Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.3.1:5.3.1 Sterke aanwijzingen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.3.1
5.3.1 Sterke aanwijzingen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200789:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
‘Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.’
Op de achtergronden hiervan wordt uitgebreid ingegaan in hoofdstuk 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In voorbeelden van volgens officieren van justitie soms ‘onbegrijpelijke’ bewijsbeslissingen van rechters gaat het steeds om zaken waarin het beschikbare bewijsmateriaal bestaat uit (sterke) aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte(n) bij een misdrijf. In de praktijk worden dit soort aanwijzingen vaak ‘plusjes’ of ‘steunbewijs’ genoemd, maar het kunnen ook standaard bewijsmiddelen betreffen. Gevallen waarin de betrokkenheid van de verdachte bij het gepleegde misdrijf overduidelijk lijkt te zijn, zoals ingeval de verdachte op heterdaad is aangehouden, zouden veel minder problemen opleveren: ‘De moordenaar van Theo van Gogh krijg je nog wel veroordeeld. Dat was een heterdaadje.’ Wanneer het bewijsmateriaal grotendeels bestaat uit sterke aanwijzingen of wanneer sprake is van schakelbewijs, zijn officieren van justitie het meest ontevreden over de beoordeling door de rechter. De meeste officieren treffen echter zelden onbegrijpelijke uitspraken aan.
Sommige officieren van justitie ervaren dat in zaken waarin de interpretatie van bewijsmateriaal complex is, rechters daarover kritischer oordelen dan zij zelf doen. Bewijsmateriaal zou door rechters terughoudender geïnterpreteerd worden. Daarbij ziet men overigens na vrijspraken vaak wel in dat ‘de rechter twee kanten op kon’ met de beoordeling van het bewijs. Soms echter leidt een vrijspraak tot grote frustratie en scharen officieren zich (expliciet) achter de kritiek van politiemensen dat bewijs door de strafrechter weleens te kritisch wordt beoordeeld. In het volgende voorbeeld kreeg de officier van justitie de indruk dat de rechter op basis van de houding van de verdachte op zitting de feiten op een voor de verdachte gunstige wijze interpreteerde:
‘Ik ben het er zelden mee oneens. Soms kan je met beslissingen twee kanten op. Je hebt ook zaken waar je de beslissing echt heel erg fout vindt. Ik heb hier een meisje gehad, verkracht. Dat kind was kapot. Daar was alle vrouwelijkheid uitgestroomd. Een bloedmooi kind in een slobbertrui. (...) De hele [plaats delict] was nog intact. We hadden onwijs veel plusjes, zoals dat heet in zo’n zaak. Ze heeft meteen gebeld. Een maand later deed hij het weer, maar hij werd vrijgesproken omdat hij op zitting zo leuk overkwam. Ja fuck it, want dat wil zeggen dat als je heel rot overkomt op zitting, dat je het dan wel hebt gedaan? Soms denk je: je zit er naast [rechter]. Daar ben ik een week stuk van geweest. Ik begrijp het ook niet, maar ik moet wel zo’n meisje bellen.’
Op basis van art. 338 Sv1 kan de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan pas aannemen op het moment dat hijzelf ‘de overtuiging heeft bekomen’. Het bewijsrecht laat daarmee een vrijwel onbepaalde beslisruimte aan de rechter. Dat sommige rechters hiermee voorzichtig omgaan, roept bij een deel van de geïnterviewde officieren van justitie negatieve reacties op. Zo wordt bijvoorbeeld gesuggereerd dat rechters soms zouden uitgaan van twijfel bij het beoordelen van bewijs, hetgeen als een verkeerd uitgangspunt wordt gezien:
‘Ik zeg niet dat uitspraken verkeerd zijn, maar alleen dat ik ze niet kan begrijpen. (...) Als je zeer overtuigd bent dat verdachte veroordeeld moet worden, interpreteer je bewijsmiddelen conform je overtuiging. Soms doen rechters wel volledig het tegenovergestelde.’
