HR, 12-07-2013, nr. 12/00637
ECLI:NL:HR:2013:25
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
12/00637
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑07‑2013
ECLI:NL:HR:2013:25, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY9294
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY9294
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑03‑2012
- Vindplaatsen
Belastingadvies 2013/17.12
BNB 2013/196 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
NTFR 2014/427 met annotatie van mr. M. de L. Monteiro
FutD 2013-1767
Viditax (FutD) 2013071221
Beroepschrift 12‑07‑2013
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Edelhoogachtbaar College,
Hierbij stelt ondergetekende [C] als gevolmachtigde van [X1] wonende te [Z] incidenteel beroep in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage van 21 december 2012, nr. 10/00253 betreffende de aan [X1] opgelegde aanslag in het recht van successie.
Het incidenteel beroep richt zich tegen :
- — 1.
de uitspraak aangaande rechtsoverwegingen 7.1 en 7.2
- — 2.
de uitspraak aangaande proceskosten in de bezwaarfase rechtsoverweging 8.2
Ad 1 Gronden voor het incidenteel beroep in cassatie.
- a.
Onjuiste interpretatie van het waarderingsvoorschrift van artikel 21,eerste lid,SW
- b.
Strijdigheid met algemeen aanvaarde maatschappelijke normen
- c.
Algemeen maatschappelijk belang
- d.
Onjuiste interpretatie van het arrest van uw Raad zoals vermeld onder rechtsoverweging 7.2.
Motivering van de gronden a,b en c.
De situatie is dat in de betreffende woning op het tijdstip van overlijden iemand woont, die het is toegestaan om daar te wonen ,sterker nog het toegekende recht had daar te wonen.
Om de waarde vervolgens volgens artikel 21, eerste lid SW te bepalen dient dus van de hypothese uitgegaan te worden dat het huis aan een potentiële koper op dat moment wordt aangeboden.
De potentiële koper zal dan vragen of de woning bewoond wordt en/of vrij van bewoning kan worden geleverd.
De erfgenamen zullen dan naar waarheid dienen te antwoorden dat de woning is bewoond en dat aan de bewoner daartoe het levenslang recht,zonder betaling van een vergoeding, is verleend.
Het kan dan niet zo zijn dat uitgegaan dient te worden van een waarde vrij opleverbaar, onder het argument dat koper de mogelijkheid zou hebben om de bewoner als het ware te verjagen.
Dit is in strijd met ethisch maatschappelijk aanvaardbare normen. Bovendien vereisen deze normen dat de verkopers de voorwaarden zullen stellen dat de bewoner onder dezelfde condities de bewoning kan voortzetten.
Er zal dus geen koper te vinden zijn, die de prijs in de staat van vrij opleverbaar zal wensen te betalen, maar bij de prijs rekening zal houden met jarenlang renteverlies vaste lasten en te maken onderhoudskosten op de investering.
Het algemeen belang is er in gelegen dat steeds meer ouderen zonder te huwen samen gaan wonen om niet een eenzaam leven te leiden. Dat liefhebbende kinderen dan graag meewerken aan zekerheid voor de langstlevende is voor de hand liggend. In dat kader is uw mening van groot belang.
De waardedruk dient minimaal op 20% te worden gesteld of op zoveel hoger of lager dan u in goede justitie geboden acht.
Motivering van grond d.
In casu is sprake van een bijzonder situatie om af te wijken van de waarde in de staat vrij opleverbaar. Naar mijn mening heeft uw Raad niet bedoeld om de waardedruk te beperken tot huurrecht of zakelijke rechten/verplichtingen. In dat geval is bovendien sprake van bewoning door erfgenamen.
Ad 2
Grond voor het incidenteel beroep is dat de overweging onbegrijpelijk is.
In het bezwaarschrift gedagtekend 11 mei 2005 is op bladzijde 2 laatste alinea onder het hoofd proceskosten het volgende geschreven:
‘Ik verzoek u de gemaakte kosten voor het bezwaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht ( Koninklijk Besluit van 25 oktober 2002 Stb 2002,113) aan belanghebbende te vergoeden’
Verzocht wordt deze vergoeding alsnog toe te kennen.
Proceskosten
Verzocht wordt om ook voor deze incidentele beroepen in cassatie rechtens aan [X1] een vergoeding van proceskosten toe te kennen.
Uitspraak 12‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 5, lid 1, SW. Voortgezette bewoning na overlijden erflater. Mondelinge afspraak. Last uit derdenbeding.
