V-N 2025/2.29
Na ambtshalve opgelegde aanslag ingediende belasting-aangifte heeft geen strafrechtelijke bewijsbestemming
HR 17-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1847, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 december 2024
- Magistraten
Van den Brink, Röttgering, Faase
- Zaaknummer
22/02851
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS994911:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1847, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1201, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
- Wetingang
Essentie
De strafkamer van de Hoge Raad oordeelt dat een belastingaangifte die wordt ingediend na een ambtshalve aanslag geen bewijsbestemming heeft in de zin van art. 225 Sr.
Samenvatting
Aan X is onder meer ten laste gelegd dat hij op naam van een BV gestelde aangiften VPB 2009 en 2010, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt. De aangiften zijn door X ingediend nadat de inspecteur ambtshalve aanslagen over deze jaren heeft opgelegd. Het hof oordeelt dat de tenlastelegging kan worden bewezen. Het hof is – anders dan de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.