Volgens officieren van justitie speelt overtuiging een grote rol bij de beoordeling van bewijs. Regelmatig wordt daarbij opgemerkt dat het bewijsrecht in de regel ‘slechts’ twee wettige bewijsmiddelen als minimum vereist. De vraag of aangevoerde bewijzen ook wettige bewijsmiddelen betreffen zou in de rechtszaal weinig discussie geven. Officieren van justitie menen echter dat de neiging van rechters om te twijfelen en vervolgens tot vrijspraak te beslissen onderling sterk verschilt. Een deel van de officieren van justitie verwacht dat ‘voorzichtige’ rechters hun twijfel over bewijs vaker onderdrukken. Overigens laat ook de ene officier van justitie zich gemakkelijker overtuigen dan de andere, zo menen ze zelf en lopen ook hun opvattingen over hoe rechters met bewijs dienen om te gaan uiteen.
‘Als ik twijfel heb, eis ik vrijspraak’ zegt een officier van justitie. Het element overtuiging in het bewijsrecht lijkt door sommige officieren van justitie echter niet alleen als een moment voor kritische reflectie op de gehanteerde bewijsconstructie te worden geïnterpreteerd (vgl. Stevens, 2014), maar ook als een oordeelsruimte op basis van common sense. Hierin kan zich als met een sterke lijm een ‘overtuigend’ scenario uit bewijsstukken vormen.
‘Je hebt veel zaken, dan kan je bijvoorbeeld zien op welke mast de telefoon [van verdachte] zit. Op de tap komt een gesprekje binnen of een getuige heeft iemand gezien met een specifieke beschrijving en [verdachte] is staande gehouden met die kleding. Dan ga je afwegen: Ik heb zoveel toevallige omstandigheden, vind ik het nou genoeg bewijs? (…) Er zitten geharde jongens tussen in de groepen die we volgen, die zeggen niks.’
Deze opvatting van het bewijsrecht impliceert dat een geringe onzekerheid toelaatbaar is. Een officier van justitie meent overtuigd te kunnen zijn van de schuld van een verdachte in gevallen waarin getwijfeld kan worden aan de bewijsconstructie. Het beeld dat de aanwezige bewijsmiddelen oproepen kan maken dat zij het niet nodig acht precies na te gaan waarvoor het strafdossier bewijs levert, hetgeen volgens haar soms een verschil oplevert met ‘voorzichtige’ en ‘precieze’ rechters:
‘Wettig bewijs, daar zit je snel aan. Je moet ook de overtuiging hebben. Het uitgangspunt bij rechters is heel sterk: bij twijfel, niet oversteken. Ik steek af en toe bij twijfel wel over, omdat ik de overtuiging heb. (...) Er is bijvoorbeeld een winkeldief die met één of ander verhaal komt. Waarom de levensmiddelen die in het winkelmandje zaten niet door hem gestolen waren. Dan spreekt de rechter hem vrij en veroordeelt zijn vrouw. Ik dacht dat ze die diefstal samen gepleegd hadden: samen uit, samen thuis. Maar een rechter gaat dat dan heel precies fileren. Hij heeft het in het boodschappenmandje gedaan, zij heeft het niet afgerekend. Maar het kan natuurlijk niet zijn, dat [de verdachte] dat niet wist.’