Partij(en)
12 juli 2013
nr. 12/00637
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 21 december 2011, nr. BK-10/00253, betreffende een aan [X1] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in het recht van successie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van [A], overleden in 2003, een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 09/6944 SUCCR) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 18 december 2012 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1.1. Op 12 december 2003 is [A] (hierna: erflater) overleden. Zijn zoons [X2] en belanghebbende zijn de erfgenamen.
3.1.2. Op het tijdstip van overlijden woonde erflater met [B] (hierna: [B]) in een hem in eigendom toebehorende woning (hierna: de woning). Na het overlijden van erflater is [B] in de woning blijven wonen.
3.1.3. In de aangifte voor het recht van successie is bij het bepalen van de waarde van de woning een waardedrukkende factor in aanmerking genomen in verband met de bewoning door [B]. De Inspecteur heeft deze waardedruk niet geaccepteerd.
4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
4.1.
Volgens het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat erflater met hem en zijn broer de afspraak heeft gemaakt dat [B] na het overlijden van erflater om niet in de woning mocht blijven wonen. Het Hof heeft deze afspraak aangemerkt als een derdenbeding, dat door [B] vóór het overlijden van erflater is aanvaard. Voorts heeft het Hof onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 april 1993, nr. 28907, BNB 1993/200, geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 5, lid 1, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW) de last die uit het aanvaarde derdenbeding voortvloeit, als een aan de verkrijging verbonden last dient te worden aangemerkt. Hiertegen richt zich het middel.
4.2.
Het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat in het hiervoor in 4.1 vermelde arrest de daar toegestane aftrek van de last was ingegeven door redelijkheidsgronden ter voorkoming van dubbele heffing van successierecht. Van een dergelijke dubbele heffing is volgens het middel in het onderhavige geval geen sprake, aangezien de verkrijging door [B] uit het derdenbeding niet als fictieve erfrechtelijke verkrijging in de heffing van successierecht kan worden betrokken, omdat voor die verkrijging niets aan het vermogen van erflater is onttrokken.
4.3.1. ’
s Hofs oordeel omtrent hetgeen vóór het overlijden van erflater tussen hem en de beide erfgenamen is afgesproken en hetgeen door [B] toen is aanvaard, berust op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de gemaakte afspraken. Dit oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De daaraan door het Hof gegeven kwalificatie dat sprake is van een derdenbeding geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel zich tegen deze oordelen richt faalt het daarom.
4.3.2.
Krachtens het ten behoeve van [B] gemaakte en door haar aanvaarde derdenbeding ontstond voor haar een recht op voortgezette bewoning van de woning na het overlijden van erflater. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de last die voor de erfgenamen uit dit derdenbeding voortvloeit voor hen een last vormt in de zin van artikel 5, lid 1, van de SW, die op de waarde van hun verkrijging in mindering komt. Het antwoord op de vraag of de verkrijging uit het derdenbeding in de heffing van successierecht kan worden betrokken is voor die vermindering niet van belang.
In de toelichting op het middel wordt nog betoogd dat geen sprake is van een last omdat het derdenbeding op grond van artikel 7:177, lid 1, BW met het overlijden van de erflater is komen te vervallen. Dit betoog, waarin ligt begrepen dat geen sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, moet worden verworpen aangezien het voor het eerst in cassatie wordt aangevoerd, en behandeling ervan een oordeel zou vergen dat mede van feitelijke aard is.
Het middel faalt derhalve ook in zoverre.
5. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klachten
5.1.
De klachten houden onder meer in dat het Hof de Inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte kosten in de bezwaarfase. Volgens het Hof is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende daarom heeft verzocht. Uit het tot de gedingstukken behorende bezwaarschrift blijkt echter dat belanghebbende daarom wel heeft verzocht. De klachten slagen in zoverre. 5.2. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5.3.
Gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nr. 12/00641 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van door belanghebbende gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1416, derhalve € 708, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 235, derhalve € 117,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2013.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 454.
