Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.3.3.2
4.3.3.2 Uitoefening voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972018:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 14 maart 2016, JOR 2017/89 (Delta Lloyd), r.o. 3.15.
Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, Stb. 2020, 124).
Artikel 11/18 lid 1 sub b Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
Artikel 11/18 lid 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
Vgl. Kamerstukken II 2019/2020, 35 434, nr. 6, p. 18, waaruit lijkt te volgen dat de antwoorden in alle gevallen op de site van de vennootschap worden gepubliceerd: “De rechtspersoon wordt verplicht om te zorgen dat de antwoorden op de website van de rechtspersoon worden geplaatst. Alle leden en aandeelhouders worden geacht kennis te kunnen nemen van de website.” Dit lijkt mij onwenselijk, al is het maar omdat niet alle vennootschappen een eigen website hebben.
Artikel 11/18 lid 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
Zie het Besluit van 28 november 2022 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Stb. 2022, 477).
Zie Kamerstukken II 2019/2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 9: “Denkbaar is dat vennootschappen (bv. beursvennootschap) bepaalde aandeelhouders of vertegenwoordigers van aandeelhouders de mogelijkheid bieden om tijdens de vergadering nadere vragen in te dienen via een door de vennootschap aangewezen elektronisch communicatiemiddel (bijvoorbeeld e-mail, chat). Daarvoor is in ieder geval vereist dat zij vóór de vergadering schriftelijke vragen hebben ingediend. Het ligt voor de hand dat de vennootschap die mogelijkheid om nadere vragen in te dienen, zal toekennen aan degene die aandeelhoudersorganisaties vertegenwoordigt (VEB, VBDO, Eumedion), welke vertegenwoordiger ook een lid of deelnemer van een dergelijke organisatie kan zijn.”
Zie Kamerstukken II 2019/2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 9.
Zie Kamerstukken II 2019/2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 9.
Zie artikel 11 lid 3 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, op grond waarvan het bestuur van een NV ervoor moest zorgen dat tijdens de vergadering langs elektronische weg of anderszins nadere vragen kunnen worden gesteld, tenzij dit in het licht van de omstandigheden van dat moment in redelijkheid niet kan worden gevergd. Op grond van artikel 18 lid 3 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid gold voor het bestuur van de BV zelfs ‘slechts’ een inspanningsverplichting met diezelfde strekking. Dit alles staat nog los van technische mankementen die eraan in de weg kunnen staan dat de aandeelhouder ter vergadering het woord voert of vragen stelt.
Artikel 11/18 lid 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid. Indien pas na oproeping van een fysieke vergadering ervoor werd gekozen om de vergadering volledig digitaal te houden, werd die termijn opgerekt tot in ieder geval 36 uur voorafgaand aan de vergadering. Zie ook Kamerstukken II 2019/2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 8.
Zie Kamerstukken II 2023/2024, 36 489, nr. 3, p. 5 en 7.
Zie Abma e.a. 2017, p. 218, voetnoot 34.
Zie het oproepingsbericht van Koninklijke BAM Group NV van 28 februari 2023, voor de algemene vergadering gehouden op 12 april 2023. Oproepingsberichten in voorgaande jaren bevatten een vergelijkbare passage. In het oproepingsbericht van 27 februari 2024 is deze mogelijkheid beperkt tot ‘Registered Shareholders’, zijnde aandeelhouders die zich reeds op de voorgeschreven wijze hebben aangemeld voor de aandeelhoudersvergadering.
Overigens laat dit ook ruimte om bij de beantwoording van een vraag koersgevoelige informatie te verstrekken conform de in toepasselijke wet- en regelgeving voorgeschreven wijze. Vgl. Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 452.
Dit is anders indien de wet daarin zou (komen te) voorzien, zoals ten tijde van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
Vgl. Breukink (diss.) 2022, p. 9.
Aandeelhouders kunnen reeds voorafgaand aan een algemene vergadering hun vragen indienen, zodat die vragen ter vergadering kunnen worden beantwoord. Dit volgt ook uit de beschikking van de Ondernemingskamer inzake Delta Lloyd:
“Voor zover een individuele aandeelhouder de voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering van 16 maart 2016 verstrekte informatie ontoereikend acht om zijn standpunt te bepalen, staat het die aandeelhouder vrij voorafgaand aan of tijdens de aandeelhoudersvergadering vragen te stellen en in discussie te treden met het bestuur. Het bestuur kan ter vergadering uit eigen beweging en naar aanleiding van vragen van aandeelhouders het voorstel nader toe lichten. Een aandeelhouder die zich ook dan nog onvoldoende geïnformeerd acht, kan om die reden tegen het emissiebesluit stemmen.”1
Ik meen dat het de vennootschapsleiding in beginsel ook vrijstaat de aldus gestelde vragen voorafgaand aan de vergadering te beantwoorden. Indien daartoe wordt besloten, is het wel van belang dat aandeelhouders de mogelijkheid hebben om tijdig kennis te nemen van die informatie.
In artikel 11 en 18 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid2 was voorzien in de mogelijkheid dat individuele aandeelhouders vragen konden indienen voorafgaand aan een volledig digitale aandeelhoudersvergadering.3 Die vragen zouden uiterlijk ter vergadering, al dan niet thematisch, worden beantwoord.4 De antwoorden dienden op de website van de vennootschap te worden geplaatst of5 via een elektronisch communicatiemiddel toegankelijk te worden gemaakt voor de aandeelhouders.6 Deze regeling is op 1 februari 2023 vervallen.7
De regeling uit de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid bevatte een aantal interessante aspecten. Ten eerste heeft de wetgever kennelijk beoogd het recht op inlichtingen ook toe te kennen aan collectieve belangenorganisaties die de belangen van aandeelhouders vertegenwoordigden.8 Die keuze is overigens niet nader toegelicht en kan ik ook niet goed plaatsen. Ik heb niet de indruk dat in de praktijk op dit punt problemen worden ervaren.