In dit voorbeeld lijkt betrokkenheid van de man bij de winkeldiefstal het meest waarschijnlijk, al meent de rechter dat daarvoor geen bewijs voorhanden is. Er zijn goederen gestolen; meneer en mevrouw waren samen de winkel binnen gekomen en daarom in de ogen van de geïnterviewde officier ook samen verantwoordelijk voor de gepleegde diefstal. De officier hanteert een waarschijnlijkheidsredenering die ook politiemensen kan overtuigen van de schuld van een verdachte, zelfs als er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Zij lijken zich hiervan regelmatig niet bewust (zie hoofdstuk 4). In een ander voorbeeld waarin een waarschijnlijkheidsredenering een rol lijkt te spelen noemt een officier van justitie het onbegrijpelijk dat een verdachte is vrijgesproken. In zijn ogen is voldoende bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij een moord:
‘Als jij vaststelt dat ze een afspraak hadden om naar een [gebouw] toe te gaan en ook lijkt hij mee te gaan om het lijk weg te maken, daar heeft het althans alle schijn van, dan heeft dat toch een reden? Heeft hij erbij gestaan [toen de moord werd gepleegd], dan is dat nog steeds passief medeplegen.’
In dit voorbeeld zou bij de rechters twijfel zijn gerezen over de vraag hoe meerdere DNA-sporen van de verdachte en het slachtoffer zijn uitgewisseld. De geïnterviewde officier van justitie kan zich niet vinden in de wijze waarop uiteindelijk het gerechtshof het beschikbare bewijs heeft beoordeeld:
‘Als je er kansberekening op zou loslaten, dan kan het haast niet anders [dan dat de verdachte ook de dader is]. Dan kan je toeval wel uitsluiten. Op geen enkel punt vindt de [ontkennende] verdachte steun, nergens. Je ziet het gerechtshof denken: “Een criminele omgeving, er kunnen meerdere mensen bij betrokken zijn geweest.” (…) Overwogen is dat de verdachte mogelijk wel bij de moord aanwezig was, maar dat mogelijk iemand anders de trekker overhaalde en er is geen bewijs voor plegen of medeplegen. Bizar en van interpretatie afhankelijk.’
In het volgende voorbeeld kunnen volgens de rechter strafbare feiten niet precies aan individuele daders toegerekend worden. De geïnterviewde officier van justitie gebruikt een waarschijnlijkheidsredenering die kennelijk niet acceptabel was voor de rechtbank:
‘Ik stond twee weken geleden op zitting met een geval van voetbalgeweld. [Enkele tientallen] supporters van de ene club zijn midden in de nacht afgereisd met bivakmutsen en wapens naar [de andere stad] en zijn op een industrieterrein in een gesloten groep afgelopen op een groep supporters [van een andere voetbalclub]. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een massale vechtpartij, glas gooien, stokslagen, en er zijn een stuk of vijftig personen aangehouden. De politie heeft geen omstanders aangehouden en heeft kunnen zien dat de eerste groep compact [bij elkaar] bleef voordat er werd aangevallen. Maar de rechtbank vindt dat ze niet heeft kunnen vaststellen wat precies het individuele aandeel van al die leden van de groep is geweest. Dat vind ik spijkers op laag water zoeken: [het wetsartikel over] openlijke geweldpleging is nou juist bedoeld voor massale vechtpartijen. Dan denk ik ook: “rechtbank, toon een beetje lef.”’
Soms ook menen officieren van justitie dat het beeld dat politiemensen hebben over een strafdossier van invloed kan zijn op hun overtuiging over de schuld van de verdachte.2 Ook hier wordt overtuiging beschouwd als een oordeelsruimte op basis van common sense en intuïtie. Een officier van justitie legt uit bij twijfel over de bewijsbeoordeling, soms van de verbalisant te willen vernemen hoe deze over de verklaring van de verdachte denkt:
‘Dat klinkt gek, maar ik zit weleens op het randje [met het bewijs] en bel dan de verbalisant die de verdachte heeft gehoord op. Dan vraag ik gewoon: “Wat voor beeld heb jij van die vent? Geloof je hem in zijn verhaal of niet?”’
Sommige officieren van justitie zeggen dat rechters er tijdens een strafproces soms pas veel later toe overgaan een door de verdachte aangedragen alternatief scenario uit te sluiten dan zij zelf wenselijk vinden. In de volgende subparagraaf over alternatieve scenario’s wordt hier uitgebreider op ingegaan.