Beroepschrift 20‑03‑2012
Den Haag, [20 MRT 2012]
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 12/00637) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage van 21 december 2011, nr. 10/00253, inzake [X1] te [Z] betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 8 februari 2012 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 1, eerste lid, 5, eerste lid, 13 en 20 van de Successiewet 1956 (tekst 2003: hierna SW 1956), doordat het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval de last van het aanvaarde derdenbeding in mindering kan worden gebracht op de erfrechtelijke verkrijging van belanghebbende, zulks op grond van het hiernavolgende ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
In cassatie kan van de in de uitspraak van het Hof vermelde vaststaande feiten worden uitgegaan. Daarbij wil ik er voor de goede orde nog uitdrukkelijk op wijzen dat in het onderhavige geval derhalve geen testament is opgemaakt en dat evenmin tijdens het leven van de erflater een notariële akte is opgemaakt waarbij de erflater heeft bedongen dat na zijn overlijden [B] om niet in de woning mocht blijven wonen.
Ik onderschrijf het oordeel van het Hof in r.o. 7.2. dat geen sprake is van een gebruiksrecht voor [B] dat werking zou hebben tegen (markt)gegadigden voor die woning, waardoor in zoverre — in lijn met de vaste jurisprudentie van uw Raad — moet werden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van de volle waarde in het economische verkeer.
Het Hof acht vervolgens (r.o. 7.3) aannemelijk dat in dezen sprake is van een als derdenbeding te kwalificeren afspraak, die als last aan belanghebbende en zijn mede-erfgenaam is opgelegd, waarvan de waarde in mindering dient te komen op de erfrechtelijke verkrijging van belanghebbende. Met de door het Hof daaraan verbonden gevolgen voor de toepassing van de SW 1956 (r.o. 7.4.) wordt naar mijn mening blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Het Hof leidt o.a. uit het door uw Raad gewezen arrest van 7 april 1993, nr. 28907, BNB 1993/200 (met noot Laeijendecker), kennelijk af, dat in geval van een last uit hoofde van een derdenbeding deze voor het recht van successie zou moeten worden afgetrokken van de verkrijging. Daarbij miskent het Hof echter dat in het genoemde arrest BNB 1993/200 de daar door uw Raad toegestane aftrek van de last was ingegeven op redelijkheidsgronden ter voorkoming van een dubbele heffing van successierecht over een groot gedeelte van de uitkering. Dat arrest dient met name in de context van het bepaalde in artikel 13 SW 1956 te worden gelezen, waadoor uw Raad uiteindelijk ook slechts oordeelt ‘dat de voldoening aan een derdenbeding als het hier bedoelde is aan te merken als ….last welke last op de verkregen verzekeringsuitkering in aftrek mag worden gebracht’, Uw Raad overweegt:
‘3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De erfgenamen van erflater, die is overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt, zijn diens vier kinderen; van deze is belanghebbende de oudste. Erflater had een overeenkomst van levensverzekering gesloten welke bij zijn overlijden voorzag in een uitkering van f 25 000, met als begunstigde belanghebbende. Erflater heeft belanghebbende in aanwezigheid van zijn drie mede-erfgenamen de verplichting opgelegd deze verzekeringsuitkeringen, na hieruit zo nodig eerst de kosten van de begrafenis van erflater en eventuele schulden van erflater te hebben voldaan, gelijkelijk te delen met deze mede-erfgenamen, welke verplichting belanghebbende toen heeft aanvaard. Belanghebbende heeft vrijwel onmiddellijk na ontvangst van deze uitkering aan leder van zijn drie mede-erfgenamen een kwart van deze uitkering uitbetaald.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat met de door erflater aan belanghebbende opgelegde en door deze aanvaarde en nagekomen verplichting rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van de hoogte van belanghebbendes verkrijging. Met betrekking tot het tegen dit oordeel gerichte middel heeft het volgende te gelden.
3.3.
Indien de betalingen door belanghebbende van een vierde gedeelte van de verzekeringsuitkering aan ieder van de mede-erfgenamen ertoe strekten te voldoen aan een door erflater, in verband met de aanwijzing van belanghebbende als begunstigde, ten behoeve van de mede-erfgenamen gemaakt beding, dat door de mede-erfgenamen voor het overlijden van de erflater is aanvaard, is ingevolge artikel 13 van de Successiewet 1956 niet alleen de verzekeringsuitkering aan de heffing van successierecht onderworpen maar ook hetgeen ieder van de mede-erfgenamen heeft ontvangen van belanghebbende, omdat in dat geval die betalingen door de mede-erfgenamen worden geacht ten gevolge van het overlijden van de erflater krachtens een beding ten behoeve van een derde te zijn verkregen. Aldus zou de verkrijging door belanghebbende van de verzekeringsuitkering tot het bedrag van hetgeen hij daarvan ter voldoening aan vorenbedoeld derdenbeding aan de mede-erfgenamen heeft doorbetaald, tweemaal door successierechten worden getroffen. Dit resultaat, waarvan niet aannemelijk is dat de wetgever het heeft gewild, wordt vermeden door artikel 5, lid 1, van de Successiewet 1956 aldus uit te leggen dat de voldoening aan een derdenbeding als het hier bedoelde is aan te merken als de uitvoering van een aan de verkrijging verbonden last welke last op de verkregen verzekeringsuitkering in aftrek mag worden gebracht.’
