Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.2.2.2
4.2.2.2 Artikel 348a Sr
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254399:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 1 (MvT).
HR 3 december 1974, NJ 1975, 229, m.nt. Wachter; Rb. Rotterdam 16 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4080.
Zie Wachter in zijn noot in NJ 1975, 229; zie ook A-G Hofstee in ECLI:NL:PHR:2019:229 bij HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:673 (afgedaan met toepassing van artikel 81 RO).
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 17 (MvT).
Vgl. Doorenbos 2015, p. 310.
In Rb. Den Haag 30 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10321 lijkt dat wel het geval. De rechtbank baseert zich nog op de rechtspraak van de Hoge Raad maar wijst erop dat deze rechtspraak inmiddels in artikel 348a Sr is vastgelegd.
Zie Verheul in T&C Strafrecht, commentaar op art. 348a Sr.
Zie hierover ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/194.
Dit was ook aan de orde in Rb. Amsterdam 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7201, JOR 2019, 4, m.nt. Van Haren.
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 6 (MvT).
Artikel 348a Sr werd ingevoerd in het kader van de versterking van het aanpakken van faillissementsfraude.1 Het begrip ‘bestuurder’ had in strafrechtelijke zin al een meer uitgebreide betekenis dan het enkel zijn van formeel bestuurder.2 Van een bestuurder kan ook sprake zijn wanneer uit de feiten blijkt dat de verdachte zich zowel binnen als buiten de vennootschap materieel heeft gedragen als bestuurder, dus zonder in enig opzicht afhankelijk te zijn van instructies of aanwijzingen van anderen.3 De wetgever heeft dit met de invoering van artikel 348a Sr willen verduidelijken. Ook degenen die feitelijk, zonder officiële functie als bestuurder de rechtspersoon besturen, kunnen gelden als bestuurder. Daarvoor is onder meer bepalend of de betreffende persoon het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder.4 Hoewel de wetgever hier letterlijk aansluit bij de formulering zoals opgenomen in de WBA- en WBF-bepalingen, waardoor convergentie in de hand wordt gewerkt,5 lijkt de wetgever voor het strafrecht een ruimere betekenis van deze gelijkschakeling voor te staan door de woorden ‘onder meer’ te gebruiken.
Helaas wordt in de parlementaire geschiedenis geen verdere aandacht aan deze bepaling besteed. Uit de nog te verschijnen rechtspraak zal moeten blijken in hoeverre de in artikel 348a Sr bedoelde beleidsbepaler overeenkomsten met de WBA en WBF beleidsbepaler vertoont.6 Verheul meent in ieder geval dat het zonder in enig opzicht afhankelijk zijn van instructies of aanwijzingen van anderen een te beperkte uitleg van artikel 348a Sr behelst.7 Ik sluit mij daarbij graag aan. Een dergelijk vereiste heeft veel weg van de feitelijke terzijdestelling die in de parlementaire geschiedenis van de 2:248 lid 7 BW aan de orde komt. In het verleden is dit vereiste bij de civielrechtelijke aansprakelijkheid van (mede)beleidsbepalers gesteld in zowel rechtspraak als literatuur.8 Mijns inziens onterecht, nu uit de bewoording van de bepaling al blijkt dat een algeheel terzijde stellen van het formele bestuur niet vereist kan zijn. Als bestuurder wordt immers ook aangeduid degene die het beleid heeft mede bepaald, hetgeen impliceert dat er samen met het formele bestuurder is opgetreden.9 Convergentie met de WBA en WBF bepalingen ligt bovenal in de rede nu de wetgever heeft beoogd om de strafrechtelijke vervolging van faillissementsfraude zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de civielrechtelijke aansprakelijkheid door de normen uit beide rechtsgebieden op elkaar af te stemmen.10 In dat licht past het niet om de gelijkschakeling van een (mede)beleidsbepaler met een formeel bestuurder in strafrechtelijke zin te laten afwijken van de civielrechtelijke variant.