verwachtingen over strafrecht en de inzet daarvan. Daarnaast beschikken alle drie de groepen over discretionaire ruimte in hun werk (al is die per groep verschillend) en hebben ze ook allemaal te maken met de verwachting die te gebruiken om leiderschap te tonen en morele, sociale en eventueel juridische keuzes te maken in zaken waar ze mee te maken krijgen (vgl. Vinzant & Crothers, 1996).
Het vertrekpunt in dit onderzoek was het standpunt van de politiemedewerker: hoe denkt deze over het strafrecht en hoe kijkt deze naar de uitkomsten van de strafrechtspleging? Van de drie onderzochte groepen staan politiemensen het dichtste bij de gepleegde strafbare feiten en degenen die er (waarschijnlijk) direct mee te maken hebben: slachtoffers en verdachten. Echter, ook officieren van justitie en rechters blijken behalve een afstandelijk, kritisch en rationeel perspectief, een ‘betrokken’ perspectief (vgl. Elias, 1982) te hanteren op het strafrecht. ‘Betrokkenheid’ en ‘vakmanschap’ (Skolnick, 1966) zijn van invloed op opvattingen over hoe strafrecht dient te functioneren. Op de verschillende betekenissen hiervan zal hierna nader worden ingegaan.
Politiemensen, officieren van justitie en rechters delen op verschillende manieren interpretaties, opvattingen en informatie met elkaar. Om ‘contextinformatie’ over bijvoorbeeld de veiligheidssituatie en de ervaren overlast in een buurt over te brengen – deze informatie is afkomstig van de politie – maakt de officier van justitie vaak gebruik van zijn requisitoir. Daarbij achten sommige officieren van justitie het oordeel van politiemensen over een strafzaak van zodanig belang dat deze ook in de rechtszaal naar voren wordt gebracht: ‘Het gevoel en de context, datgene wat een politieman heel goed weet, dat moet je zo goed mogelijk meegeven. Dat [perspectief] moet doorklinken in de zittingszaal.’ Ook wordt regelmatig een ‘sfeerverbaal’ van de politie bij de processtukken gevoegd (zie verder: Kort, Fedorova & Terpstra, 2014: 124-127).
Onder de context van een strafbaar feit worden niet alleen begrepen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar bijvoorbeeld ook de criminele groep waarvan deze onderdeel uitmaakt en tevens zijn buurt of familie. Officieren van justitie zeggen soms overleg te zoeken met de politie om een ‘compleet beeld’ te krijgen. Strafrechtelijke uitkomsten moeten zowel vanuit een afstandelijk, juridisch perspectief, als vanuit een ‘betrokken’ perspectief begrepen kunnen worden stelt een officier van justitie. In een voorbeeld dat hij hiervan geeft blijkt zijn aandacht zich niet tot dossierinformatie over (in dit geval) slachtoffers te beperken, maar is ook sprake van emotionele betrokkenheid. Hij merkt op dat die betrokkenheid maakt dat hij ook meer voor de slachtoffers wil betekenen. Daarnaast is het voor hem van belang dat zij snappen wat er gebeurt. Kennelijk zijn niet alleen het algemene en juridische van belang voor deze officier, maar heeft hij ook aandacht voor de behoefte van het unieke slachtoffer of individu.1
‘Als je een verkrachtingszaak hebt, waarin iemand normaalgesproken een gevangenisstraf krijgt van drie jaar. (…) Zou dat mijn kind overkomen, dan zou ik denken: “Drie jaar, zijn ze gek geworden?” De vader van het meisje denkt dat de dader levenslang moet krijgen (…). Dan krijg je de politie, die hebben heel veel direct contact gehad met deze man en zeggen: “Dat wordt maximaal twaalf jaar opsluiten.” Dan kom je bij het OM en dat zegt: “Zes jaar vinden wij zeker aan de orde.” Uiteindelijk legt de rechter vier jaar op, omdat hij er de meeste afstand van heeft. Dat is een beetje het algemene filtersysteem, waarbij afstand het perspectief bepaalt. Hoe dichter je erop zit, hoe erger je het vindt. Eén dode in de straat, is als een miljoen doden in China. Dat is een beetje de menselijke aard. Afstand is wel een gezond principe in het systeem. (…) Naarmate je er dichter op zit, ben je er meer bij betrokken en wil je er ook meer voor het slachtoffer uithalen. De uitkomst moet ook zodanig zijn dat de ander het snapt.’
