Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/359
359 Privépersoon of functionaris
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS366614:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Moriarty 2009.
Heller v. Boylan, 29 N.Y.S.2d 653, 680 (N.Y. Misc. (Sup. Ct.) 1941) waarin rechter Coleman verwijst naar “the antiseptic policy stressed by Judge Liebell” in Winkelman et al. v. General Motors Corporation, D.C.S.D.N.Y. August 14, 1940, 39 F.Supp. 826.
Zie voor de uitspraak van de Delaware Chancery Court: re Walt Disney Co. Derivative Litigation, No. 15452 (Del. Ch. Aug. 9, 2005), p. 129-131; Voor de uitspraak van de Delaware Supreme Court: re Walt Disney Co. Derivative Litigation, Del. No. 411, 2005 (June 8, 2006), p. 35.
re Walt Disney Co. Derivative Litigation, No. 15452 (Del. Ch. Aug. 9, 2005), 472 e.v.
Dit tegenstrijdig belang is wettelijk verankerd in art. 2:135 BW waarin, in afwijking van art. 2:130 BW, is bepaald dat de algemene vergadering bevoegd is tot het vaststellen van de individuele bezoldiging van bestuurders, tenzij bij de statuten een ander orgaan is aangewezen.
De angel van de verplichting een eigen visie te vormen zit verscholen in de afwezigheid van een onderscheid tussen de bestuurder als privépersoon en als functionaris van de vennootschap. Hierdoor lijkt deze nieuwe beloningsbepaling een kentering te markeren in de wijze waarop wordt aangekeken tegen de positie van de (beoogd) bestuurder tijdens beloningsonderhandelingen. Ook in zijn hoedanigheid van privépersoon moet de bestuurder zich nu immers rekenschap geven van het belang van de vennootschap.
Vorenstaande betekent mijns inziens overigens niet dat de bestuurder nu gehouden is tijdens de onderhandelingen het vennootschappelijk belang leidend te laten zijn, een gedachte die in de Verenigde Staten nog wel eens geopperd is. Zo is door Moriarty het standpunt ingenomen dat de bestuurder handelt in strijd met zijn ‘fiduciairy duties’ (zijn plicht om in het beste belang van de vennootschap te handelen) wanneer hij een beloning accepteert die hoger is dan het laagste bedrag waarvoor hij de functie zou vervullen.1 Dat een dergelijke verstrekkende fiduciaire verplichting als grondslag kan dienen voor een vordering jegens een bestuurder is niet geheel ondenkbaar.
Al in 1940 werd in de Verenigde Staten door een rechter geopperd, dat: “The duty of the director executives participating in the bonus seems plain – they should be the first to consider unselfishly whether under all the circumstances their bonus allowances are fair and reasonable”.2
In de befaamde, in de VS spelende, rechtszaak tegen Michael Ovitz (Walt Disney) werd zelfs aangevoerd dat hij zijn fiduciaire verplichting geschonden had door akkoord te gaan met zijn ontslagvergoeding van ongeveer $130 miljoen na een ongelukkig verlopen bestuursperiode van 14 maanden. Door de Amerikaanse rechter werd deze grondslag overigens ontoereikend geacht.3
“Ovitz did not breach his fiduciary duty of loyalty by receiving the […] payment because he played no part in the decisions (1) to be terminated and (2) that the termination would not be for cause […]. Ovitz did possess fiduciary duties as a director and officer while these decisions were made, but by not improperly interjecting himself into the corporation’s decisionmaking process nor manipulating that process, he did not breach the fiduciary duties he possessed in the unique circumstance.”4
Ook in Nederland zal een soortgelijke vordering in beginsel voortijdig stranden. De reden dat de raad van commissarissen (althans de remuneratiecommissie) met de bestuurder onderhandelt over zijn beloning, is dat de bestuurder een inherent persoonlijk tegenstrijdig belang heeft.5 Daarmee is niet gezegd dat een bestuurder geen persoonlijk belang mag hebben dat strijdig is met het vennootschapsbelang, en dit belang ook mag behartigen, zolang hij dat doet als privépersoon en zich onthoudt van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming namens de vennootschap over de desbetreffende kwestie. De regel dat de bestuurder zijn fiduciaire verplichtingen schendt wanneer hij tijdens de onderhandelingen die hij voert als privépersoon probeert het voor hem beste resultaat te bereiken, kennen wij in Nederland niet. Hiermee wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat de koper een bovengrens heeft en de verkoper een ondergrens. De juiste prijs ligt ergens tussen deze beide grenzen in en is een resultante van onderhandelingen gevoerd op armlengte afstand. Mijns inziens beoogt bpb 3.2.2 Code 2016 daar ook geenszins verandering in te brengen.