Ten tweede valt op dat de antwoorden op de gestelde vragen uiterlijk tijdens de vergadering dienden te worden gegeven. Hiermee werd beoogd te waarborgen dat aandeelhouders in staat zouden zijn om de antwoorden te betrekken bij het uitoefenen van hun stemrecht ter vergadering.9 Het bestuur kon bijvoorbeeld vóór de vergadering een e-mail sturen met de gestelde vragen en antwoorden.10 Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de wetgever aanstuurde op beantwoording van de vragen vóór de vergadering, terwijl dat niet het wettelijke uitgangspunt is en ook niet goed is in te zien waarom dit bij een digitale vergadering anders zou zijn dan bij een fysieke vergadering. Mogelijk houdt dit verband met het gegeven dat de mogelijkheid om ter vergadering vragen te stellen niet in alle gevallen was verzekerd.11 Indien vragen vóór vergadering zouden worden beantwoord, geeft dat aandeelhouders meer gelegenheid om nog op die antwoorden te kunnen reageren. Zo zouden wellicht vervolgvragen kunnen worden gesteld die bijvoorbeeld ter vergadering dienden te worden beantwoord.
Ten slotte wijs ik erop dat aandeelhouders tot in ieder geval 72 uur vóór de aanvang van de digitale vergadering de tijd kregen om hun vragen op te sturen,12 tenzij de vennootschap een kortere termijn hanteerde. De keuze voor deze termijn is niet nader toegelicht, maar lijkt te zijn bedoeld om de vennootschapsleiding in staat te stellen zich voor te bereiden op de gestelde vragen en – zo mogelijk – nog vóór de vergadering de antwoorden te delen met de aandeelhouders. Een dergelijke regeling is niet overgenomen in het momenteel voorliggende Wetsvoorstel voor de Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit lijkt een bewuste keuze te zijn geweest, nu in de memorie van toelichting wel wordt verwezen naar het recht op inlichtingen en de hiervoor besproken regeling uit de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, al wordt dit niet nader toegelicht.13 Zelf meen ik dat een wettelijke regeling voor het indienen van vragen voorafgaand aan de algemene vergadering overbodig zou zijn. Het huidige artikel 2:107/217 lid 2 BW laat ruimte om voorafgaand aan de algemene vergadering vragen te stellen en onduidelijk is aan welke behoefte een nadere regeling tegemoet zou komen. In ieder geval zie ik geen reden om op dit punt een onderscheid te maken tussen enerzijds de digitale vergadering en anderzijds de fysieke of hybride vergaderingen, mits aandeelhouders die een vergadering digitaal bijwonen daar het woord kunnen voeren. Dit is gewaarborgd onder het huidige consultatievoorstel.
In de praktijk komt het regelmatig voor dat aandeelhouders voorafgaand aan een aandeelhoudersvergadering vragen indienen.14 Koninklijke BAM Groep N.V. is een voorbeeld van een Nederlandse beursvennootschap die haar aandeelhouders uitnodigt om voorafgaand aan de algemene vergadering schriftelijk vragen in te dienen. In de oproepingsberichten voor haar jaarvergaderingen is de volgende paragraaf opgenomen:
“Questions prior to and during the meeting
As a shareholder, proxy or person otherwise entitled to vote at this meeting, you can submit any questions prior to the meeting, which questions will be answered during the meeting and the answers will also be published on the Company’s website. Such questions may be submitted by email (…) or by postmail to the Company, (…) and must be received before Wednesday 5 April 2023, 18.00 hrs (CET). A person entitled to vote at the meeting can also submit any questions during the meeting. Those questions will be answered during the meeting, unless this cannot reasonably be asked given the circumstances. The Chairman of the meeting may further determine this in the interest of the order of the meeting. Answers that cannot be provided during the meeting will be published on the Company’s website as soon as possible after the meeting.”15
Het verdient opmerking dat BAM heeft aangegeven dat vragen die niet reeds ter vergadering kunnen worden beantwoord, nadien zullen worden beantwoord via de website van de vennootschap.16 Een dergelijke verplichting volgt niet uit artikel 2:107/217 lid 2 BW noch uit de Corporate Governance Code.
Ik acht het wenselijk dat vragen voorafgaand aan de algemene vergadering worden gesteld, zodat de vennootschapsleiding de gelegenheid krijgt zich behoorlijk voor te bereiden. Dat geldt te meer voor vragen die verband houden met de verantwoordingsplicht van de vennootschapsleiding en mogelijk minder verband houden met de agenda zelf. De wet lijkt hier ook ruimte voor te laten. Ik meen echter dat het recht op inlichtingen ook dan strikt genomen pas ter vergadering – en niet reeds daarvoor – wordt uitgeoefend,17 aangezien (i) het recht op inlichtingen toekomt aan de algemene vergadering; (ii) algemene vergadering als orgaan (pas) wordt ‘geactiveerd’ met de opening van de vergadering;18 en (iii) de relevante vragen pas ter vergadering worden behandeld. Deze juridische duiding heeft overigens geen praktische gevolgen.