Zoals in voorgaande paragraaf vermeld, ervaren rechters het soms zelf als een gebrek als zij niet over de kennis van politiemensen beschikken in de rechtszaal. Ook geven ze regelmatig aan de door de officier van justitie geboden ‘contextinformatie’ relevant te achten. In beide gevallen kan het gaan om feitelijke informatie, maar zoals eerder vermeld, kan het ook gaan om opvattingen en interpretaties die worden gedeeld. Verder is gebleken dat rechters soms bewust bezig zijn om hun perspectief te verbreden ten opzichte van het (schriftelijke) strafdossier, bijvoorbeeld door onderzoek ter zitting. Dit alles lijkt begrepen te kunnen worden uit een behoefte van rechters een ‘betrokken’ perspectief te hanteren, zoals ook naar voren komt in het volgende voorbeeld. Rationeel gezien maakt het voor de te nemen beslissing niet uit of een verdachte oprecht op de rechter overkomt, maar een rechter-commissaris vindt de emoties die de verdachte uit wel relevant voor haar oordeelsvorming2:
‘[Verdachte] heeft zijn vriendin geslagen. Het verhaal van de verdachte kan zijn bijvoorbeeld: Zij sloeg mij ook of ik mocht er niet in. Dan krijg je hier wat meer een achtergrondverhaal van de verdachte of het nou waar is of niet, je hebt met heel directe emoties te maken. Ze zitten stinkend voor me, hebben niet meer gedoucht sinds ze zijn vastgezet een paar dagen geleden. Heel erg direct. Daardoor zijn, als het niet om doorgewinterde criminelen gaat, de emoties vaak heel oprecht en daar leid je uit af of het klopt. Waar twee vechten hebben twee schuld, zo’n beeld kan naar voren komen. Of er is misschien wel eerder iets geweest, maar je vindt toch dat deze meneer hier nu niet voor vast hoeft te zitten.’
Tot het ‘betrokken’ perspectief van een andere rechter lijkt een zekere ‘ervaringskennis’ te behoren, zoals ook voor politiemensen geldt (zie hoofdstuk 4). Een rechter-commissaris heeft het gevoel dat hij soms al vooraf kan zeggen hoe een voorgeleiding van sommige verdachten zal verlopen. Zijn emotionele betrokkenheid hierbij lijkt hem cynisch gemaakt te hebben over de betrouwbaarheid van deze verdachten:
‘Ik kan het al van tevoren zeggen. Een goede vriend van me heeft zich ervoor moeten verantwoorden dat hij in de zittingszaal zei dat alle Roma stelen. Dat kan je ook zo niet zeggen, maar ik ken al hun verweren uit mijn kop. Ze slikken medicijnen, zijn zwanger of moeder is zwanger, iemand is zwanger en ze kunnen dus niet vast blijven zitten. Ze zijn vriendelijk of huilen tot je zegt dat ze moeten blijven zitten en dan komt er opeens een heel andere heer of dame tevoorschijn. Op een gegeven ogenblik ben je daar ook klaar mee. Ik vind dat we daar ook een taak hebben naar de samenleving. (…) Uiteraard neem ik [persoonlijke omstandigheden] mee: een Roma meisje van een jaar of 18 met nul documentatie, daar is nog wel wat mee te beginnen. Maar een meisje van 25 met veertig pagina’s documentatie, al valt d’r been eraf, ik geloof het gewoon niet meer.’
Zoals eerder duidelijk werd kan de manier waarop naar strafzaken wordt gekeken verschuiven van een afstandelijk naar een meer ‘betrokken’ perspectief. Een rechter die straffen geen oplossing vindt voor veel criminaliteitsproblemen (integendeel!) – zij wil eerder ‘iemand bij de hand nemen’ – constateert in de voorafgaande jaren veel hogere straffen op te zijn gaan leggen. Steeds meer ziet zij in dat er in bepaalde gevallen geen alternatieven voor strafoplegging zouden zijn. Hieraan draagt onder meer bij haar gevoel machteloos te zijn ten opzichte van sommige verdachten, bijvoorbeeld doordat ze deel uitmaken van een jeugdgroep en vanwege door hen vertoond gedrag tijdens de zitting. Ook hier lijkt sprake van een zekere emotionele betrokkenheid die van invloed is op de wijze waarop deze rechter het functioneren van het strafrecht bekijkt.