Toegepast op de onderhavige casus kan het volgens het Hof toestaan van de voortgezette bewoning door [B] krachtens derdenbeding mijns inziens niet worden gebracht onder artikel 13 SW 1956 dan wel een van de andere flctiebepalingen. Ter zake van dat voortgezette wonen na het overlijden is immers niets aan het vermogen van de erflater onttrokken. Dusdoende kan de voorgezette bewoning door [B] in casu niet in de heffing van successierecht worden betrokken.
In het systeem van de SW 1956, met name de artikelen 1, 5 en 20, ligt besloten dat de heffing van successierecht zich richt naar hetgeen wordt verkregen, zodat bij de één alleen aftrekbaar is wat bij een ander in de heffing wordt betrokken. Een uitzondering op die regel geldt voor de in artikel 20 SW 1956 vermelde lasten ‘des boedels’. Zie ook de wetsgeschiedenis, zoals deze is vermeld in de toelichting op het tweede cassatiemiddel bij het arrest van uw Raad van 2 maart 1966, nr. 15479, BNB 1966/106 (met noot Schuttevaer).
Meda met inachtneming van de door uw Raad gewezen voormelde arresten BNB 1993/200 en BNB 1966/106 heeft voor de heffing van successierecht in dit verbind het volgende te gelden.
Ter bepaling van de omvang van de erfrechtelijke verkrijging van een erfgenaam kan rekening worden gehouden met de schulden van de nalatenschap, testamentaire legaten en lasten, fictieve erfrechtelijke verkrijgingen, alsmede de in artikel 20 SW vermeide lasten. In dit kader verwijs ik tevens naar de bijdrage van mr. J.C. van Straaten voor de Stichting tot Bevordering der Notariële Wetenschap, opgenomen in WPNR 02/6502, blz. 632 e.v. Vgl. ook zijn annotatie onder het arrest van uw Raad van 7 juni 2002, nr. 36559, FED 2002, 500.
Indien we een en ander betrekken op de onderhavige casus in relatie tot de voortgezette bewoning door [B] ontstaat het volgende resultaat. Die bewoning vormt geen schuld van de nalatenschap. Dit geldt temeer nu de strekking is, dat die bewoning pas wordt uitgevoerd na het overlijden van de erflater en ter zake geen notariële akte is opgemaakt door de erflater met [B]. Ik verwijs o.a. naar het arrest van uw Raad van 9 december 2011, nr. 11/01265, V-N 2011/66.25:
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:177, lid 1, BW vervalt een schenking met het overlijden van de schenker voor zover zij strekking heeft pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Met het begrip ‘uitgevoerd’ in deze bepaling wordt gedoeld op de (feitelijke) nakoming van de verbintenis die uit de schenkingsovereenkomst voortvloeit.
De door erflaatster bij de onderhandse akten schuldig erkende bedragen waren blijkens de hiervoor in 3.1.2 weergegeven bepaling pas opeisbaar bij haar overlijden. Het Hof heeft hieraan kennelijk en — gelet op het hiervoor in 3.3.1 overwogene — terecht de gevolgtrekking verbonden dat de bij de onderhandse akten gedane schenkingen de strekking hadden pas na het leven van erflaatster te worden uitgevoerd.
Wegens het ontbreken van een testament doet zich ook niet de situatie voor van een legaat of testamentaire last ten behoeve van [B] Zoals al eerder is opgemerkt is evenmin sprake van een fictieve erfrechtelijke verkrijging door [B]. Voorts staat vast dat het in artikel 20 SW bepaalde in dezen niet aan de orde is.
Onder deze omstandigheden vindt de door het Hof voor de heffing van het recht van successie toegestane vermindering van de erfrechtelijke verkrijging van belanghebbende met de last krachtens derdenbeding ten behoeve van [B], geen steun in het recht.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco