Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang
Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/7.5:7.5 Conclusie
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/7.5
7.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS345567:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk 7 was aan de orde in hoeverre het enquêterecht rekening houdt met synthetische belangen, in de zin dat (i) aan houders van synthetische belangen enquêterecht toekomt, (ii) hun handelen aanleiding voor of onderwerp van onderzoek kan zijn, en (iii) voorzieningen hun belang kunnen raken. In paragraaf 7.3.2 is uiteengezet in hoeverre aan synthetische belangen enquêterecht is verbonden; verschillende houders van economische belangen bij aandelen zijn enquêtegerechtigd. In paragraaf 7.3.3 kwam aan de orde dat het handelen van de houder van een economisch belang onder omstandigheden aanleiding kan zijn tot het bevelen van een onderzoek en dat het onderzoek zich tot dat handelen kan uitstrekken. De gedragingen van houders van synthetische belangen zijn in die zin onderworpen aan het soort toezicht dat het enquêterecht biedt. Paragraaf 7.3.4 betrof de invloed van de voorzieningen van het enquêterecht op de positie van de houder van een economisch belang en de mate waarin die voorzieningen de uitoefening van zijn rechten kunnen beperken. Geconcludeerd kan worden dat houders van synthetische belangen in zoverre zijn ingebed in het enquêterecht.
In paragraaf 7.3.5 waren de gevolgen hiervan voor de controversiële aspecten van het gebruik van synthetische belangen aan de orde. Geconstateerd is dat het handelen van houders van economische belangen, net als het handelen van aandeelhouders zonder of met netto negatief economisch belang, aanleiding voor en voorwerp van onderzoek in een enquêteprocedure kan zijn, indien dit handelen aanmerkelijke invloed heeft op het beleid van of de gang van zaken in de vennootschap. Geconstateerd is ook dat door de Ondernemingskamer te treffen voorzieningen betrekking kunnen hebben op de houder van economische belangen bij aandelen, en voorts op aandeelhouders die geen of een netto negatief economisch belang bij hun aandelen hebben. Dit betekent dat het enquêterecht belangrijke middelen verschaft om controversieel gebruik van synthetische belangen aan te pakken. Omdat houders van bepaalde synthetische belangen toegang tot het enquêterecht hebben kunnen zij dit echter ook juist benutten als drukmiddel tegenover de vennootschap of andere betrokkenen, ook op oneigenlijke wijze. Met het oog daarop heb ik in paragraaf 7.4.3b.iv bepleit dat de verzoeker van een enquête verplicht wordt melding te maken van zijn volledige juridische en economische belang met betrekking tot de vennootschap. Een verplichting van die strekking kan worden opgenomen in een aan artikel 2:349 BW toe te voegen derde lid. Op basis van de aldus verstrekte informatie kan de Ondernemingskamer beter beoordelen of het gelasten van een onderzoek of het treffen van maatregelen noodzakelijk is door in de belangenafweging ter zake ook de aard van het belang van verzoekers mee te wegen. Zo’n meldingsplicht zal voorts de toets van artikel 3:303 BW vergemakkelijken.