‘Twee jongens vorige week. Ik weet het dan niet goed. Ik kan er drie maanden voorwaardelijk bij doen, ik kan ze ook vastzetten. Hier dring ik niet door, dat merk ik dan wel. In dit geval twijfel ik ook of ze mij accepteren: vrouw, blond. Ik twijfel of ze gezag van huize uit accepteren en of ze niet al veel te ver [onder invloed staan van] een bepaalde groep, waar de rechtspraak überhaupt niet meer doorheen kan breken. Je moet in een veel eerder stadium interveniëren. Het strafrecht is ultimum remedium en dat laat zich hier voelen. Maar ik vind zo’n geval heel lastig. Ik zit als rechter helemaal aan het einde en ik wil inzicht krijgen: een voorwaardelijke straf en melden bij de reclassering, heeft dat zin? Ik leun daarbij vooral op de officier van justitie, waarvan ik denk, die hebben veel meer duidelijk waar deze jongens deel vanuit maken en wat er nodig is. (...) Je wilt niet weten hoeveel hoger ik ben gaan straffen de afgelopen twee, drie jaar. Ik krijg gegevens door van de officier en zie ook wel dat als jongens keer op keer de fout ingaan, dan helpt kennelijk niks. Ik vind hoger straffen onbevredigend, maar ik zie niet echt een alternatief. We hebben vaak de reclassering die voorlicht en dan wordt bijvoorbeeld [over een uitgevoerde werkstraf gezegd]: “Hij wil wel, maar laat zich iedere keer weer meeslepen door de verkeerde vrienden.” En dan zit er weer zo’n ongeïnteresseerde gozer tegenover me [in de rechtszaal].’
Hoewel deze algemeen optredende verschijnselen vooral opvallen bij politiemensen, wordt uit bovenstaande voorbeelden duidelijk dat emotionele betrokkenheid en typificatie (vgl. Schütz, 1932) zich ook bij rechters kunnen manifesteren. Er worden verbanden gelegd tussen verschillende verdachten, in de hoop hen in individuele gevallen beter te kunnen doorgronden en beïnvloeden, maar er ontstaat ook een zekere emotionele kennis over hen. Op basis hiervan lijken andere eisen aan de strafrechtspleging te worden gesteld dan rechters doen vanuit een meer gebruikelijk, afstandelijk perspectief (Elias, 1982; vgl. IJzermans, 2011). Hoe menselijk of misschien zelfs onvermijdelijk dit ook moge zijn voor rechters die langere tijd in het strafrecht werken, er zijn voorbeelden die duidelijk maken dat een ‘betrokken’ perspectief soms niet aansluit bij de rechtsbeschermende functie van het strafrecht. Zo maakt een rechter duidelijk die vertelt dat strafrechters soms zo cynisch worden van hun werk, dat ze (tijdelijk) iets anders moeten gaan doen. In sommige gevallen zouden collega-rechters volgens hem niet meer in staat zijn ‘onbevangen’, zonder vooringenomenheid met de verdachte in gesprek te gaan op zitting, maar hen al bij voorbaat afkeuren.
‘Als je cynisch wordt of de verdachten eikels vindt, dan moet je ophouden zeg ik altijd. Er zijn collega’s die daar last van hebben en dan een tijdje naar civiel gaan, een soort van metaalmoeheid. Ik heb dat niet. Ik zie elke verdachte als een interessant medemens die compassie verdient. Dat maakt dat ik nog steeds met veel plezier strafrecht doe.’
Het lijkt dat een tot op zekere hoogte gedeeld perspectief in de drie onderzochte groepen, op basis van ondervinding of ervaringskennis, overeenkomstige opvattingen met zich meebrengt over hoe het strafrecht moet functioneren. Maar opgemerkt moet worden dat dit ‘betrokken’ perspectief met dit onderzoek nog niet eenduidig is beschreven. Zo is de vraag welke vorm van betrokkenheid de overhand heeft in dit ‘betrokken’ perspectief zoals politiemensen, officieren en rechters dat hanteren. Om dit te verduidelijken wordt hierna op enkele vormen van betrokkenheid kort ingegaan.
Twee vormen van betrokkenheid komen naar voren in voorgaand citaat: emotionele en morele betrokkenheid. De laatstgenoemde heeft betrekking op wat Muir (1977) het dramatic perspective (in politiewerk) noemde. Politiemensen die daarover beschikken zijn in staat zorg te hebben voor de ‘dramatische’ situatie waarin mensen zich soms bevinden, ook degenen die verder voor veel problemen zorgen en bijvoorbeeld in de omgang onaangenaam kunnen zijn. Morele betrokkenheid vereist dat ook deze burgers steeds worden beschouwd als uniek individu met specifieke problemen en omstandigheden (Terpstra, 2008: 338). Emotionele betrokkenheid kan de kwaliteit van beslissingen en de contacten met burgers positief beïnvloeden, maar er zitten ook keerzijden aan voor de juridische oordeelsvorming (IJzermans, 2011) en ook beroepscynisme kan het gevolg zijn van emotionele betrokkenheid (vgl. Terpstra, 2008: 339). Echter op basis van dit onderzoek wordt niet duidelijk in hoeverre een ‘betrokken’ perspectief op het strafrecht betrekking heeft op emoties die negatief uitwerken op de kwaliteit van de oordeelsvorming in het strafrecht (bijvoorbeeld omdat simpelweg wordt afgegaan op ‘wat goed voelt’) en in hoeverre sprake is van wat IJzermans (2011) ‘betrokken oordeelsvorming’ noemt, dat volgens haar een positief effect heeft op de kwaliteit van de rechterlijke beoordeling:
‘Een rechterlijk oordeel waarbij in de oordeelsfase de emotionele kennis is benut omdat er passende emoties worden beleefd noem ik een betrokken oordeel. Aangezien emoties ontstaan wanneer eigen belangen zijn betrokken en niet alle eigen belangen mogen meewegen in de rechterlijke oordeelsvorming, moet worden bepaald wat passende emoties (belangen) zijn. Passende emoties (en dus passende belangen) zijn de emoties (belangen) die voortkomen uit de zaak of de daarbij te verrichten taak.’ (p. 289)
Aanvullend onderzoek zal zicht moeten bieden op de effecten van verschillende vormen van betrokkenheid op opvattingen over het strafrecht en het feitelijke functioneren daarvan (daaronder ook begrepen het effect op de strafrechtelijke oordeelsvorming). Een relevante observatie in relatie tot het ‘betrokken’ perspectief zoals het hier is besproken is dat kennis over effecten van straffen in alle drie onderzochte groepen tamelijk beperkt lijkt. Een afstandelijk, rationeel perspectief op straffen is mede afhankelijk van kennis over de effecten van straffen en niet iedereen blijkt daarover in dezelfde mate te beschikken. Mogelijk is informatie hierover geen dagelijkse kost voor functionarissen in de strafrechtspraktijk. Zo merkt een officier het volgende op, gevraagd naar de effectiviteit van de ISD-maatregel: ‘Ik ben laatst bij een kliniek geweest, maar een erg concreet beeld heb ik niet bij de ISD hier.’ Een officier van justitie meent dat het strafrecht weinig kan bijdragen aan het voorkomen van recidive:
‘De rechterlijke macht moet scherpere keuzes maken en meer kijken naar de maatschappij: wat verwacht die van ons? En laat je niet in de luren leggen. Wij gaan het verschil niet maken en ervoor zorgen dat iemand niet meer de fout ingaat.’
Feitelijk maakt het voor de kans op recidive wel uit welke strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd3, maar dat staat deze officier van justitie niet in de weg de punitieve sentimenten die hij ziet in de samenleving centraal te stellen in zijn opvatting over straffen. Een andere officier van justitie meent dat het gevoel meer zou mogen spreken bij het bepalen van de strafeis, die dan meestal hoger zou moeten uitvallen. In zijn ogen zou dat beter zijn dan op basis van de beschikbare informatie de strafrichtlijnen te hanteren. Vanuit zijn ‘betrokken’ perspectief op straffen meent hij soms dat verdachten geen kans hebben hun gedrag te verbeteren.
‘Wij hebben natuurlijk onze richtlijnen. Daar moeten we ons aan houden en het is vaak lastig om daar gemotiveerd van af te wijken. Bij bepaalde mensen geloof je er helemaal niets van dat de situatie nog wel beter zal worden.’